Van Oerboek tot Eindboek

De papyrusrol in de hondenkennel

‘Ik was zeventien en het zou mijn enige roman worden – en blijven. Er moest alles in staan wat ik de wereld te melden had, en dat was, meende ik, niet weinig: men zou ervan lusten. Ik was bereid mijn ziel tot op de bodem uit te putten.’

‘Na voltooiing van het boek, in september ’69, zou ik gaan studeren – in schijn dan, want ik had immers het boek der boeken geschreven, zodat het met die studie wel even kon wachten. In de grote stad zou ik voornamelijk, zo stelde ik me voor, in wit pak en liefst ook nog met een witte hoed op, langs de terrassen flaneren, terwijl de mensen me nariepen: ‹Ach, schrijft u toch nog eens zo’n boek…!› Waarop ik beleefd en bescheiden afwerende gebaren zou maken: ‹Sorry, alles staat er al in. Er komt geen tweede boek.›’

Er zal wel iets tussen gekomen zijn, want uiteindelijk begon ik pas drie jaar later aan de roman, in de zomer van 1972. Er moest, door middel van een in het boek verankerde driedelige Ethica, glashard in bewezen worden dat de mensheid diende op te houden te bestaan. Geen geringe ambitie.

On the Road van Jack Kerouac schijnt op één lange, afgerolde telexrol geschreven te zijn, maar daar had ik toen nog geen weet van. Om de een of andere, nu niet meer te achterhalen reden vond ik dat Kermis in de hel, zoals mijn gevaarlijke boek zou gaan heten, althans in handschrift op één groot, aaneengesloten vel papier geschreven moest worden. (Ik kan nu nog jaloers zijn op de stellige rituelen uit die tijd, waarvan de noodzaak nu zoek is.) Het was zomer, ik bracht de vakantie bij mijn ouders in Geldrop bij Eindhoven door, dus ik loste het probleem op door naar de burelen van het Eindhovens Dagblad te fietsen en me de weg naar hun drukkerij te laten wijzen. Hier kreeg ik te horen dat ze de kartonnen spoelen met het overgebleven onbedrukte krantenpapier doorverkochten aan enkele uitdragerijtjes. Ze gaven me een adres. Het zal wel niet meer bestaan in het Eindhoven op hoge poten van nu, want het ging om een binnen de bebouwing los gelegen huisje, omgeven door oud roest. Een bejaard vrouwtje deed open. Uit de woning klonk snerpend geblaf van vele honden – allemaal keffertjes, zo te horen. Door gang, kamer en keuken ging het zonderlinge dametje mij voor naar een binnenplaats. In hokken langs de gangmuur, kooien in de huiskamer, manden onder het aanrecht: overal huisden de schoothondjes van baasjes op vakantie, want mijn gastvrouw hield er zoiets als een «zomerkennel» op na. Het spitsroeden lopen tussen nagels en hoektanden was tot daar aan toe; het ergste was het schelle, hese geblaf. Uit een grote pan met in water gedrenkte broodkorsten begreep ik wat hier het dagelijkse dieet behelsde. Goed, ik had besloten als een beeldhouwer mijn materiaal persoonlijk uit de marmergroeve te gaan halen: dan ook de honden aan de ingang getrotseerd.

De binnenplaats stond vol restrollen krantenpapier van verschillende dikte en, omdat de zon er niet overal in gelijke mate bij kon, in alle mate van vergeling. Ik koos, uit de schaduw, een niet te dikke rol, waarvan het papier nog de oorspronkelijke grauwwitte teint van fijngekneed witbrood bezat. Het ouwetje vroeg er vijf gulden voor. Ik had mijn vel papier. Vijf piek, en het boek zou zich als het ware vanzelf ontrollen, uit één stuk, als een magisch beschreven loper.

