Onze nieuwe volksvertegenwoordigers

De partijtijger rukt op

Ze zijn wit, welgesteld, van middelbare leeftijd, hoogopgeleid, wonen in steden en klimmen op binnen de partij. De Tweede Kamer zal ook na deze verkiezingen bevolkt worden door de politieke elite die door de partijen wordt opgeleid.

Medium kamer1

Een meisje met felblauwe haren zoeft op haar skateboard over het perron van Veendam. ‘Precies het ChristenUnie-blauw’, roept een groen geklede cda-campagnevoerder. Het groepje groene jassen lacht. Ze stoppen haar nog een flyer toe. ‘Voor Anne Kuik!’ Op dit uur van de dag zijn het vooral jongeren die uit de trein stappen. ‘Hou die flyer maar’, bromt een hippe student. ‘Als je de bijbel volgt doe je niet aan wapenhandel en ik wéét dat jullie daarmee instemmen.’

‘Wij stemmen Wilders.’ Twee achttienjarige jongens steken demonstratief een blowtje op. ‘Voor jullie wil ik betaalbaar onderwijs, of je nu een grote portemonnee hebt of een kleine’, probeert de Tweede-Kamerkandidate Kuik hun aandacht te trekken. De jongen blaast een rookwolk haar richting uit. ‘En wat vind je van de legalisering van wiet?’ Kuik wuift de lucht weg en stapt naar haar achterban. ‘Die geur alleen al vind ik zo ontzettend vies.’

Anne Kuik werd op haar zeventiende lid van het cdja, op haar 23ste kreeg ze een plek in de gemeenteraad van Groningen voor het cda en op haar 25ste promoveerde ze tot fractievoorzitter. Nu staat ze op de elfde plek van de Tweede-Kamerlijst van de christen-democraten. Ze komt uit een betrokken christelijk milieu. ‘Als kind schreef ik in een schriftje: ik wil dat de stoep recht ligt, zodat die toegankelijk wordt voor iedereen.’ Het is een anekdote die Kuik regelmatig vertelt. Haar grootvader was dominee, haar vader is tandarts en haar moeder was verpleegkundige. Beiden zijn ze actief in de kerk. Nu gaat de afgestudeerde juriste op haar dertigste vrijwel zeker de Tweede Kamer in. ‘Daar wil ik mensen vertegenwoordigen die dat zelf niet kunnen, de zwakkeren in de samenleving.’

Rond het middaguur gaat Kuik langs bij de voedselbank van Veendam-Menterwolde. Haar voorbeeld is het 91-jarige cda-lid Hannie van Leeuwen, vertelt ze in de auto. Onlangs ging ze nog bij haar op de koffie. ‘Zij vertelde me dat ze in haar tijd een brief uit de post haalde en echt ging luisteren bij de mensen zelf. Zo wil ik ook gaan werken.’

In de voedselbank spreekt Kuik eerst met een vrijwilliger. ‘Hoeveel pakketten krijgen jullie zo van de Groningse voedselbank?’ ‘Gene’, antwoordt de man. Kuik noteert. De voedselbank zorgt nu voor het dagelijks eten en de kledij van zo’n 350 gezinnen. ‘Het aantal stijgt en we hebben voedselpakketten te kort, omdat de werkloosheid in de regio toeneemt. Tachtig procent durft niet eens naar hier te komen, omdat de drempel te hoog is’, vertelt de voorzitter van de voedselbank. ‘Nou, dan helpen we jullie graag een beetje’, steekt Kuik hem een hart onder de riem. Trots poseert ze met een levensgrote cheque waarop ‘honderd euro’ staat. De voorzitter van de voedselbank krijgt ook nog een feestelijk verpakte baksteen met daarop ‘Jullie zijn keigoed’ in zijn handen geduwd.

