De pavarotti- perversie

Die dag in juli 1990 markeerde een nieuw dieptepunt in de Westeuropese beschavingsgeschiedenis, niet zozeer omdat het Nederlandse voetbalelftal weer eens van Duitsland had verloren, maar omdat de zogenaamde Pavarotti-perversie zijn entree deed op de internationale podia. Podia is eigenlijk niet het juiste woord, want het gebeuren speelde zich af in de thermale baden van Rome en heeft zich inmiddels verplaatst naar locaties als Madison Square Garden (New York) en het Kasumiaoka Stadion (Tokio).

Er zijn, over de hele wereld verspreid, deze zomer tien van dit soort massabijeenkomsten georganiseerd, waar voor gemiddeld zo'n vijftigduizend toeschouwers a raison van rond vierhonderd dollar per toegangsbewijs het lied ‘O, sole mio’ ten gehore wordt gebracht.
Door die 'Three Tenors’, net als op die fatale zomeravond in de Italiaanse hoofdstad. De betreffende kunstenaars zijn en waren Luciano Pavarotti, Placido Domingo en Jose Carreras. Hoe bedoelt u, lezer? Waarom mag dat nu ook weer niet? Natuurlijk, alles mag. Al zouden zij La Traviata in het Sanskriet zingen, door een draaiorgel begeleid. Als mensen bereid zijn daarvoor tien maal vijftigduizend maal vierhonderd dollar te betalen, wordt blijkbaar in een behoefte voorzien.
Toch is het een verschijnsel dat onbehaaglijk stemt. Want het illustreert de decadente kanten van de muziekindustrie, waar op het ogenblik dingen gebeuren die men tot voor kort niet voor mogelijk hield. De dames en heren solisten en dirigenten ontvangen al langer honoraria die buiten het menselijk bevattingsvermogen vallen. Dat zij zo; over het algemeen staat daar een redelijke tegenprestatie tegenover. De tenoren Pavarotti, Domingo en Carreras behoren eveneens al sinds jaar en dag tot diegenen die eveneens zijn gezegend met het talent de hoge C in klinkende munt om te zetten. Het zij hun gegund; het zijn - of waren - serieuze kunstenaars en over het algemeen leverden zij waar voor hun geld. Des te deprimerender dat zij in de avond van hun carriere bereid blijken zich te verhuren tegen bedragen waarmee je hele hongerende continenten in leven kunt houden. De een zingt een ariaatje uit Turandot. De tweede doet een shorty uit La boheme. De derde wringt enige, elektronisch versterkte krachtpatserij uit Il Trovatore uit zijn strot. En gedrieen slingeren zij 'Granaaaaada!’ en 'Mariamariamariamaria!’ het stadion in. In ruil voor 700.000 gulden de avond de man, zo'n vijfenveertigduizend gulden per smartlap.
De dirigent (wat valt er aan het geheel eigenlijk te dirigeren?) is trouwens James Levine, de chef van de Metropolitan Opera. Hij krijgt per avond 500.000 dollar, overigens na eerst anderhalf miljoen dollar te hebben bedongen.
Ook mede daarom is zo'n man als cultuurdrager volkomen gediskwalificeerd.
Er zijn dundrukwerken vol vrome woorden gesproken over de kloof tussen de zogenaamde lichte muziek en de zogenaamde serieuze muziek. Ooit floten de slagersjongens Mozarts 'Non piu andrai’, de dag nadat zijn Nozze di Figaro te Praag in premiere was gegaan. Dit soort slagersjongens bestaat allang niet meer. Zij hangen tegenwoordig rond in discotheken waar zij, hun kop vol speed en crack, de geluidsbarriere trachten te doorbreken. Onderwijl zit hun clientele in het Concertgebouw ritueel naar de beproefde, routineus gespeelde paradenummers te luisteren, die na afloop altijd ovationeel worden toegejuicht, want het publiek - vooral het Nederlandse - valt alles wijs te maken.
Nooit zal de kloof tussen lichte en minder lichte muziek meer worden overbrugd. De platenmaatschappijen proberen er, uit welbegrepen eigenbelang, wel wat aan te doen. Dus worden violisten als Vanessa Mae en Nigel Kennedy tot circusartiesten omgeschoold en de internationale arena’s ingejaagd. En dus spelen Sony en Polygram, zij aan zij met hun Drie Tenoren, de souteneur bij het verhoeren van het culturele erfgoed.
Natuurlijk, ook de platenmaatschappijen verkeren in een crisis. Het feit dat Beethovens Vijfde inmiddels honderdvierendertig keer is opgenomen, maakt het verkopen van opname nummer honderdvijfendertig tot een probleem. Dat bezorgt de verantwoordelijke directies veel hoofdbrekens, het blijven ondernemers, met aandeelhouders die koest moeten worden gehouden. Maar waarom Pavarotti c.s. zich voor dit soort spektakels lenen, het is een raadsel. Zij hebben inmiddels meer geld dan zij in hun leven kunnen opmaken en zijn niettemin bezig, een zomer lang, hun reputatie te ruineren.
En wat bezielt hun fans? Er is geopperd dat de Pavarotti-perversie een reactie is op het contemporaine regie-theater, dat de gewone, traditionele operaliefhebbers de schouwburg heeft uitgejaagd. Nee, het antwoord op het regie-theater komt in werkelijkheid uit Oost-Europa, uit Riga en uit Sofia, gezelschappen die heel het continent doorkruisen met voorstellingen in decors van bordkarton, ongehinderd door driedubbelgelaagde, postfreudiaanse regisseurspretenties. Pavarotti’s publiek heeft echter waarschijnlijk nog nooit een echte opera gezien. Het is het Henny Huisman-volk, aangevuld met de locale onderwereld die de business seats heeft opgekocht en zich na de voorstelling overgeeft aan spijs en drank, het liefst voor het een of andere goede doel, van de aidspatienten tot de weesjes van Sarajevo.
Niettemin, de sociale status waar zij zo naar hengelen, heeft zo'n vertoning niet. Al helemaal niet bij het echte operapubliek, de ware kenners en liefhebbers, van het Muziektheater tot het Jordaancafe. Daar wordt Pavarotti’s publiek, hoe massaal zij ook ’s werelds stadions binnenstromen, gezien als een verzameling ongelooflijke sufferds, die zich voor een burgermanskapitaal een oor hebben laten aannaaien.
Door voornoemde Drie Tenoren en hun handlangers. Inmiddels hebben zich, wil het gerucht, ook de Drie Sopranen aangediend: de, eveneens grotendeels uitgezongen, Montserrat Caballe, Grace Brumby en Eva Marton. Tenoren en sopranen, het blijft het kermisvolk van de internationale muziekwereld.
Waar blijven trouwens de Drie Bassen? Daar zal Madison Square Garden en het Kasumiaoka Stadion lang op moeten wachten, want voor het drievoudig gekeelde 'O, sole mio’ hebben bassen, wij bassen, teveel kunstzin en beschaving.