Het bleek nog een heel gedoe om de lange, dikke rol per fiets van Eindhoven naar mijn ouderlijk huis te krijgen: zo’n acht, negen kilometer. Ik legde het gevaarte als een reusachtige, karikaturale fallus tussen mijn dijen op de stang en over het stuur. Aldus probeerde ik te fietsen, de rol met mijn langzaam bewegende bovenbenen zo goed mogelijk in evenwicht houdend. Als ik de bochten flauw hield, hoefde ik niet eens af te stappen. Dit alles was van het allerhoogste belang. Natuurlijk werd ik nagefloten, maar ik dacht: lach maar! Fluit maar! Dit hier, tussen mijn benen, is een opgerold vel papier dat straks de waarheid omtrent de wereld zal bevatten. En jullie theoretische ondergang.

Op mijn oude jongenskamer stond nog het grote bureau uit mijn middelbareschooltijd. Op een stoel aan de achterkant ervan legde ik dwars over de zitting de papyrusrol uit de zomerkennel, zodanig dat een flink deel van het afgewonden papier op het bureaublad rustte, dat er geheel door bedekt raakte. Maar hoe krijg je overzichtelijke tekst op zo’n enorme witte vlakte, en dat zonder sneeuwblind te raken? Stippellijntjesgewijs zette ik een tiental bladspiegels uit, ervoor zorgend overal forse marges open te laten. De tekst binnen de kaders in zwarte balpeninkt, die erbuiten in groene.

Waren mijn tien bladspiegels vol, dan trok ik de papieren loper als een tafelkleed naar me toe. Hoor! Hoor toch eens hoe het verrukkelijke geroffel op de stoelzitting aan de andere kant van mijn bureau mijn tien pagina’s bevestigt! Ik vouwde het beschreven gedeelte (scheuren was taboe) onder het schone gedeelte, en tekende nieuwe bladspiegels. En zo verder. Toen na verloop van tijd het in harmonicavorm gevouwen pak papier op het bureaublad te dik werd om boven te schrijven, en een kussen op mijn stoel geen uitkomst meer bood, weigerde ik nog steeds de schaar in mijn Dode-Zee-rol te zetten. Ik legde het beschreven pak onder de stoelpoten aan de andere kant, zodat de papierbaan nu van stoelzitting via bureaublad naar de vloer voerde.

Aan het slot van de drie schrijfmaanden moest ik alsnog, met pijn in het hart, dat ene, inmiddels vele meters lange vel tot handzamere stukken verknippen, anders was het niet terug naar mijn studentenkamer te vervoeren geweest. Ik herschreef het boek tot Bejaardentehuis op het Dak van de Wereld, en stuurde dat naar de uitgever Thomas Rap. Als ik bij het terugontvangen, per kerende post, geweten had dat Rap uitsluitend kleine, fijne boekjes publiceerde, had ik me misschien niet door de héle uitgeverswereld tegelijk afgewezen gevoeld – maar dan had ik misschien doorgezet en weer het ongeluk gehad dat de roman prematuur verschenen was, en me als zodanig mijn halve leven lang in de weg had gezeten.

Nu ik oud genoeg ben vind ik het boek van een grote durf getuigen, juist in z’n onwetendheid. Het mag van mij nog deze eeuwhelft in de oerboekenreeks van uitgeverij Atlas verschijnen, uiteraard omkleed met enig essayerend gerelativeer.

Naast het bestaan van een Oerboek wil ik u ook het bestaan onthullen van een Eindboek.

Sinds er, ook in Nederland, zoiets als een chicklit bestaat, hoor ik mezelf onze literatuur wel de Nedlit noemen, overigens zonder gemene bedoelingen – of zou het toch iets te maken hebben met het door elkaar gaan lopen van kwaliteitscategorieën, van de agressieve claim van pulp-lectuur om ook tot de Literatuur te behoren? De stichting Collectieve Propagánda voor het Nederlandse boek zal er, met zo’n beschamende publieksprijs, in ieder geval alles aan doen om de grens verder te slechten. Toen vorige keer het publiek zelf aan het muiten sloeg, en een niet-genomineerde bijbelvertaling voordroeg, werden er onmiddellijk nieuwe regels ingesteld om zoiets hachelijks niet nog een keer te laten gebeuren. De Publieksprijs voor een kwaliteitsboek: stel je voor, zeg.

