Het sex-appeal van de auto

De patserfactor

Het is een raadsel waarom mannen blijven denken dat ze een vrouw kunnen versieren met een auto. Vrouwen zien niet op of om. Hoewel? Op het parkeerveld bij een strand krikt een man in zijn Golf met Halfords-velgen een ‘lekker wijf’.

DE AUTO IS DRIE DINGEN: vervoermiddel, lokvoer en peeskamer. Er wordt mee gereden, er wordt mee gelonkt en er wordt in geneukt. Over functies 2 en 3 gaan de volgende overpeinzingen. Eerst twee stellingen. Eén: als de auto de identiteit van zijn bestuurder uitdrukt, dan ook zijn seksuele moraal. Twee: als het waar is dat macht en geld erotiseren, zijn dure, snelle, begerenswaardige auto’s rijdende contactadvertenties, en gaan, zoals de mythe wil, de mooiste meiden voor de jongens met de dikste bakken.
Nu niet roepen dat het rolbevestigende prietpraat is. Dromen zijn dromen. In de door stereotiepe heteromores en toffejongenstaal beheerste wereld van de auto, waarin brede banden ‘dikke sloffen’ heten en dikke Mercedessen ‘de klinkers uit de straat trekken’, dichten mannen hun auto’s verbazingwekkende machten toe. Je hebt er – hun aandachtzoekende blikken achter het stuur vormen het bewijs – die geloven dat ze indruk maken met een Ford Mondeo of VW Passat. Je hebt er die hun Mazda cabrio beschouwen als een wild card op de liefdesmarkt.
Blinde hoop drijft de exhibitionistische randgroeptwintigers, die in hun BMW’s en opgetuigde Golfs op zomerse uitgaansavonden met rapgebonk hun testosteronsporen uitzetten op stadspleinen en boulevards. Ze zijn op jacht. Alles aan hun auto’s – van de bovenmaatse lichtmetalen velgen tot het oorverdovende geschetter van de stereo-installaties – dient de balts. Ze zijn uitsluitend soeverein in eigen kring, want op de betere terrassen roepen hun door hoger opgeleiden afgedragen tweedehandsjes louter medelijden op, maar in hun jachtgebieden geldt als overal dat ‘in the long run’, zoals Thoreau schreef, ‘men hit only what they aim at’. En zo is dat. Denk niet te min. Voor de Leidseplein-hunks is de laagste lat het hoogste punt. Of ze hun doel vervullen is een tweede, maar als symbolen van gretigheid zijn hun praalwagens op hun beoogde taak berekend. Yes, we can.
Anderzijds zal niemand die Jan Peter Balkenende op de achterbank van zijn gepantserde BMW7-serie over het Binnenhof ziet glijden een seconde aan seks denken – hijzelf wel als laatste. De auto drukt zijn waardigheid als staatsman uit, niet zijn erotische temperament. Mannen met grote auto’s willen ongetwijfeld indruk maken, maar niet noodzakelijkerwijs op vrouwen. Ook de vier mannelijke, heteroseksuele Porsche-rijders in mijn kennissenkring, hoewel behept met een bovenmodale geldingsdrang, kochten hun 911’s niet uitsluitend voor de meisjes. Ze zijn mannen, gedreven door verlate jongensdromen van spoilers, leren kuipstoelen en gruizig brullende boxermotoren, met of zonder turbo. Hun drift staat dichter bij het kind dan bij de womanizer. Al speelt spierballengedrag een rol, ze zijn verliefd op de techniek of het model, en verder willen ze gewoon genadeloos hard rijden. De eeuwige fietser zal het niet kunnen bevatten, zo plat en simpel is het.
Natuurlijk beseffen ze, zelfs als ze immuun zijn voor afgunstigheid, dat het bezit van de zaak hen tot doelwit maakt van vooroordelen – proleet, vervuiler, versierder – die zich niet klakkeloos laten negeren. Iedere Porsche-rijder krijgt dat sociologische probleem er gratis bij. Ik kreeg het in de gaten toen een van hen zijn 993 Carrera 4S op mijn oprit parkeerde, het raampje liet neersuizen, zijn door de tijd geconserveerde jongensogen over de rand van zijn zonnebril liet glijden en zo aandoenlijk dubbelzinnig vroeg hoe we hem vonden dat mijn vrouw en ik onmiddellijk begrepen wat we zagen: de angst voor, of op z’n minst het besef van een stigma dat zich alleen met wufte zelfspot laat bestrijden. Ik, man, Porsche – mensenkinderen. De trots op het bezit, de laconieke schaamte voor de patserfactor – ze zijn het yin en yang van een bewolkt geluksgevoel.
Die medaille heeft een keerzijde. De slimme Porsche-rijder maakt van de nood een deugd in het besef dat hij met knipogende zelfreflectie, mits bekwaam vertolkt, zijn aantrekkingskracht niet alleen kan redden maar zelfs kan vergroten. Als hij de kunst verstaat zijn mannenrol zo te relativeren dat zijn hanigheid niet hindert maar vertedert, zit de alfa-man ook in een seksueel geëmancipeerde biotoop op rozen. Dat de vereiste methode lijnrecht indruist tegen het bloedserieuze karakter van de auto is vanaf dat moment de gespeelde ironie van het lot. Een Porsche, van zichzelf even aseksueel als alle auto’s, leert de man die hem verdient hoe hij dat spel moet spelen. Het is de auto die de versierder in hem vleugels geeft. Niet omdat hij het zo wilde. Omdat zijn totem hem dwong. Maar hij krijgt er wat voor terug: een vrijgeleide.
Uit dit voorbeeld moge blijken dat de mate waarin de auto erotiseert staat of valt met de subtiele, deels door sociale normen afgedwongen interactie tussen ros en rijder. Dat is in alle lagen van de samenleving en bij alle auto’s zo, zij het dat aan de bovenkant van de maatschappelijke ladder onverbiddelijker wordt gewogen. Zelfs in het materialistische Amsterdam-Zuid zal Al Pacino in een wrakke Volvo meer bonuspunten binnenhalen dan een quizpresentator in een Porsche, zoals de kans dat Pacino daar op het bezit van een Porsche zou worden aangekeken navenant veel kleiner is dan wanneer de gegarandeerd charismaloze quizzenman zijn sportwagen in de Van Baerlestraat parkeert – die mist de luchtigheid.
Wat deze overwegingen met seks te maken hebben, is dat ze gaan over aantrekkingskracht. En ze voeren onvermijdelijk tot de conclusie dat de pikorde op de automarkt, ook de seksfactor per merk en type, wordt bepaald door de attitude van de man of vrouw achter het stuur. Anders gezegd: behalve waar de liefde wordt gekocht en niet verdiend is blik maar bijzaak.