Lid van de jongerenorganisatie, actief in de afdeling, gemeenteraadslid of betaald medewerker van de Kamerfractie en dan vervolgens op de lijst voor de Tweede Kamer – dat is hét carrièrepad voor jonge, ambitieuze politici, zo blijkt uit ons onderzoek naar de achtergronden van de kandidaten voor de Tweede Kamer in 2017. We onderzochten de cv’s van 212 kandidaten en checkten hun gegevens op sociale media en de sites van de partijen (zie kader).

De jonge partijtijger is aan een opmars bezig op de partijlijsten. In 2010, toen De Groene dit onderzoek voor het eerst uitvoerde, was 88 procent van de kandidaten een zogenaamde interne kandidaat: ze vervulden al een functie in de partij of zaten al minstens een termijn in de Kamer. Zeven jaar later is dit aantal gestegen tot 94,8 procent. Slechts 5,2 procent is een ‘outsider’, en zelfs dat kan met een korreltje zout genomen worden. Vaak zijn ze afkomstig van verwante organisaties in het maatschappelijk middenveld, zoals vakbeweging, milieu- en zorgorganisaties en de universiteiten.

‘De partijen spelen steeds meer op safe’, reageert Gerrit Voerman. ‘Ze kiezen voor kandidaten die ze kennen en die hun betrouwbaarheid bewezen hebben.’ De vele afsplitsingen van Kamerfracties in de laatste jaren hebben selectiecommissies kennelijk huiverig gemaakt, denkt de hoogleraar ontwikkeling en functioneren van het Nederlandse en Europese partijstelsel aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Het gedoe in de pvv, de afsplitsing van DENK, de ruzies bij de ouderenpartijen en al die individuele leden die het voor gezien hielden, die hebben de kandidatencommissies blijkbaar kopschuw gemaakt.’

Dat blijkt ook uit ons onderzoek. Zo bestond de lijst van de pvv in 2010 nog voor 33 procent uit nieuwelingen, nu zijn alle leden van de lijst al eerder in een partijfunctie opgenomen. Ook bij de SP (2 procent), het cda (4 procent), de ChristenUnie (0 procent) en de sgp (0 procent) moeten de outsiders met een lampje gezocht worden.

Kandidaten Gemiddelde leeftijd Migratieachtergrond Vrouw Partijtijgers Social media
2010 2017 2010 2017 2010 2017 2010 2017 2010 2017 2010 2017
CDA 40 25 47 44 8% 4% 30% 36% 95% 96% 78% 100%
ChristenUnie 12 8 40 41 8% 25% 33% 38% 83% 100% 83% 100%
D66 18 20 42 44 11% 20% 50% 40% 83% 95% 100% 100%
Groenlinks 15 19 40 45 20% 11% 53% 47% 80% 89% 93% 95%
PvdA 40 20 45 47 18% 25% 50% 50% 95% 85% 68% 95%
PvdD 4 5 39 44 0% 0% 75% 60% 100% 100% 100%
PVV 27 35 43 46 4% 0% 15% 29% 67% 100% 37% 80%
SGP 3 5 45 48 0% 0% 0% 0% 100% 100% 67% 100%
SP 18 21 44 41 11% 10% 28% 24% 100% 95% 72% 100%
VVD 30 40 46 44 3% 10% 40% 30% 93% 98% 70% 95%
50PLUS 14 61 7% 29% 86% 79%

De ledentallen van de grote politieke partijen zijn de laatste jaren in een vrije val geraakt. Waren er in de jaren vijftig nog bijna achthonderdduizend mensen lid van een politieke partij, nu zijn het er minder dan 290.000. In 1956 was maar liefst twaalf procent van de kiezers lid van een politieke partij, zo blijkt uit onderzoek van Voerman, nu is dat gezakt naar twee procent.

