Profiel: Georgi Markov

De paraplumoord van september 1978

Precies 25 jaar geleden werd de Bulgaarse schrijver/journalist Georgi Markov, een van de felste critici van het regime van Todor Zjivkov, op ingenieuze wijze vermoord: met een paraplu. Pas na de val van het communisme in 1989 vertelden voormalige KGB-officieren hun verhaal. Hun geheime dienst had alles georganiseerd, in samenwerking met de staatsveiligheidsdienst Darzjavna Sigurnast (DS). Maar de dader is nog steeds spoorloos.

Georgi Markov was in de jaren zestig een van de invloedrijkste schrijvers en intellectuelen van Bulgarije. Zijn eerste roman Mannen (1962) oogstte lof en een prijs. In zijn debuut beschrijft Markov de psychologische problemen van een tiener voordat hij in militaire dienst gaat. Het boek verscheen in de meeste Oost-Europese landen en werd ook verfilmd. Ook als toneelschrijver stond Markov aan de top, met stukken als De goede vrouw van de kaashandelaar (1963). Het bracht hem al snel in de artistieke en literaire kringen rond de top van de Bulgaarse partij, waartoe secretaris-generaal en later president Zjivkov behoorde.

Ondanks dat relatief beschermde leven vielen zijn werken evengoed ten prooi aan de censuur. Voor het eerst was dat het geval met zijn roman Het grote dak, waarin wordt beschreven wat er in mei 1959 plaatsvond toen het dak van een partijgebouw in aanbouw instortte. Veel arbeiders kwamen daarbij om. Markov vond die gebeurtenis symbolisch voor «het dak van leugens, demagogie en bedrog» dat het regime boven de Bulgaarse samenleving had opgetrokken. Soms had hij te maken met censuur van de bovenste plank. In het toneelstuk De moordenaars beschreef Markov de moord op de leider van een politiestaat. Zjivkov censureerde de tekst zelf in de partijkrant Rabotnitsjesko Delo («De zaak van de arbeider»).

In 1969 keerde voor Markov het tij. Voor de try-out van zijn toneelstuk De man die ik was was een select publiek uitgenodigd, waaronder partijbonzen. Het stuk viel in de smaak. De apparatsjiks dachten er anders over. De geplande voorstellingen werden onmiddellijk afgelast en vrienden raadden hem met klem aan het land te verlaten. Nog diezelfde maand lukte het Markov een visum te krijgen. Ooit gevierd in de hoogste kringen was Georgi Markov nu staatsvijand nummer 1. In 1972 werd hij achter gesloten deuren bij verstek veroordeeld tot 6,5 jaar wegens «werk voor buitenlandse organisaties ter ondermijning van het eigen land».

In 1971 ging Markov naar Engeland, waar hij onder meer werkte als radiojournalist voor de BBC World Service en als scriptwriter voor Radio Free Europe. Zijn uitzendingen bestonden grotendeels uit herinneringen aan Bulgarije. Keer op keer hing hij de vuile was buiten. Zo onthulde hij privé-details over apparatsjiks, in het bijzonder over Zjivkov. Al snel had Markov een grote schare luisteraars in zijn vaderland. Zjivkov kreeg bijna dagelijks van het «Directoraat van de strijd tegen ideologische subversie» van de DS een transcriptie van Markovs radiopraatjes. Ze waren Zjivkov een doorn in het oog. Op de achtergrond speelde mee dat Bulgarije de trouwste bondgenoot was van de Sovjet-Unie. In de jaren zestig en zeventig was er zelfs sprake van dat Bulgarije de zestiende sovjetrepubliek zou worden. In juli 1977 ondertekende Zjivkov een decreet waarin werd verordend dat «alle maatregelen moesten worden getroffen om vijandige emigranten te neutraliseren». Daarna zocht Zjivkov via zijn minister van Binnenlandse Zaken contact met de KGB. Hij wilde niet dat er directe sporen van de beraamde moord naar Bulgarije zouden leiden.

