De politiek bemoeide zich altijd al met de zeden

De paradox van Balkenende

Koningin Wilhelmina zei al in de troonrede van 1901 dat «Nederland een zedelijke rol heeft te vervullen». Later hadden we minister Hirsch Ballin en zijn «socio-morele opvoedings pakketten» voor de ontsporende jeugd, en het «ethisch reveil» onder Andries van Agt. Normen en waarden zijn sinds mensenheugenis een constante in de Nederlandse politiek. Het offensief van het kabinet-Balkenende ter «disciplinering van de massa» is in wezen niets nieuws.

Op zich ziet de nieuwbouwwijk Veldhuizen in Leidsche Rijn (Utrecht), voorheen onderdeel van de gemeente Vleuten-De Meern, er op zondagmiddag uit als alle andere nieuwbouwwijken in Nederland. Verlaten straten, een enkele huisvader die zijn hond uitlaat. Toch is Veldhuizen een speciale plek in Nederland. Op deze historische grond begon namelijk een revolutie — de revolutie van de normen en de waarden.

Een jaar geleden, nog in het paarse tijdperk, werd Veldhuizen door het ministerie van Justitie aangewezen om plaats te geven aan een zogeheten «pilotproject normen en waarden». Onder het motto «Grenzen stellen, gemeenschapszin bevorderen» gingen de kersverse bewoners van deze winderige uithoek van Suburbia onder de deskundige leiding van een extern adviesbureau over tot een «normatieve taakstelling» aan zichzelf. Met behulp van een computerondersteunde methode, het zogeheten «concept mapping», formuleerden de brave burgers van Veldhuizen al brainstormend de ideologische fundamenten van hun Utopia. Zo kwam men tot de volgende lijst «benoemde normen en waarden», marges waarbinnen het leven van de negenduizend Veldhuizenaren zich dient af te spelen willen ze niet in conflict komen met de «buurtregisseur»:

Begin bij jezelf.

Kinderen aanspreken als ze iets doen wat niet hoort.

Zelf de straat netjes houden.

Anderen geen geluidsoverlast bezorgen.

Elkaar aanspreken op elkaars gedrag.

In de wijk moet sociale controle zijn.

Openstaan voor anderen.

Gaan kijken als je iets vreemds of verdachts ziet.

Je buren laten weten dat je een feestje geeft.

Tolerant zijn voor elkaar.

Goede start maken door kennismaking met buren.

Mensen anoniem laten als ze dat willen.

Ook contact zoeken voor leuke dingen en niet alleen voor problemen.

Bewust met het milieu omgaan.

Je aan de snelheid houden.

Rekening houden met bouwverkeer.

Ook overdag overlast voorkomen.

Elkaar vrijlaten in contact maken.

Je eigen stoep schoonhouden.

Op straat een praatje maken.

Mensen uit de wijk leren kennen.

Meeleven in voor- en tegenspoed.

Samen op elkaars kinderen passen.

Leraren geven het goede voorbeeld.

Regels stellen in de wijk.

Elkaar groeten op straat.

Mensen van andere culturen helpen.

Trots zijn op de wijk.

Duidelijke afspraken over parkeren.

Meedoen aan georganiseerde activiteiten.

Een imposante lijst. De Veldhuizenaren hebben zich er bepaald niet met een jantje-van-leiden van afgemaakt. De ambitiegraad mag er zijn, al smeult onder al die vrome wensen behoorlijk wat potentiële conflictstof. Hoe rijm je bijvoorbeeld de aansporing «mensen anoniem te laten als ze dat willen» met de verplichting «mee te doen aan georganiseerde activiteiten» en «elkaar aan te spreken op elkaars gedrag»? Daar zou nog veel verwarring uit kunnen voortvloeien.

Tijdens een kleine, wellicht niet geheel representatieve steekproef ter plekke moest ik helaas vaststellen dat Veldhuizen nog een lange weg te gaan heeft eer de benoemde normen en waarden ook daadwerkelijk deel zullen zijn geworden van het dagelijks leven. Niet één keer werd ik gedurende mijn participerend-sociologische veldonderzoek op de locatie van het pilotproject gegroet door een Veldhuizenaar; geen enkele maal werd ik aangesproken op mijn gedrag, zelfs niet nadat ik bij wijze van lokaas de asbak van mijn auto op de nog proper blinkende straat had leeggekieperd, noch werd er in andere zin een praatje met mij gemaakt, terwijl ik toch nadrukkelijk afkomstig was uit een andere cultuur. Ik vond de mensen eerlijk gezegd weinig «openstaan voor anderen», daar in Veldhuizen, en ondervond als zodanig geen pregnant verschil met locaties als Lelystad, Tilburg, Leeuwarden, Amsterdam Slotermeer en al die andere plekken in het land waar men het nog altijd zonder vaste normen en waarden moet stellen.

