De pen en de prent

In leven en werk van de zeventiende-eeuwse etser Romeyn de Hooghe spatten gal, gif en inkt in het rond.

Romeyn de Hooghe, De vallende monarchen, 1689 (detail) © Wellcome Collection

De vernuftige etser is een boek over de effecten van giftige roddel, pamfletten, hekeldichten en fake news. De etser in kwestie is de kunstenaar Romeyn de Hooghe (1645-1708), geboren in Amsterdam als zoon van een knopenmaker. De vader en het grootste deel van het gezin sterven in 1664 aan de pest. Romeyn legt al vroeg een weergaloos talent voor de grafische kunsten aan de dag. In 1667 publiceert hij voor het eerst een nieuwsprent, een genre dat flink in opkomst is, en heel lucratief: dramatische voorstellingen van de grote gebeurtenissen van die tijd zoals de aanval op de Engelse vloot op de Medway, of de plunderingen van Zwammerdam en Bodegraven in het Rampjaar. De Hooghe kiest daarbij van meet af aan partij voor stadhouder Willem III, die in het verhaal van Van Nierop op de achtergrond een opmerkelijke rol speelt.

De vlucht van de carrière van De Hooghe is werkelijk uniek. Wie wil leren etsen moet in de leer gaan ‘by den aldergeestigsten Romeyn de Hooghe’, zo schreef Hoogstraten in 1678. De ets is bij uitstek geschikt voor een zwierige stijl, en De Hooghe tekende direct op de plaat, in een bloemrijk, barok idioom, met ‘ongehoorde stoutmoedigheid en kracht van fantasie’ (aldus de kunsthistoricus Benesch). Zijn totale productie was gigantisch, recent geschat op meer dan 4300 etsen – wat in een carrière van 42 jaar neerkomt op twee per week. Zijn veelzijdigheid is even duizelingwekkend, ik overdrijf niet: De Hooghe illustreerde romans en dichtbundels; historische, theologische, natuurwetenschappelijke en juridische werken; hij maakte historieprenten, kaarten, portretten, kostuumprenten; ontwerpen voor penningen en glas-in-loodvensters voor kerken, en dan ook nog de wandschilderingen voor de burgemeesterskamer van Enkhuizen, tuinbeelden voor het Loo, de lay-out van de hortus van Haarlem, enzovoorts. Maar hij werd ook nog gediplomeerd jurist, directeur van een steengroeve, lid van het Haarlemse gerecht en het bestuur van Kennemerland, stichter van een kunstschool, én hij publiceerde een allegorische geschiedenis van het Rampjaar, een geleerd werk over de republikeinse staatsvorm en (postuum) een erudiet werk over de wereldgodsdiensten, Hieroglyphica. Stelt u zich voor dat Picasso behalve schilder ook nog advocaat, architect, parlementslid en spion was geweest, dan heeft u enigszins een idee van De Hooghe.

En dat is pas de helft van het verhaal. De Hooghe’s leven en latere reputatie zijn volledig bepaald door de strijd met prent en pen tegen reputatieroof en ressentiment. Het begint met de beschuldiging dat hij de maker zou zijn van De dwaelende hoer, een boekje met interessante standjes. De Amsterdamse magistraat treedt daartegen op, maar zonder veel resultaat, alleen de drukker krijgt een symbolische boete. In 1681 verschijnt er echter een bizar boekje, Het wonderlijk leeven van ’t Boulonnois hondtje (het hondje uit Bologna), een van oorsprong Italiaans werkje waarin een sprekend hondje roddelt over een schuinsmarcheerder. In de vertaling is dat geheel naar De Hooghe toe geschreven. De anonieme hoofdpersoon – die voor iedere Amsterdammer herkenbaar was – zou spotten met de Schrift en het Avondmaal en zijn dochter seksueel misbruiken. Herkenbaar, want De Hooghe was openlijk libertijns, had contact met radicale Verlichtingsdenkers. Wie het op De Hooghe gemunt had blijft onduidelijk, maar de deuk in zijn reputatie zou er nooit meer uitgaan.