Enfin, wat mij in de Nedlit altijd opvalt, is die autoritaire houding: «Dat moet je zó niet doen, dat moet je zó doen.» Niet complex schrijven, en zeker niet barok, maar kaal, simpel. Het pleidooi voor eenvoud bedient zich altijd van dezelfde clichés: «de taal maakt hier een ongekende kaalslag door», «hij beent de woorden uit tot op het bot» et cetera. Iedereen kan ze dromen. Alsof taal en idioom van Nederland in de loop der eeuwen uitsluitend zo complex zijn geworden om ze vervolgens weer tot een handvol modderkluiten terug te beeldhouwen.

Ik ben ook een bewonderaar van enkele meesters in het woorduitbenen, maar aanvaard niet op voorhand het gebod van allergrootste simpelheid en het verbod op complexiteit. Voor mij heeft het Huis van de Literatuur vele kamers, en daar hebben ze allemaal hun stek: de realisten naast de idealisten, de naturalisten naast de symbolisten, de nieuwe zakelijken naast de oude dichterlijken, de noeste taalkaalslagers naast de barokke lezermoorders. Natuurlijk, wie binnen z’n eigen genre niet goed genoeg is, krijgt op den duur vanzelf de huur opgezegd. Maar verder zou ik niet weten hoe de rijkdom van de Nederlandse literatuur te handhaven met de eis van uitsluitend het uitbeenmes, de kaalslag, de o zo wendbare sloopkogel. Net zo min als de literatuur van een land gedragen kan worden door één potentaat met machtswanen, kan zij gedragen worden door één genre, ook al zou dat in z’n stoepjeschrobbende soberheid het dichtst onze volksaard benaderen.

Laat ik me nu zelf even, voor ’t gemak van dit kleine betoog, aan een versimpeling bezondigen. Wat ambities betreft, laten zich in dat rommelige Huis van de Literatuur bij benadering vier categorieën schrijvers onderscheiden:

(1) zij die, al dan niet angstvallig, binnen hun eenmaal ontdekte mogelijkheden blijven

(2) zij die de grenzen van hun mogelijkheden besnuffelen, onderzoeken, eraan morrelen (dat heet nog experimenteel)

(3) zij die ver over de grenzen van hun mogelijkheden heen proberen te reiken en, met een woord van Nietzsche, «boven zichzelf uit trachten te scheppen» (hier wordt het al behoorlijk eng)

(4) zij die het ónmogelijke zoeken, in de zwarte onzekerheid of zij, op z’n best, genoegen moeten nemen met een monumentale mislukking, dan wel, op z’n rampzaligst, in totale ontreddering en zelfvernietiging ten onder gaan (dat zijn, met een variant op Céline, «de ongelukkigen van deze aarde»)

Ik matig me geen oordeel aan over tot welke categorie ik behoor – ik denk niet tot de eerste, maar dat is verder aan anderen om te beoordelen. Wel weet ik dat ik, behalve door een Oerboek, word geplaagd door een Eindboek.

Als het Oerboek de aanvankelijk redelijkerwijs onmogelijk te publiceren roman was, dan is het Eindboek de uiteindelijk menselijkerwijs onmogelijk te schrijven roman. Zoals het Oerboek de onvolkomen, onvoldragen, van elastiekjes en vastgespijkerde leertjes aan elkaar hangende materialisering van een jeugdvisioen was, zo behelst het Eindboek het totaalvisioen van de rijpere schrijver – een totaalvisioen dat niet eens gematerialiseerd kán worden, omdat het naar z’n aard niet met menselijke middelen op papier is te zetten, al koop je alle restrollen van alle krantendrukkerijen op.

De overeenkomst tussen Oerboek en Eindboek is dat ze allebei in wezen visionair zijn, en onmogelijk te realiseren. Je zou kunnen zeggen dat de voorstelling van wat zijn eerste grote roman hád moeten worden de schrijver voortdrijft op zijn pad, en dat hij, na het midden van zijn levensweg, steeds meer wordt aangezogen door de voorstelling van wat zijn grote slotroman zóu moeten worden.

Spreek voor jezelf, zult u mogelijk denken. Ik spréék voor mezelf, en ik verhul mijn megalomanie niet. Ik zeg er meteen bij dat ik een manier meen te hebben gevonden de ziekte naar een vruchtbare kwaal om te buigen – waarmee iets van het onmogelijke Eindboek te redden zou zijn.