Waar het aan ontbreekt in Veldhuizen is een instrument om al die normen en waarden ook echt te implementeren. Men zou dan kunnen denken aan de wijze waarop dat in Libië en de voormalige DDR werd gerealiseerd door middel van de zogeheten «volkscomités». Deze niet-officiële organen, gerund door louter vrijwilligers uit de buurt, combineerden buurtregie met neighbourhood watch-programma’s, en in de regel placht nooit iemand zich aan hun sociale controle te onttrekken. In de voormalige DDR brachten de volkscomités bovendien maandelijks rapport uit aan de staatsveiligheidsdienst, de Stasi, zodat potentiële veiligheidslekken bij de bron konden worden aangepakt.

Zo ver zijn we in Nederland natuurlijk nog lang niet. Het normen-en-waarden-offensief van het eerste kabinet-Balkenende is nog maar net officieel geproclameerd door de vorstin. De eerste echte verandering liet zich meteen gelden aan het eind van de troonrede, toen Beatrix de volksvertegenwoordigers «Gods zegen» toewenste. Dat was duidelijk een prelude op de terugkeer van de bede in de troonrede, die indertijd door Joop den Uyl werd afgeschaft en voor de herinvoering waarvan CDA-fractieleider Maxime Verhagen de laatste weken zo fel campagne heeft gevoerd, juist vanwege «de normen en waarden».

Tegelijkertijd moet worden vastgesteld dat Balkenendes normen en waarden het land stormenderhand hebben veroverd. Als de premier uit Zeeland daadwerkelijk Harry Potter is, zijn de normen en waarden zijn magische toverbezem. Door de normen en waarden ontsnapt Balkenende aan het slechte sociaal-economische gesternte waaronder zijn kabinet werd geboren. Ze vormen zijn magische formule, waar zelfs de «dreuzels» (Heinsbroek, Nawijn) in zijn kabinet mee wegkomen. Ersatzpolitik, mogen de tegenstanders schamperen, maar werken doet het wel, voorlopig.

Een belangwekkend teken in dezen werd afgegeven door de Volkskrant, die een dag voor prinsjesdag kwam met een speciaal katern met «wenken voor een wellevender land». Enthousiast (helemaal niet zuur!) verklaarde hoofdredacteur Pieter Broertjes het grote normen-en-waarden-debat officieel voor geopend. Hij aarzelde daarbij niet de grote ergernissen te benoemen: wangedrag van voetbalsupporters, een overdaad aan straatcriminaliteit, wangedrag in het verkeer, door medeburgers weggesmeten rommel op straat en botheid in de persoonlijke omgang. Het was civic journalism van de bovenste plank, geheel in overeenstemming met de nieuwe, uit Amerika overgewaaide trend onder courantiers om «dienstbaar te zijn aan het heil van de samenleving».

Op zich zijn normen en waarden natuurlijk niets nieuws onder de politieke zon. Zei koningin Wilhelmina niet al in de troonrede van 1901 dat «Nederland een zedelijke rol heeft te vervullen»? Had het koninkrijk niet toen al een koloniale politiek die werd omschreven als «de ethische richting»? De koopman en de dominee konden het al een eeuw voor de komst van Jan Peter Balken ende uitstekend met elkaar vinden. Ver voor de profeet uit Kapelle zijn stem verhief, hadden we Hirsch Ballin en zijn «socio-morele opvoedingspakketten» voor de ontsporende jeugd, en laten we ook het belang van het «ethisch reveil» onder Andries van Agt niet wegvlakken. Normen en waarden zijn eigenlijk sinds mensenheugenis al een constante in de Nederlandse politiek. Het kabinet-Schermerhorn, het eerste kabinet na de oorlog, werd in feite louter geschraagd door het ideaal van een normatieve omwenteling, toen nog de «doorbraakgedachte» geheten.

