De participant

BERNADETTE DE WIT was politiek incorrect avant la lettre. Eigenlijk is ze altijd incorrect geweest. Een dissident. Een provocateur. Voor haar is confrontatie strategie. Midden jaren zeventig prikte ze ‘s ochtends om half negen, als ze naar haar werk ging, een grote button op haar borst, waarop 'No More Heteroes’, een ironische variant op ‘No More Heroes’. De verwensingen vlogen haar om de oren. Ze was, zou ze later zelf schrijven, een ‘kamikazepiloot van de lesbische revolutie’. Kamikazepiloot was ze later weer toen ze over de multiculturele samenleving in de Bijlmer schreef en over haar kinky escapades als herintredende hetero.

Begin jaren tachtig richtte ze het lesbotijdschrift Diva op. Ondertitel: de lefgozer onder de damesbladen. Binnen de kortste keren werd dat blad beschouwd als het gedrukte verraad aan de heilzame grondbeginselen van het feminisme. De redactie, De Wit voorop, wond geen doekjes om de lustvolle kanten van de lesbische seksualiteit en was zelfs niet per definitie tegen porno. Het gevolg was verkettering. De Wits fietsbanden werden lekgeprikt, er werden drollen door haar brievenbus geduwd, ze kreeg dreigtelefoontjes en anonieme haatpost, werd hardhandig het vrouwenhuis uitgezet en in elkaar geslagen. En de redactie ontving wekelijks postzakken vol brieven. ‘Geschreven op kringlooppapier’, vertelt De Wit, 'wat er toen nog heel bruin DDR-achtig uitzag. Alle o’s waren in vrouwentekentjes veranderd en “lesbies” werd met “ies” geschreven. We werden voor seksistisch, mannelijk en elitair uitgemaakt. Of we kregen ongevraagde adviezen als: jullie moeten schrijven over “lesbiese” vrouwen die niet worden geaccepteerd door de spermabank. Over de problemen van “lesbiese” vrouwen op de werkplek. Ik schreef dan een brief terug met: ik heb uw brief doorgestuurd aan de FNV, want ik vind het de hoogste tijd dat de FNV ook iets gaat doen aan discriminatie van lesbische werknemers. Geschokte reacties: ja, maar ik kom er helemaal niet voor uit dat ik lesbisch ben! De brieven kwamen neer op: wij zijn slachtoffers van onderdrukking - van dubbele onderdrukking, als vrouw en als lesbo - en het gaat in Diva alleen maar over leuke dingen. Ik vond dat er al genoeg bladen waren over problemen. Diva was juist opgericht om het lesbische te profileren als iets aantrekkelijks. Als iets dat belangrijk is in de cultuur. De homo-emancipatie was op dat moment zo ver voortgeschreden dat een groeiend aantal Nederlanders het prima vond dat er homo’s zijn. Maar niemand wist iets van het lesbische. Ik had een gezonde ambitie: de gemiddelde Nederlander in Oldenzaal kent Jos Brink en André van Duin, ik wil dat iedereen ook bekende potten kan noemen. Lesbische vrouwen maken ook geen lesbische grapjes bij het kopieerapparaat, terwijl de moderne kantoornicht wel nichtengrappen maakt. Maar dat mocht allemaal niet. Er waren twee soorten weerstanden. Van de lesbische vrouwen die het bedreigend vonden dat ik de ramen opengooide. En van de anti-pornostrijdsters, die de feministische strijd hadden verengd tot een strijd tegen het seksueel geweld. Die zeiden dat van alle soorten mannelijke onderdrukking verkrachting de ergste was. En niet het glazen plafond, de buitensluiting van vrouwen uit functies, de ongelijke betaling, de stigmatisering van vrouwen, noem maar op. Verkrachting werd verbreed tot een allesomvattend verschijnsel, wat het in feite helemaal niet is. Het ging niet meer om ruimte voor vrouwen, maar om mannen, de mannelijke seksualiteit in te perken. Men zag de penis als hét wapen in de vrouwenonderdrukking. Alleen al de slogans die de anti-pornofeministen hanteerden: “Penetratie is haat.” “Penetratie is geweld.”’ IN DIE ZELFDE tijd, begin jaren tachtig, stuitte De Wit in een Amerikaans artikel - ze volgde de felle feministische discussie over pornografie in Amerika op de voet - op het begrip 'politically correct’. Het was voor haar een eye opener: 'In hetzelfde artikel sprak de Amerikaanse dissidente die het stuk had geschreven over de 'thought police’, de gedachtenpolitie. Dat vond ik briljant. Ik dacht: dit verwoordt precies mijn onvrede over wat er fout aan het gaan is met het feminisme. Het begrip politiek correct zoals het toen werd gebruikt zei namelijk dat je niet meer mocht denken wat je wilde denken en niet meer mocht zeggen wat je wilde zeggen, dat er een ongeschreven code was die dwingend werd opgelegd aan iedereen. Het begrip werd gebruikt door mensen die zich keerden tegen het gemoraliseer en de vertrutting en de bijbehorende uitsluitingsmechanismen in het feminisme.’ Ze wil zich niet op de borst slaan, maar ze heeft de indruk dat zij het begrip als eerste in Nederland is gaan gebruiken. Later is het overgenomen en nu wordt het ook toegepast op de multiculturele samenleving en op gehandicapten, pardon: op 'lichamelijk uitgedaagden’, de vertaling van het Amerikaanse 'fysically challenged’. Kortom op iedereen die door fysieke kenmerken gediscrimineerd zou kunnen worden. Het begrip kreeg toen een volkomen andere betekenis. Het werd een deugd, een dwingend etiquettestelsel voor het spreken en het schrijven. Als je hun etiquette maar volgde, was je vanzelf goed, fatsoenlijk. 'Een totale omkering van de oorspronkelijke betekenis’, volgens De Wit. Zij was er, in de hoogtijdagen van het feminisme, al mee vertrouwd geraakt dat je sommige woorden niet meer kon gebruiken. ’“Meisjes”, dat kon absoluut niet meer’, zegt ze. 'Je mocht niet meer zeggen: “Hier moppie.” Of: “Dat is een klotewijf”, als je een hekel aan iemand had. Vrouw werd een heilig woord.’ Ze spreekt het uit met een slepende v die bijna naar de w neigt. 'Wwwrouww’. Het heette toen nog niet zo, maar nu zou je zeggen dat politiek correct taalgebruik binnen het feminisme bon ton was. Het verplichte m/v en hij/zij overal. Er zat voor De Wit niets anders op dan zich van de vertrutting - de anti-pornostrijd, het verheven 'wwwrouww’-denken - af te keren. Midden jaren tachtig ging ze zichzelf 'postfeminist’ noemen, later werd dat 'feministe buiten dienst’. Want het rare is: ze mag dan wel een hekel hebben aan politieke correctheid, ze bleef feminist en was zelf ook voor correctheid. Ze maakte zich druk over kinderopvang, ongelijke betalingen, het glazen plafond. Brave issues allemaal, maar ze zijn nog niet geregeld. Ze ergerde zich zelf ook aan taalgebruik waarin de man beschouwd werd als pars pro toto van de homo sapiens. NA VIJF JAAR werd Diva opgeheven, 'zelfmoord op het toneel, het blad ging ten onder als een diva’. De Wit werd omhelsd door de reguliere media als spreekbuis voor het feminisme en lesbianisme. 'Mijn strategie was’, vertelt ze, 'om het lesbische en feministische tot professioneel geaccepteerd onderwerp te krijgen. Tot specialisme. Zoals je ook mensen hebt die over de opera schrijven, of over voetbal. Dat is me gelukt, ik heb me nooit aangepast.’ Later kwam daar de Bijlmer als specialisme bij - ze woont er inmiddels een jaar of dertien en is verliefd op de buurt. 'Seks, ras en de stad’ staat er in het journalistenboekje van de NVJ achter haar naam. Maar als je in feite je eigen ervaring, je eigen leven tot specialisme maakt, dan is er altijd een achterban die eist dat je namens hem spreekt. Dan ben je altijd gedwongen om je tot het begrip 'politiek correct’ te verhouden. Spreekrecht heeft ze door haar eigen geschiedenis vanzelfsprekend - een achterban is echter snel gekwetst. 'Dat heeft te maken met het slachtofferisme’, zegt De Wit stellig. Ze wil zichzelf niet op de borst kloppen, maar zij heeft die term gemunt. 