Het lijkt een paradoxale ontwikkeling: terwijl de politieke massaorganisaties van de jaren vijftig zijn verschrompeld tot vrijwel lege karkassen richten de selectiecommissies zich in hun zoektocht naar talent in toenemende mate op de interne organisatie. ‘Het is een luxe die de partijen zich nu nog kunnen permitteren’, weet Voerman. ‘Die commissies hebben vaak de keus uit honderden kandidaten. De drang om buiten de deur te gaan kijken is daarom niet groot.’ Anders is dat bij gemeenteraadsverkiezingen: ‘Daar is de spoeling in plattelandsgemeenten echt dun en lukt het de afdelingen nauwelijks om de lijsten te vullen. Lokale bestuurders gaan daarom bewust op zoek naar talent buiten de eigen kring. Een bewoner die actief is in zijn buurt of dorp wordt dan al snel gevraagd of een politieke functie wat voor hem is.’

‘Vroeger hadden de partijen contact met andere organisaties in hun zuil. Die voeding is verloren gegaan’

‘De professionalisering van de politiek is te ver doorgeslagen’, zegt de politicoloog Armèn Hakhverdian. Een politicus is een vakman geworden, een halve ambtenaar, die in eigen kring wordt opgeleid. ‘De partijen zijn het natuurlijke contact met de maatschappij grotendeels kwijt’, zegt Hakhverdian. ‘Vroeger hadden ze contact met andere grote maatschappelijke organisaties in hun zuil. Die natuurlijke voeding, ook als het gaat om politiek talent, is verloren gegaan. Dat middenveld is grotendeels verdwenen.’

De Kamer van 1956

De 150 Kamerleden die zich zestig jaar geleden in de krappe bankjes van de oude Tweede Kamer propten, waren óók van een eenzijdige samenstelling. Zo waren er maar dertien vrouwen (8,7 procent) onderdeel van het gezelschap. Twee partijen domineerden de politiek: de PvdA met vijftig zetels en de KVP met 49. De christelijke partijen samen konden rekenen op een veilige meerderheid van tachtig zetels, de atheïsten waren duidelijk in de minderheid. Wel bevond zich onder de leden de timmerman Henk Gortzak (CPN), de maatschappelijk werkster Took Heroma-Meilink (PvdA), de bouwvakker en vakbondsbestuurder Jan van Eibergen (ARP) en de oud-mijnwerker Wiel Mulders (KVP). Alhoewel ook in 1956 de hoogopgeleiden in de meerderheid waren, hadden de lager opgeleiden (25 procent van de leden) een duidelijke inbreng in de parlementaire discussies. De oud-verzetsstrijder Gortzak stond bekend als een onafhankelijk denker en een fel debater die het de Kamervoorzitter vaak lastig maakte. Toen hij door de CPN werd geroyeerd en tijdelijk uit de Tweede Kamer verdween, pakte hij zijn oude beroep van timmerman weer op.

Uit de almaar kleiner wordende politieke talentenvijver halen de partijen bovendien sterk op elkaar lijkende vissen, zo blijkt uit ons onderzoek. De standaardkandidaat is een man van middelbare leeftijd, hoogopgeleid, afkomstig uit een grote stad en van Nederlandse komaf. Op de kandidatenlijsten is in 2017 slechts 34,4 procent vrouw, 12,8 procent heeft géén hbo+-opleiding, 9,9 procent heeft een migratie-achtergrond en slechts 25,5 procent komt uit een dorp of kleine stad.

 

‘We zijn weer terug bij af’, verzucht Hakhverdian. ‘Voor de invoering van het algemeen passief kiesrecht voor beide seksen zaten er ook bijna alleen hoogopgeleide mannen in het parlement. We hebben te maken met een U-curve. Vanaf 1918 namen er ook arbeiders, middenstanders en boeren in de bankjes plaats en ook in de jaren vijftig en zestig hadden we een breed samengestelde volksvertegenwoordiging. Nu is de Tweede Kamer weer net zo elitair als aan het begin van de vorige eeuw.’

