Moslims in de PVDA

De Partij van Allah

De mail van Eddy Terstall aan Ehsan Jami illustreert hoezeer de PVDA worstelt met de moslimagenda.

Ex-moslims met een missie hebben het in twee opzichten lastig. In eigen kring is het taboe om openlijk van je geloof af te stappen. Afvalligen betalen een hoge prijs, van verstoting uit de eigen kring tot bedreiging met de dood. De voorbeelden liggen voor het oprapen. Als ex-moslims vervolgens van niet-moslims te horen krijgen dat ze voorzichtig moeten opereren, krijgen ze er een strijd bij: een strijd tegen mensen die het hun kennelijk niet gunnen om te seculariseren op hun eigen manier. De islam ‘achterlijk’ te noemen, bepalingen in de koran als ‘uit de tijd’ te beschouwen of de profeet Mohammed naar de huidige maatstaven als pervers te betitelen – het is allemaal een logisch bijproduct van een losmakingsproces. De christenen kunnen erover meepraten – in de ontkerkelijking van de laatste vijftig jaar zijn heilige huisjes met grof geweld opgeblazen. Shockerend maar bevrijdend. Waarom dus niet even ongezouten kritiek leveren op de islam?

De strijd wordt extra moeilijk als de afvalligen ervoor kiezen hun persoonlijke strijd op de politieke agenda te zetten. Zij verheffen hun eigen kritiek daarmee tot een breder issue: het aan de kaak stellen van uitwassen die terug te voeren zijn op de koran. Natuurlijk is de islam een vredelievend geloof. Maar er is ook veel op aan te merken.

Moslims met een dergelijke missie bevinden zich binnen de Partij van de Arbeid in een lastig parket. Er is geen partij in Nederland die zo worstelt met de moslimagenda als deze. Enerzijds koestert de pvda traditioneel de idealen van verheffing en emancipatie van achtergestelde groepen, zoals arbeiders en vrouwen. Daarbij is het socialisme van oudsher antireligieus. Het is dus niet zo gek dat islamcritici zich aan de rode poort melden voor hun actuele strijd. Anderzijds stemt zo’n tachtig procent van de allochtonen op de pvda. Zij zijn overwegend moslim. Electoraal gezien is het dus niet gunstig om kritiek op de islam binnen eigen kring de vrije loop te laten.

Hoe deze spagaat uitpakt kwam ‘bij toeval’ naar buiten. De uitgelekte mail van Eddy Terstall aan Ehsan Jami – pvda-gemeenteraadslid, oprichter van een comité voor ex-moslims – liet zien hoe Jami volgens de pvda door middel van ‘richtlijnen’ moest worden ‘begeleid’. Terstall bedacht in overleg met pvda-kamerleden (onder wie Aleid Wolfsen, geboren te Kampen in een orthodox-protestants gezin) een strategie om Jami’s geluid aan banden te leggen. Het kan natuurlijk zijn dat dit een oprechte poging was om het individu Jami tegen de boze buitenwereld in bescherming te nemen. Maar het lijkt eerder een omfloerste electorale tactiek.

De meerderheid van de allochtone achterban van de pvda is van Marokkaanse en Turkse achtergrond. Zij zouden nog niet toe zijn aan dit soort geestelijke modernisering. Terstalls reactie op de commotie is illustratief: ‘Er is weinig vertrouwen bij die gemeenschap. Over christenen zeiden we ook dat die achterlijk zijn, maar met die groep ging het economisch goed.’ En op de vraag wanneer je wel of niet hard mag uithalen naar de islam, zei hij: ‘Het is een gevoelsding. Het gaat om meer dan woorden. Als regisseur heb ik redelijk zicht op communicatie.’ Trouwens, alles wat hij schreef was ‘eigenlijk ironisch bedoeld’. Hij wilde de apparatsjikcultuur van de pvda laten zien. Dat snappen allochtonen natuurlijk metéén: de ironie van een regisseur.

Het lijkt wonderlijk dat de pvda zo’n bevlogen, intelligente jongen als Jami uit haar poten laat vallen, maar het geval komt niet uit het niets. Eerder stuitte Ayaan Hirsi Ali met haar kritiek op de islam binnen de pvda op dezelfde weerstand. Ze werd op het matje geroepen omdat er binnen de partij onvrede heerste over haar wetenschappelijke rapporten. Dat was nota bene in een tijd dat het beveiligen van critici nog niet aan de orde was. Hirsi Ali was toen nog een milde voorafspiegeling van hoe ze zich na haar overstap naar de vvd in 2002 ging manifesteren: als feministische ex-moslima.

Wat beide gevallen blootleggen, is dat de pvda een thuis biedt aan bepaalde allochtonen. Naast boegbeelden als Marcouch en Aboutaleb – cruciale figuren voor de toekomst van de multiculturele samenleving – zijn er veel conservatieve moslims onder de gelederen die niet gediend zijn van kritiek op de islam. Zij vormen de maatstaf voor de bevoogdende toon van bovenaf.

En er ligt nog iets onder. Jami en Hirsi Ali zijn anders dan de gastarbeiders van de eerste en tweede generatie. Dat zijn herkenbare groepen voor de pvda, want ze staan onder aan de maatschappelijke ladder en kunnen worden opgevoed en geëmancipeerd. Jami en Hirsi Ali, beiden asielzoeker, zijn afkomstig uit de betere klasse. Ze zijn hoog opgeleid, spreken een andere taal, zijn zelfbewust. Eigenlijk zijn zij ideale voorbeelden van integratie en emancipatie.

In de censuur op dit soort doorbraakmoslims klinkt telkens door dat ze ‘stigmatiseren’ en daarmee rechtse politici in de kaart spelen. De pvda is doodsbang dat ze ‘overlopen’ naar rechts. Deze houding wordt een self-fulfilling prophecy: hoe krampachtiger de ‘begeleiding’, des te meer zullen criticasters uitwijken naar een partij die hun wel ruimte geeft. Het vertrek van Ehsan Jami lijkt een kwestie van tijd.