'Vrouwen begonnen zich als slachtoffer van mannelijke onderdrukking te presenteren, het slachtofferschap en de woede daarover werden de motor van hun strijd. Maar je kunt niet samen woedend zijn. Ik vind georganiseerde woede niet authentiek. Het was niet meer: ik besta, dus ik wil spreekrecht. Dat vond ik goed. Nee, het werd: ik ben gekwetst en daarom mag ik spreken. Zo ontstaat de gedachtenpolitie ook. Die organiseert mensen op hun collectiviteit en die eist spreekrecht op voor de collectiviteit. Fout! Het is redelijk als een individuele neger zegt tegen zijn individuele collega: ik vind het vervelend dat je mij neger noemt, want dat kwetst mij en ik wil je ook wel uitleggen waarom. Maar als een neger zegt: ik spreek namens de negers en wij, negers, willen niet meer dat jullie, blanken, ons negers noemen - dat is georganiseerde gekwetstheid. De collectiviteit zelf heeft geen stem. De fout die wordt gemaakt is dat groepen die zich als collectiviteit benoemen, een verbod op bepaalde woorden en bepaalde taal afvaardigen. Dat verbod wordt overgenomen door zaakwaarnemers en goedbedoelende mensen in wijken waar je nooit een neger ziet. Je mag je nooit andermans problemen toeëigenen. Dat is een vorm van kolonialisme en paternalisme.’ TOEN DE WIT in essays en interviews en in haar columns in de Volkskrant over de Bijlmer ging schrijven, kreeg ze soortgelijke reacties als in haar Diva-tijd. In een van haar columns voerde ze een blanke vrouw uit de Bijlmer op die gescheiden was van een Surinamer en vervolgens door haar schoonfamilie in een klap in de steek was gelaten. Ze was nogal geassimileerd, sprak net als haar 'koffie-verkeerdkinderen’ met een Surinaams accent, kookte Surinaams en kleedde zich Surinaams. De vrouw hekelde de manier waarop de Surinaamse gemeenschap met haar om was gegaan. Ze noemden haar een hoer, maar, zei ze, moet je de Surinaamse vrouwen zelf zien. Ze lopen allemaal hun kut achterna want dan krijgen ze een kind en een bijstandsuitkering en kinderbijslag. De Wits box in de flat werd in brand gestoken, ze werd in elkaar geslagen en de Volkskrant werd bezet door 180 woedende Surinamers. 'Ik denk dan’, zegt ze, 'ga demonstreren tegen bedrijven die een al dan niet bewust blank personeelsbeleid hebben. Demonstreer in godsnaam niet tegen de vrije meningsuiting. Goed, die bestaat niet in Suriname, maar we zijn hier niet in Suriname. We zijn in Nederland. Pas je aan, neem de goede dingen van Europa over. Bovendien, de mensen die mij aanvielen, lazen de Volkskrant niet eens. Ze hadden het allemaal van horen zeggen. Dan treedt het Hendrik Haan uit Koog aan de Zaan-effect op. Roddel en achterklap, dat is de wijze van communiceren in Surinaamse kringen.’ Ze zit niet op een schouderklopje te wachten, maar zij was op dat moment de enige journalist die zwarte mensen op een gewone manier aan het woord liet. 'Nu schrijft Sietze van der Hoek als correspondent in de Bijlmer allemaal volkomen politiek correcte stukjes. Ik heb nog tegen zijn aanstelling gefulmineerd door te zeggen: dan kunnen we straks ook wel een correspondent in Zwolle-Zuid gaan zetten. Ik dacht dat correspondenten in Moskou zaten of in Rio de Janeiro. Waar slaat dit op? Het is acht halten met de metro. Van der Hoek ging voor de Volkskrant meteen een soort exotische vogelcatalogus maken over de minderheden. Toen was hij uitgepraat en ontpopte hij zich als de inktkoelie van het Zwart Beraad. Ik vind dat ik er wél over mag schrijven, want ik woon er. Het is hetzelfde als: wie mag jodenmoppen maken en wie niet.’ Is dat niet juist een heel politiek correct standpunt? vraag ik. 'Ik ben geen van beiden’, riposteert ze. 'Al naar gelang word ik correct of incorrect genoemd. De positie die ik inneem, wordt niet zo erg begrepen. Nu klink ik ook als een slachtoffer… Ik ben niet alleen journalist in dit debat, ik ben ook participant. Dat is sowieso een taboe. En dan ben ik ook nog een witte participant.’ Ze begint omstandig te vertellen over de 'smerige’ manier waarop de verantwoordelijke bestuurders de sloopvergunning van de Bijlmer erdoor hebben gekregen. Ze moesten argumenten hebben en dat lag gevoelig, want je mag niet zeggen: het is een zwarte wijk en we willen geen zwarte wijken. Dat is racistisch. Maar wat zei René Grotendorst, voormalig directeur van woningcorporatie Nieuw Amsterdam, de monopolist die alle hoogbouwflats beheert, op de dag dat het besluit tot sloop was genomen in Vrij Nederland: 'Het stigma zwart, arm en crimineel klopt in de Bijlmer.’ De Wit diende een strafklacht in bij de officier van justitie. Die werd niet in behandeling genomen omdat zij, qua huidkleur, niet belanghebbend was. De Wit: 'Ik dacht: wat raar, want ik ben een democraat en in een democratisch land moet iedereen het aan de kaak kunnen stellen als een minderheid wordt beledigd. Begrijp me goed: ik ben niet tegen discussies, maar tegen discriminatie. Waarom moet je zelf tot die minderheidsgroep behoren om er iets tegen te zeggen? Toen heb ik diezelfde strafklacht opnieuw ingediend, nu ondertekend door mijn buurvrouw. Die is geboren op Curaçao en donkerbruin. Toen werd hij wel in behandeling genomen.’ Politiek correct? Helemaal niet, vindt De Wit. 'Het is een discriminerende opmerking van een verantwoordelijke functionaris over zijn klanten. Ik vind het wat anders als mensen op straat zoiets zeggen. Als een politicus over de bevolking spreekt, moet hij rekening houden met de gevoeligheden onder de bevolking. Een politicus mag ook niet zeggen: dat gelul over die kinderopvang, het enige recht van de vrouw is het aanrecht.’ INMIDDELS IS De Wit in nog sterkere mate participant van de multiculturele samenleving - volgens haar overigens een non-begrip van een verschijnsel dat in Nederland helemaal niet bestaat. Sinds kort is ze getrouwd met een Nigeriaanse man die ze in de Bijlmer heeft leren kennen. Het is haar in de Bijlmer al vaak gevraagd, bijvoorbeeld in de lift door Ghanezen. Ze zegt met Afrikaans accent: 'You nice woman. You want to marry me for paper?’ En vervolgt: 'Ik zei altijd: “Nou meneer, prettige dag, zo werkt het niet.” Maar het leek me altijd een mooie daad van burgerlijke ongehoorzaamheid om iemand aan papieren te helpen via de weg van de partnerafhankelijke verblijfsvergunning. Ik heb altijd gedacht: ik doe het als ik iemand ontmoet die ik slim vind, iemand die ik het gun en van wie ik denk: het zou leuk zijn als die ook Nederlander wordt. Ik kwam alleen van die dumbo’s tegen die het mij vroegen.’ Wat haar overkwam klinkt als een multicultureel sprookje. De man die ze bij een vriendin ontmoette, was wel betrouwbaar. Ze begonnen als papieren paar en… ze werden verliefd. De Wit praat er haast beschroomd over: 'Dat bracht me erg in verwarring. Ik dacht: daar sta je dan De Wit, je bent altijd zo flexibel, je wil altijd nieuwe dingen uitproberen, maar wat moet je hier nu mee? Later zijn we ook getrouwd. Ik ben altijd tegen het huwelijk geweest. Als jong meisje ging ik nooit naar huwelijksfeesten, die boycotte ik. Ik vond het zo truttig. Ook hippe huwelijken van een langharige hippieman met een langharig hippiemeisje - de truttigheid ten top. Inmiddels is het huwelijksrecht gemoderniseerd, dus ik kon me er wel mee verenigen, zeker omdat het in dit geval een pragmatische stap was. Maar ik ben emotioneel erg in de war geweest. Vreselijke nachtmerries. Ik was in een soort Arabisch land en ik was gesluierd en opgesloten in een huis. Ik kon er niet uit. Ik had geen paspoort en geen bankrekening. En ik had dromen van lakens en bloed. En mensen die eromheen stonden. Dát was het huwelijk voor mij. Ik heb een crisis van drie weken gehad. Uiteindelijk kon ik het relativeren.’ Heeft dat interculturele huwelijk ook je denken en schrijven veranderd? vraag ik. 'Ik kan er niet over schrijven’, zegt De Wit, 'want mijn echtgenoot wil niet dat ik over ons huwelijk schrijf.’