Hakhverdian schreef samen met collega Wouter Schakel Nepparlement: Een pleidooi voor politiek hokjesdenken. Hierin stellen ze dat door de eenzijdige samenstelling van de Kamer grote groepen in de maatschappij zich niet vertegenwoordigd voelen. ‘De vanzelfsprekendheid waarmee hoger opgeleide, welgestelde burgers zich het ambt van volksvertegenwoordiger hebben toegeëigend’ is volgens het tweetal aan herziening toe. Want ‘het begrenzen van inspraak en politieke participatie van groepen die er toch al toe neigen zich afzijdig te houden van de politiek leidt alleen maar tot verdere vervreemding, marginalisering, onderdrukking en in het ergste geval zelfs tot uitbuiting van deze groepen’.

‘Ik ben bang dat mensen niet om mijn grapjes lachen, dat ze het niet begrijpen.’ Bij de welbespraakte columnist lijken de zenuwen toe te slaan als hij het podium in zicht krijgt. Terwijl zijn microfoontje wordt vastgespeld, raakt de zaal steeds voller. ‘Je moet het zien als één groep’, had iemand hem nog getipt. Dan maakt het niet uit of het om twintig of twaalfhonderd mensen gaat, zoals nu in de Oosterpoort in Groningen tijdens een verkiezingsmeet-up van GroenLinks.

Zihni Özdil (35) vormt het voorprogramma van Jesse Klaver. Hij is historicus, columnist voor NRC Handelsblad, schrijver en sinds kort kandidaat voor GroenLinks bij de Tweede-Kamerverkiezingen. Dat hij als nieuwkomer op plek 8 is gezet door de kandidatencommissie vindt hij ‘een hele eer’. ‘De vibe hier is echt optimistisch.’

Özdil groeide op in Lombardijen, ‘een arme Rotterdamse wijk’, zoals hij dat zelf in zijn toespraak vertelt. Zijn vader – een linkse intellectueel in Turkije en fabrieksarbeider in Nederland – pushte hem om een goede opleiding te kiezen omdat zijn toekomst als ‘allochtoon’ in Nederland maar beter zeker kon zijn. ‘En anders ga ik je slaan’, citeert hij zijn vader. Özdil doceert Global History aan de Erasmus Universiteit en University College in Amsterdam. In zijn boek Nederland mijn vaderland over Nederlands racisme, dat in 2015 verscheen, spaart hij niets of niemand om de verdeeldheid in Nederland duidelijk te maken. ‘In werkelijkheid is Nederland ook mijn vaderland’, schrijft hij. ‘Waarom snappen wij nog steeds niet dat Özdil óók een Nederlandse naam is?’

Als publicist gaf Özdil in 2016 een toespraak over Nederlanderschap voor dwars, de jongerenorganisatie van GroenLinks, en toen kreeg hij de vraag uit het publiek waarom hij zelf niet de politiek in ging. Voorheen was Özdil cynisch over de politiek. ‘Ik vond dat er te veel bullshit werd besproken in de Tweede Kamer. Lijsttrekkers reageren enkel op elkaar en presenteren niet meer hun eigen idealen. Toen Jesse Klaver lijsttrekker werd kreeg ik er weer vertrouwen in. Hij heeft mij gemotiveerd om de politieke strijd aan te gaan.’

Small kamer2
‘Nu is de Tweede Kamer weer net zo elitair als aan het begin van de vorige eeuw’

Dat de algehele sfeer optimistisch is, wordt duidelijk tijdens de meet-up. Tussen de speeches door klinkt er harde muziek, alle aanwezigen klappen enthousiast mee en een snelle cabaretier-achtige presentator praat het geheel aan elkaar.

Aan het einde van zijn speech gaat het beter met de zenuwen. Özdil roept de zaal op om te gaan stemmen op 15 maart. ‘En anders… ga ik jullie slaan’, zegt hij spottend. Het publiek lacht – gelukkig – en klapt. Tijdens de campagneperiode heeft hij zijn column in NRC Handelsblad tijdelijk moeten opgeven. Wel mocht hij in de krant samen met Dilan Yesilgöz (vvd) een dagboek bijhouden waarin zij om de beurt de kiezer meenemen op campagne. Hij beschrijft daarin zijn schroom toen hij voor het eerst kiezers op straat moest aanspreken. Hij was bang dat het ‘zieltjes winnen’ zou zijn.