Vroeger, nog niet eens zo lang geleden, had ik een huiveringwekkende fantasie. Ik had gelezen over de nietsontziende eerzucht bij de oude Grieken, en dat wie te lang achtereen te goed bleek in zijn stiel (als politicus, als redenaar) de gezonde competitie heette te bederven, en via een schervengericht verbannen dreigde te worden – bijvoorbeeld naar Zuid-Italië. Een referendum van zesduizend potscherven met jouw te illuster geworden naam erop, en daar ging je op het schip, voor tien jaar in exil. De onverslaanbare uitblinker was weggeborgen, dus de felle wedijver onder de achtergebleven vakgenoten kon hervat worden. (Ja, vijf, zes keer Lance Armstrong als winnaar van de Tour, dat leidt tot gemor achter de strobalen en dranghekken. De spanning loopt eruit.)

Ook de Griekse treurspeldichters deden, zoals u weet, met hun tragedies aan wedstrijden mee. Er is mij geen geval bekend van een Griekse tragediedichter die, te briljant bevonden om de competitie nog vrij spel te geven, verbannen werd. Stel, er was zo’n schrijver geweest, een soort super-Sophocles – wij zouden zijn naam waarschijnlijk niet gekend hebben, gedwongen als hij immers was door het schervengericht om in vergetelheid te leven. Mijn fantasie behelsde dat er wel degelijk zo’n onbekende Tragicus bestaan had: iemand te goed dus voor de reguliere wedijver. Ik ging, in mijn grootheidswaan, niet zo ver zoiets als een Graf voor de Onbekende Tragediedichter op te richten, compleet met Eeuwige Vlam, maar ik was er heilig van overtuigd dat je in je werk even hoog moest zien te reiken als de tragicus die er ballingschap voor geriskeerd had. En dat kwam in deze tijd, bij gebrek aan een concreet aards en aarden schervengericht, weer neer op de keuze voor een trots soort innerlijke exil.

Vanuit die positie het menselijkerwijs onmogelijk te schrijven boek aanpakken, kan hooguit tot zelfdestructieve mislukking leiden (De G.K. van ’t Reve van 1966 zag z’n Violet tenminste nog als een voor hemzelf haalbaar project, al moest het alle andere boeken overbodig maken – overigens niet het door hemzelf als vervolg aangekondigde «mystieke martelaarboek» Mars in Scorpio. Meer in de buurt van het menselijkerwijs onmogelijke kwamen Le Livre van Mallarmé en La Mort van Jean Genet.)

Men wordt ouder, noodgedwongen buigzamer, minder compromisloos. Ik meen een manier gevonden te hebben om, zonder zelfvernietiging, iets van dat onmogelijke Eindboek zichtbaar te maken, zodat het niet als lóuter visioen wenkt aan het nog ongedateerde einde van een schrijversleven, als het ware over het graf en de Afgrond heen.

Het Onmogelijke Boek – plaats er een boek omhéén, als tent, als schutting. Alleen zo, door winkelhaken in het tentdoek, door knoestgaten in de houten schutting kunnen we misschien glimpen opvangen van die ongekende romanwereld. Het wolkendek daar valt voor de duur van een seconde open. Een paarse lichtstraal over een verder onbeschrijflijk landschap, dat waarschijnlijk niets idyllisch heeft. Het is als met een vlinder die je met al z’n kleurenpracht in de holte van je handen probeert te vangen. Mis. Vuilbruin poeder aan je vingers, dat is alles.

Als het Eindboek zich dan door een mensenhand niet laat schrijven, laat het zich misschien, en dan nog alleen fragmentsgewijs, via een soort metaboek _be_schrijven, _om_schrijven, omcirkelen. Een afgeleide wereld van Platoons grottengoochelwerk.

Het gaat erom te slagen… in de mislukking.


A.F.Th. van der Heijden sprak deze tekst uit bij een symposium over oerboeken in het Letterkundig Museum, waarbij aansluitend het oerboek van Jeroen Brouwers In het midden van de reis door mijn leven (uitgeverij Atlas) werd gepresenteerd