IN DIT VERBAND interessant is dat auto’s op straat vrijwel uitsluitend mannelijke, op prestatiecijfers gefixeerde aandacht trekken. Ik spreek uit ervaring, omdat ik als medewerker van autobladen en kortstondig televisiepresentator frequent met exclusieve bolides op pad was. Na verloop van tijd stelde ik vast dat ik bij tussenstops vooral werd opgemerkt door mannen, die ofwel afgunstig wegkeken – ook een vorm van aandacht – of als vliegen op de stroop afkwamen. Dit patroon heeft kracht van wet. Vrouwen zien niet op of om; de man wil weten hoe hard het gaat, informeert opgewonden naar het aantal paardenkrachten of legt, meer in overeenstemming met zijn aard, ongevraagd examen af over zijn vakkennis. Hé, een turbo, jubelt hij – en het geslachtsleven is verder weg dan ooit.
In dat licht bezien is het een raadsel waarom mannen blijven denken dat ze een vrouw kunnen versieren met een auto. Ik vrees dat het hartverscheurende naïviteit is. Afgezien van de gold diggers die platgaan voor de Aston Martin van hun prijsspits zal geen vrouw een dode pier begeren om zijn Porsche of, in het Leidseplein-segment, zijn tien jaar oude BMW met kapot geschaafde velgen van Halfords. Het sex-appeal van auto’s berust, vrees ik, op hetzelfde misverstand als het idee dat kleren de man maken.
Toch wordt in auto’s seks bedreven. Zelf ben ik nooit zo ver gekomen: een esthetische inslag en praktische bezwaren weerhielden me. Seks is een afschuwelijk gezicht waarvan ik derden de aanblik graag bespaar, zelfs als de kans op ontdekking nihil is. Ongeacht zijn grootte is de auto bovendien een rampzalige plek voor de liefdesdaad. De praktijk zal zijn ontstaan toen seks voor het huwelijk nog zo taboe was dat het stiekem moest. Ik vermoed dat het verschijnsel in een andere tijd naar ons hooibergcontinent is overgewaaid vanuit de Verenigde Staten, waar de moraal het drukkendst was, de lost spots talrijk zijn en de auto’s met hun brede, zachte achterbanken en riante beenruimte ook avontuurlijker varianten faciliteerden dan het verkrampte Oud-Hollandse recht op en neer.
Ik dacht oprecht dat autoseks iets van de jaren vijftig was. Nu de Victoriaanse donderwolken zijn overgetrokken, de klassieke Ami-neuksloep bij de sloop staat en de meeste moderne auto’s met hun reliëfrijke, op maat gesneden meubilair niet op seks zijn gebouwd, lijkt het monopolie van de slaapkamer onaantastbaar. Het verbaasde me dan ook zeer dat de twee allerminst bejaarde gesprekspartners die ik kortelings op een borrel ontmoette mijn vraag of ze ervaring hadden met de autoliefde min of meer bevestigend beantwoordden. Vanzelfsprekend heb ik uit tact niet naar de technische details geïnformeerd, te meer omdat de zuinigheid van de reacties wees op moeilijke herinneringen aan onbespreekbaar ongemak. Wel had ik een andere vraag moeten stellen: wat dreef jullie? Experimenteerdrift? Onbedwingbare passie? Een gehorig studentenhuis? Schaamte? De anachronistische angst voor ontdekking? Omdat ik het verzuimde, rest mij niets dan speculatie. Maar ik kan er naar raden. Het is van alles wat, en nog iets anders.
De symboliek van de autoliefde is dat de daad niet kon wachten. Seks in de auto is als gebaar van onbedwingbare begeerte een bewijs van liefde. Men houdt het niet meer. Het moet nu. Een oeroude bestiale heroïek maakt zich breed. De ware jager komt te paard en slaat ter plekke toe, door de buit in zijn hol te verschalken. In de gegeven heteroseksuele context is de plaats des onheils met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn auto, niet de hare. Hij staat te krikken op het parkeerveld bij het strand in Castricum, en hij komt rechtstreeks van het Leidseplein gebuffeld. Als de stuurman zich na afloop niet te pletter rijdt tegen een boom koopt hij morgen een nieuwe spoiler voor zijn Golf. Het bewijs is geleverd: show werkt.
O, sweet delusions of youth.