Özdil hoort bij de vijf procent outsiders die dit jaar op Kamerlijsten staan. Hij was niet eens lid van GroenLinks toen hij door de kandidatencommissie werd benaderd. Nu is hij dag en nacht in touw met canvassen – langs de deuren van zwevende kiezers gaan – en het houden van speeches. Ook hielp hij Jesse Klaver met het schrijven van zijn meest recente boek De empathische samenleving (2016). Een typische Klaver-term als ‘economisme’ zit nu ook in zijn vocabulaire. ‘Nederland moet gered worden van het economisme’, houdt hij het Groningse publiek dan ook voor.

Hoe erg is het dat slechts elf van de 212 door ons onderzochte kandidaten outsiders zijn die niet door de partij zijn opgevoed en gedisciplineerd? Is het écht een probleem dat een hoogopgeleide elite de bevolking vertegenwoordigt? Of is het juist niet prettig dat het verstand en niet de onderbuik in het parlement overheerst. De politicologen zijn er nog niet over uit. ‘De situatie is niet ideaal’, vindt Gerrit Voerman, ‘maar je kunt niet zeggen dat door de eenzijdige samenstelling de politieke keuzemogelijkheden worden beïnvloed. Er zijn genoeg partijen die de politieke wensen van veel laagopgeleiden vertegenwoordigen. De SP doet dat bijvoorbeeld op economisch gebied, de pvv bijvoorbeeld als het gaat om verzet tegen de multiculturele samenleving. Wat dat betreft is er genoeg keuze.’

Toch zijn er steeds meer aanwijzingen dat de achtergrond van parlementariërs een grotere rol speelt bij besluitvorming dan tot voor kort werd aangenomen. In het boek van Hakhverdian en Schakel staan verschillende onderzoeken die hierop duiden. Zo zijn volksvertegenwoordigers die zelf roken minder geneigd om voor wetgeving te stemmen die het roken moet ontmoedigen. Parlementsleden met dochters zijn bijvoorbeeld ook meer geneigd om progressieve wetgeving te steunen op het gebied van abortus, seksuele voorlichting en voorbehoedmiddelen. Ook de aanwezigheid van homoseksuele volksvertegenwoordigers in lokale Amerikaanse raden had een positief effect op de invoering van het geregistreerd partnerschap.

In 1993 voerde India een grondwetswijziging in waardoor er een systeem van quota kwam waarbij voor vrouwen en leden van de lagere kasten zetels in vertegenwoordigende lichamen werden gereserveerd. Een derde van de lokale raden moest een vrouwelijke leider hebben. De partijpolitieke overtuiging van de voorzitster deed er niet toe, want ze werd per loting uitgekozen. De Indiase maatregel is een wetenschappelijk godsgeschenk, want nu kon gekeken worden of vrouwelijk leiderschap – en niet de politieke kleur van de leider – een doorslaggevende factor kan zijn. En dat was inderdaad het geval. Zo bleek dat in de deelstaten met een vrouwelijke pradhan (leider) meer fondsen beschikbaar kwamen voor de verbetering van de kwaliteit van drinkwater en voor infrastructuur – zaken die voor Indiase vrouwen heel belangrijk zijn. In de regio’s met de ingelote vrouwelijke leiders bleken meisjes ook meer tijd te besteden aan school en verrichtten ze minder huishoudelijke taken. De leiders waren duidelijk rolmodellen voor de meisjes in hun regio.