Minister van Cultuur in dat kabinet was Gerardus van der Leeuw, een Groningse denker uit de embryonale levenssfeer van de PvdA die er niet voor terugdeinsde om belangwekkende studies te schrijven over de noodzaak van «tucht» en «disciplinering van de massa», begrippen die toen nog met naam en toenaam konden worden genoemd, maar die sinds de democratische revolutie van de jaren zestig enigszins in onbruik zijn geraakt, zodat men het tegenwoordig moet doen met eufemismen als «normen en waarden», «burgerzin», «nieuw flinks» of «civil society» — allemaal omfloerste beschrijvingen van hetzelfde verlangen, dat verlangen dat sinds de dood van Pim Fortuyn zo massaal is geprojecteerd op Jan Peter Balkenende, de derde Zeeuwse premier uit de parlementaire geschiedenis van Nederland.

De paradox van Balkenende is dat hij ondanks zijn jeugdige verschijning vooral het object van de nationale nostalgie is. Als door een uit de hand gelopen experiment met de tijdmachine is de voormalig hoog leraar aan de Vrije Universiteit en het gewezen lid van het comité van aanbeveling van Youth for Christ, plots aan het hoofd gekomen van een in vele opzichten getraumatiseerd party-land.

Waar Balkenende tot voor kort verwikkeld leek in een hopeloos achterhoedegevecht op de stoffige ideologische rommelzolder van het CDA, een total outcast, is hij nu opeens de eerste burger van het land en sprak hij reeds Berlusconi en Nelson Mandela toe over het belang van, jawel, de normen en de waarden. Op de VN-milieuconferentie in Johannesburg riep hij de normen en waarden zelfs uit tot een nieuwe wereldrevolutie, en moedigde hij de wereld aan het spoor van Nederland te volgen. In de boeken van J.K. Rowling staan minder wonderlijke zaken.

Nog altijd is diffuus wat Jan Peter Balkenende bedoelt met zijn normen en waarden. Zijn boek Anders en beter bevat louter peptalk voor het CDA, en gaat nergens op in. De enige concrete maatregel die de premier op zijn persoonlijke website heeft staan, is de strijd tegen de softdrugs. Tegelijkertijd wordt het publiek geconfronteerd met jeugdfoto’s van de premier uit zijn middelbareschooltijd in Goes, waarop hij met haar tot aan zijn billen staat afgebeeld, met in de ogen onmiskenbaar het tevreden schijnsel dat in die dagen — de vroege jaren zeventig — doorgaans samenhing met de consumptie van een forse dosis gele libanon (die spoelde in die tijd met tonnen tegelijk aan op de Zeeuwse kusten). Af en toe moet men vrezen voor een clintoniaans schandaal met betrekking tot Neerlands premier in bange dagen.

De vraag is: is het Jan Peter Balkenende wel echt menens met zijn normen en waarden? Zou hij er op straat over aangesproken willen worden? Tekenend voor Balkenende is zijn hobby: raceauto’s. En dan niet van die kleintjes, nee, gierende monsters in de Formule I-klasse, ware suïcidale machines die per rondje met 230 kilometer per uur de maandelijkse energievoorraad van een middelgrote derdewereldgemeente het milieu in blazen. Hoezo broeikaseffect? Tot overmaat van ramp: de premier rijdt er zelf in, met een stralende lach. Hoe zou dat eigenlijk te rijmen zijn met zijn normen en waarden? Wat zou prinses Irene ervan zeggen? En Jan Pronk? En Nelson Mandela?

Het wordt kortom de hoogste tijd dat ook de eerste burger van ons land bij zichzelf en zijn normen en waarden te rade gaat. Andere leden van zijn kabinet worstelen er al evenzeer mee. De minister van Economische Zaken, die zich met alles bemoeit behalve de economie, wil dat de uniformen van de politie meer gezag uitstralen, maar loopt er zelf bij als een clochard van onder de bruggen over de Seine. Het kabinet wil «het einde van het gedogen», maar besluit als eerste maatregel overtredingen van de maximumsnelheid voortaan door de vingers te zien — precies, een typische gedoogmaatregel. De normen en waarden stampen als op hol geslagen paarden in het rond. Onder het motto «Leraren geven het goede voorbeeld» zouden de leden van het kabinet net als de pioniers van Veldhuizen moeten beginnen met brainstormsessies over de eigen normen en waarden, het liefst onder deskundige begeleiding. Tot die tijd lijkt het toch raadzaam de revolutie tot nader order uit te stellen.