Zjivkovs verzoek kwam terecht bij Joeri Andropov, toen nog hoofd van de KGB. Andropov voelde er eerst weinig voor. Een ondergeschikte overtuigde hem echter. Andropov stelde wel als voorwaarde dat er ook geen sporen naar Moskou zouden leiden. Generaal Sergej Goloebev werd met de uitvoering belast. In het voorjaar van 1978 vond de eerste aanslag plaats op een feestje van Radio Free Europe in München. Een poging om gif in Markovs drankje te doen mislukte. Een paar maanden later mislukte een tweede aanslag. Dat moet voor de KGB een blamage zijn geweest. Dus werd de zaak grondiger aangepakt. De DS kreeg toegang tot de «Kamer», het geheime laboratorium no. 12 van de KGB. Daar werd de paraplumoord in detail voorbereid. Men testte uitvoerig diverse soorten paraplu’s. Goloebev nam de beste mee naar Sofia.

De derde poging werd gedaan op 7 september 1978, de dag dat Zjivkov 67 werd. Markov draaide die dag een dubbele dienst bij de BBC. Hij reed met zijn groene Citroën naar de parkeerplaats aan de zuidkant van Waterloo Bridge. Het was zijn gewoonte om met de bus de brug over te steken naar het BBC-hoofdkwartier. Toen hij zijn auto geparkeerd had, liep hij de trap op naar de bus halte. Op dat moment botste iemand tegen hem aan. Hij draaide zich om en zag een man die een verontschuldiging mompelde en een gevallen paraplu opraapte. Het viel Markov op dat de onbekende met een vreemd accent sprak. De journalist beschreef hem later als zwaargebouwd en rond de veertig. Hoewel hij pijn had, nam Markov toch de bus. Toen viel hem op dat er een kleine bloedvlek op zijn spijkerbroek zat. ’s Avonds kreeg hij hoge koorts. In het ziekenhuis constateerde men een bloedvergiftiging. Zijn toestand verslechterde. Op 8 september raakte hij in shocktoestand. Op 11 september 1978 overleed Markov.

Tijdens de sectie, op last van Scotland Yard in het mortuarium in Wandsworth verricht, vonden artsen een minuscuul buisje in de wond. Forensisch specialisten ontdekten dat er twee gaatjes van 0,34 mm in het buisje waren aangebracht. De gaatjes waren echter leeg, waardoor de wetenschappers niet konden vaststellen wat erin had gezeten. Nader onderzoek wees uit dat Markov was vermoord met ricin. Enkele druppels waren voldoende. Er bestond geen tegengif. De KGB had trouwens een fout gemaakt. Ricin is vrijwel niet op te sporen in het bloed. Het minuscule buisje had echter moeten oplossen. Als dat was gebeurd, had men geen onnatuurlijke dood kunnen vaststellen. Scotland Yard zocht tot 1989 vruchteloos naar verdachten.

De val van de Muur op 9 november dat jaar betekende ook het onmiddellijke einde van Zjivkovs carrière. De nieuwe Bulgaarse autoriteiten heropenden met Scotland Yard het onderzoek, maar stuitten al snel op tegen slagen. In maart 1991 maakte het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken bekend dat een aantal dossiers van de zaak-Markov was vernietigd. Generaal Vladimir Todorov, voormalig hoofd van de DS, was daarvoor verantwoordelijk. In maart 1991 nam die, onder het voorwendsel van medische behandeling, de wijk naar Moskou. De Bulgaarse regering eiste zijn uitlevering, Moskou gaf gehoor aan dat verzoek, de laatste daad van medewerking in de zaak. In juni 1992 werd Todorov veroordeeld wegens vernietiging van bewijsmateriaal. Todorov hield vol dat de 3500 pagina’s niets belangrijks hadden bevat. Het zou vooral om persberichten zijn gegaan. Vervolgens kwam Vassil Kostev, hoofd van de Inlichtingendienst en aan Bulgaarse kant verantwoordelijk voor de operatie, om bij een mysterieus auto-ongeluk.

Het onderzoek naar de dader leidde uiteindelijk naar Francesco Guilino, een derderangs crimineel met als schuilnaam «Pica dilly». Guilino was geen onbekende van de DS: in 1971 was hij in Bulgarije opgepakt voor drugssmokkel. Hij zou ook betrokken zijn geweest bij de mysterieuze kidnapping in juli 1973 van de naar Denemarken uit geweken Bulgaarse uitgever Boris Arsoff. Scotland Yard en de DS traceerden Guilino in 1993 in Kopenhagen en ondervroegen hem daar. Er waren bewijzen dat de crimineel in Londen was ten tijde van de moord op Markov. Guilino werd echter niet gearresteerd en ontvluchtte Denemarken. Hij werd niet weer opgespoord.