EEN VRIEND STUURDE me deze maand een internetfilmpje waarin twee mannelijke kemphanen voor het rode licht zij aan zij in blijde afwachting verkeren van de obligate stoplichtsprint. De een is een dwerg in een Smart Fortwo, de ander een playboy in een Italiaanse sportwagen. Beiden zien elkaar over en weer meewarig lachend aan en aangezien de dwerg geen krimp geeft, moet of met de Italiaan of met de Smart iets aan de hand zijn. Zo niet, dan was de race gelopen en de scène zinloos. Heeft de Fortwo een geheime raketmotor? Staat de playboy zonder het te weten met een lekke band?
Nee.
Opeens duikt achter de dwerg – het stoplicht staat nog steeds op rood – het type blonde stoot op dat in een nog niet geheel verdwenen mannenwereld ‘lekker wijf’ heet. De dwerg grijnst zijn overwinnaarsgrijns. Hij heeft gewonnen, hij heeft het meisje. Zijn mannenmoraal: kijk, zonder Ferrari. Racen hoeft niet meer. Zijn Ferrari is een vrouw.
In het echte leven krijgt de dwerg dat meisje niet. In het echte leven landt ze naast de man met de Ferrari. De overeenkomst tussen parodie en werkelijkheid is dat de libidineuze sportwagenpiloot niet anders verwacht, en net als de dwerg in het filmpje denkt dat ze, de anderen, hem om zijn buit zullen benijden. In dat ene stoplichtclipje zit alles wat auto’s en autodromen zo belachelijk maakt.