De passie achterna

Eind 2009 publiceerde Joke J. Hermsen Stil de tijd, een lang, erudiet essay, geschreven op de botte kant van het mes van de tijd. Waar de wereld dankzij deadlines, smartphones en digitale vriendschappen steeds sneller lijkt te draaien, hield Hermsen een ‘pleidooi voor een langzame toekomst’. Aan de hand van de ideeën van grote schrijvers en filosofen over tijdsverloop en tijdsbesef gaf Hermsen een kritiek op hoe de westerse wereld in de 21ste eeuw met tijd omgaat, vluchtig en gehaast, en wat er te winnen valt als we dat weten te doorbreken. Stil de tijd had niet op een beter moment kunnen komen, dat wil zeggen, Hermsen wist precies onder woorden te brengen wat een grote groep mensen al langer voelde: ze won de Jan Hanlo Essayprijs en het boek haalde meer dan tien drukken - een unicum voor een lijvig essay doorspekt met literaire verwijzingen.
In veel opzichten functioneert haar nieuwe roman Blindgangers als een logisch vervolg op Stil de tijd. Al in het eerste hoofdstuk horen we de mislukte academicus Sebastiaan ('ondanks zijn hulpvaardige houding als notulist van de vakgroepvergaderingen werd zijn contract deze zomer niet verlengd’, schrijft Hermsen lekker cynisch in de dramatis personae) verzuchten dat hij het liefst in zijn studieatelier ingesneeuwd zou raken, geen klusjes, geen rinkelende telefoons, geen mails die beantwoord hoeven worden. Met vlotte vaart zet Hermsen een groepje veertigers neer, en hun kroost, dat zich in Amsterdam klaarmaakt voor een weekendje in een buitenhuisje, waar ze het 25-jarig jubileum van hun oude studieclub Nil Desperandum zullen vieren. Gewone, grootstedelijke, eigentijdse mensen. In al hun geklaag op de moderne tijd zie je de headlines van een jaargang van Psychologie Magazine / Viva / Vrij Nederland / De Groene Amsterdammer vluchtig voorbij vliegen: ouders die allemaal denken dat hun kinderen hoogbegaafd zijn, meisjes die zich uithongeren met het idee dat ze zo vat op hun leven krijgen, faculteiten die geliefde docenten wegstrepen als ze hun onderzoeksquota niet halen.
Eenmaal in een winters Drenthe komt de dynamiek op gang van een club mensen die elkaar zo lang kennen dat ze misschien wel te goed op de hoogte zijn van elkaars angsten en mislukkingen, en vullen de dagen zich met veel eten, drank en felle discussies over mannen, vrouwen, liefde, kinderen en hoe je nog een diepzinnige, betekenisvolle relatie kunt hebben als je een totaal gejaagd bestaan leidt. De gesprekken ontaarden met regelmaat in man-vrouw-confrontaties; hoe het toch komt dat mannen hun vrouw mogen inruilen voor een jonger modelletje, maar omgekeerd niet, en of huwelijken niet elke drie jaar opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden en, indien het resultaat niet bevalt, ontbonden kunnen worden - even goeie vrienden, ik ga de passie achterna.
Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het prikkelt je tenminste erover na te denken.
Joke J. Hermsen heeft met Blindgangers een ideeënroman over de moderne liefde willen schrijven. Met de ideeën zit het wel snor, met de roman helaas niet. Kritiek op de tijdgeest wordt pas geloofwaardig als je er zelf bovenuit weet te stijgen. Wanneer je een van de ouders laat klagen dat haar kinderen steeds meer 'als dingen’ beginnen te spreken, in korte zinnetjes vol cijfers en merknamen, en dat 'e-mail, sms en twitter de taal tot een skelet hebben afgekloven’, mag je niet vervolgens zelf als romancière zinnen schrijven als: 'De scheiding was hun nu eenmaal niet in de koude kleren gaan zitten, hun wereld was compleet ingestort, dus dat niet alles meteen van een leien dakje ging, verbaasde hem allerminst.’
Koude kleren, wereld ingestort, leien dakje - literatuur gaat juist over het ontstijgen van zulke clichétaal. De opbouw van de roman is conventioneel, maar stevig, net als de manier waarop je geleidelijk de personages leert kennen en de manier waarop de ouders aan hun kinderen worden gespiegeld - maar telkens is het de ongelukkige stijl die Hermsen ondermijnt. Welke hedendaagse tiener zegt dat ze iemand 'een poets’ heeft gebakken, en dat dat 'een koud kunstje’ was? Praten echte vrouwen (of: echte mensen) echt in zinnen als:
’“Je hebt gelijk,” zei Det. “Onze vrijheidszin is te groot geworden. Het huwelijk strookt niet met de tamboer van de vrijheid die overal geslagen wordt.”
“Misschien niet,” aarzelde Ella, “maar het zou toch wel jammer zijn als het geloof aan een eeuwige liefde bij voorbaat al uitgesloten wordt. Want dat is toch waar iedereen op hoopt, dat het voor altijd zal zijn.”’
Ergens anders schrijft ze: 'Ze sprak over hun verhouding alsof ze aan een Postbus 51-campagne voor het verstandige nahuwelijk meedeed.’ Wat Hermsen ontgaat, is dat zij degene is die haar personages telkens in de potige trefwoorden van een Postbus 51-campgane laat spreken.
Het hoeft niet gezegd te worden dat Hermsen haar eigen verhaal daarmee geen recht doet. Blindgangers heeft zeker oplevingen. Zelden werd eenzaamheid in een huwelijk zo pijnlijk neergezet als in de scène waarin de vrouw vanuit de passagiersstoel ziet hoe haar echtgenoot zonder een woord te zeggen een afslag neemt, tankt, het tankstation in loopt en afrekent en dit alles doet zonder ook maar een keer naar haar achterom te kijken, alsof hij zijn reis alleen maakt, alsof ze niet bestaat. Tussen de te bedachte, opgewonden gesprekken beleven vooral de jongeren een paar van deze integere, pijnlijke momenten - vooral de prachtige epiloog van een van de kinderen, waarvan ik de strekking niet zal verklappen, weet in zijn simpele emotie al het geouwehoer van zijn ouders honderdmaal te overstijgen.

JOKE J. HERMSEN
BLINDGANGERS
De Arbeiderspers, 370 blz., € 19,95