Sommige beschuldigingen aan De Hooghe’s adres hadden tot de doodstraf kunnen leiden

De Hooghe erft in dat jaar echter een huis en een kapitaaltje van een oom in Haarlem, en verhuist daar naartoe. De sfeer is er heel anders; de politiek is Oranjegezind, de stad gaat achteruit en kan wel een energieke ondernemer gebruiken. De Hooghe krijgt er baantjes in het bestuur, verwerft een bul, neemt zitting in de rechtbank, wordt een eerbaar burger.

Maar dan gaat die pamflettenstrijd naar een kookpunt. Met de beroepsstokebrand Ericus Walten en de schrijver-medicus Govert Bidloo vormt De Hooghe een soort propagandacel, die door aanhangers van Willem III als Heinsius en Bentinck wordt ingezet om de Franse koning, maar vooral de staatsgezinde regenten van Amsterdam, in diskrediet te brengen. Het ene vuige ‘paskwil’ na het andere ziet het daglicht. De Hooghe beeldt de burgemeesters af als vette hansworsten die de bevolking belazeren en innige relaties onderhouden met de Fransen, wat riekt naar verraad.

De Amsterdammers slaan terug met eigen pamfletten. Getuigen herhalen daarin de aantijgingen uit ’t Boulonnois hondtje, en verklaren dat De Hooghe een atheïst is, dat hij zijn dochter Romana ‘tot de hoererije bekwaam’ zou hebben gemaakt en dat zijn vrouw, Maria Lansman, met medeweten van Romeyn in het echtelijk huis seks heeft gehad met jan en alleman, zelfs met joden – iets wat strikt verboden was. Was er iets van die beschuldigingen waar? De grondige Van Nierop komt er niet helemaal uit, zo vertroebeld zijn de bronnen. De Amsterdammers spannen gerechtelijke procedures aan, die op De Hooghe als Haarlems poorter echter geen vat hebben, en hij heeft bovendien de bescherming van het Haagse Hof, althans, zo lang als dat duurt. In 1690 vindt men het daar welletjes. Zijn Haagse patroons dwingen hem tot een verzoening met de Amsterdamse burgemeesters. De Hooghe schuift de schuld op Walten (die in de Gevangenpoort zelfmoord pleegt) en hij wordt verder gevrijwaard van vervolging, maar zijn reputatie ligt voorgoed in scherven, alhoewel zijn carrière blijft bloeien.

Het boek is een bewerking van Van Nierops Engelse monografie The Life of Romeyn de Hooghe 1645-1708, maar niet een ‘gepopulariseerde’: het blijft vooral een gedegen analyse van het politieke prentwerk, en omdat die platen in dit boek niet al te groot konden worden afgebeeld (de auteur verwijst de belangstellende daarvoor naar de website van het Rijksmuseum) is dat wel eens stroeve kost. Twee dingen maken dit echter tot een buitengewoon interessant boek. Ten eerste bieden leven en werk van Romeyn de Hooghe uitzicht op eigenlijk alle aspecten van de late zeventiende eeuw – kunst, politiek, economie, religie, cultuur. Ten tweede is dit een beeld van die late zeventiende eeuw als een volledig moderne maatschappij, waarin strijdende partijen een mediaoorlog ontketenen die er niet om liegt. De vrijheid van de pen en de drukpers zijn in die jaren al een hoog goed, maar ze zijn ook uiterst riskant – sommige van de beschuldigingen aan De Hooghe’s adres hadden tot de doodstraf kunnen leiden. Gal, gif en inkt spatten in het rond, de achterbaksheid en doortraptheid zijn van een verbijsterende grofheid. De vuilsmijterij in Washington, deze dagen, is hierbij vergeleken kinderspel.