Small kamer3

‘We kunnen nu wel stellen dat de achtergronden van parlementsleden er wel degelijk toe doen’, zegt Hakhverdian. ‘Dat geldt voor vrouwen, maar ook hoogopgeleiden hebben voor een deel een gezamenlijk normen-en-waardenpatroon dat invloed heeft op hun politieke besluitvorming.’ Dat komt bijvoorbeeld tot uiting als het gaat om zaken als globalisering, liberalisering en de multiculturele samenleving. Het hoogopgeleide Nederlandse parlement neemt op economisch terrein consequent rechtsere standpunten in dan het lager opgeleide deel van de Nederlandse bevolking lief is. Zo zijn de negatieve gevolgen van de neoliberalisering voortdurend door de politiek onderschat. Op cultureel gebied is het parlement daarentegen een stuk progressiever dan laagopgeleiden, bijvoorbeeld als het gaat om de gevolgen van de migratie.

‘De laagopgeleide kiezer is als enige gedwongen te kiezen tussen zijn belangrijkste voorkeuren’, stelt Hakhverdian. ‘Let hij vooral op zijn economische belangen, dan komt hij uit bij de SP, als hij zijn culturele voorkeuren prioriteit geeft, komt hij uit bij de pvv. Bij geen enkele partij voelt hij zich echt thuis.’

Hoe kan de ondervertegenwoordiging van bepaalde bevolkingsgroepen aangepakt worden? Hakhverdian ziet geen gemakkelijke oplossing. Verschillende partijen proberen wel deeloplossingen, zo heeft de pvda een soort intern districtenstelsel ingevoerd om de regionale spreiding te garanderen en ook staan om en om een man en een vrouw op de lijst. Op de totalen zet dat echter nog maar weinig zoden aan de dijk. ‘Het besef moet eerst doorbreken dat de ondervertegenwoordiging van grote groepen daadwerkelijk een probleem is’, vindt de politicoloog. ‘Maar zeker de afwezigheid van laagopgeleiden in parlementen zal niet snel doorbroken worden.’

De parlementariërs in spe lijken ondertussen zelf ook te beseffen dat het contact met alle lagen van de bevolking niet optimaal is. Hun oplossing: sociale media. Vergeleken met 2010 maken ze veel meer gebruik van Twitter, Facebook en LinkedIn. Zo hebben de onderzochte kandidaat-Kamerleden in totaal 3,7 miljoen volgers of vrienden, in 2010 waren dat er nog maar 134.000. De gemiddelde kandidaat heeft maar liefst negentienduizend volgers, ruim zeventienduizend meer dan zeven jaar geleden.

Een korte inventarisatie van de tweets en posts maakt echter wel duidelijk dat de sociale media vooral gebruikt worden om de partijboodschap te zenden. Voor luisteren en discussie is er over het algemeen weinig plek. Lastige of kritische volgers worden zelfs geblokkeerd of ontvriend.

Het onderzoek

Dit onderzoek is gebaseerd op een gelijksoortig onderzoek dat De Groene Amsterdammer in 2010 deed naar de Tweede-Kamerkandidaten. Toen werd geconcludeerd dat partijen geen lijst samenstellen die representatief en maatschappelijk verantwoord is, maar een lijst die vooral een afspiegeling is van henzelf.

Het doel van dit onderzoek was om na te gaan of dit anno 2017 nog steeds zo is. Hiervoor werden alle Tweede-Kamerkandidaten voor de verkiezingen van 2017 gescand en vergeleken op de volgende criteria: geslacht, geboortejaar, leeftijd, al dan niet een migratie-achtergrond, geboorte- en woonplaats, geloof, opleiding, voormalige beroepsbranche, politieke ervaring, burgerlijke staat, hobby’s, familiale achtergrond en aanwezigheid op de sociale media. Hiervoor werden vooral de sociale-mediakanalen Facebook, Twitter en LinkedIn en de officiële partij- en Tweede-Kamersites geraadpleegd. We hebben net als in 2010 alleen gekeken naar kandidaten die volgens de peilingen een reële kans maken om na 15 maart in de Kamer te komen en van wie de partijen nu ook al in de Tweede Kamer vertegenwoordigd zijn.


Download hier de data van het onderzoek.