Louis Lehmann, surrealist: 19 augustus 1920 - 23 december 2012

De perfecte amateur

Lange tijd publiceerde de dichter Louis Lehmann, die afgelopen zondag op 92-jarige leeftijd overleed, geen letter omdat hij eerst erkend wilde worden als archeoloog. Nu is er een website over zijn leven en werk. In augustus sprak De Groene Amsterdammer naar aanleiding hiervan met de vrouw met wie hij al 52 jaar het leven deelt, Alida Beekhuis.

Medium lehmannjb1

Louis lehmann was er zelf niet bij toen begin deze zomer officieel zijn website werd gelanceerd. De 92-jarige dichter wist wel beter. Hij had dit soort gelegenheden vaker bij de hand gehad: hijzelf als stralend middelpunt op rolstoelhoogte, terwijl iedereen om hem heen geanimeerd over zijn hoofd heen babbelde. Maar trots was hij wel. Dat kon zijn echtgenote Alida Beekhuis de aanwezigen in het Amsterdamse cbk, waar voor de gelegenheid een kleine Lehmann-expositie was ingericht, verzekeren. Drie pianistes speelden er enkele van zijn composities, zoals de opvallend zorgeloze Psychoanalysis Blues, er hingen tekeningen, linoleumsnedes, collages… en Lehmanns neef, de acteur Hugo Koolschijn, reciteerde er gedichten: ‘’s Nachts/ Smelt de steen/ In mijn hoofd/ En stroomt/ Over het kussen/ Als teer.’

Een paar weken later zit Alida Beekhuis op haar balkon hoog boven een Amsterdamse gracht, een glaasje witte wijn in de hand. Ze kan tevreden terugkijken op het project. Twaalf jaar geleden had de Groningse dichter Bart F.M. Droog een beginnetje gemaakt, een bescheiden site over Lehmanns poëzie; inmiddels is louislehmann.nl onder de hoede genomen van uitgeverij De Bezige Bij en met steun van het Prins Bernhard Cultuurfonds uitgegroeid tot een compact en overzichtelijk archief – een klein digitaal museum, zou je in navolging van dat van Hella Haasse kunnen zeggen. Een plek waar in ieder geval zijn veelkantig talent aan bod komt. Want als iets al bleek op de presentatie in het Centrum voor Beeldende Kunst: Louis Th. Lehmann (Rotterdam, 1920) is niet onder één hoedje te vangen.

Radiopraatjes bij de vpro over allerlei soorten, vaak exotische muziek, eigen composities, zijn beeldend werk, maar ook een uitgebreide bibliografie: zijn poëzie, proza, essays. De veelkantigheid van Lehmann past een beetje bij de school waar hij zich bij thuis voelde, of die hem op z’n minst amuseerde: het surrealisme. Hij was erdoor gegrepen door een tentoonstelling die hij in 1938 in Amsterdam bezocht, in galerie Robert – hij was er speciaal voor op de fiets uit Rotterdam gekomen. Die Expositie Surrealisten Amsterdam bleek later voor veel van zijn kunstvrienden een markeerpunt te zijn geweest. In de oorlog experimenteerden ze ermee in het tijdschrift De Schoone Zakdoek: surrealisme naar inhoud, surrealisme naar vorm. ‘De blikjes/ onder de lekken/ zeggen: Pak, pek, peung.’ Zijn grote vriend, de fotograaf Emile van Moerkerken, was bij het tijdschrift betrokken, evenals de dichters Theo van Baaren, Cees Buddingh’, Gertrude Pape en Chris J. van Geel.

Veel kunstdisciplines naast elkaar – op de site spreken ze over Lehmann zelfs als homo universalis – wat niet wil zeggen dat er voor hem geen hiërarchie bestond. Die zag hij wel degelijk. Muziek stond bovenaan; daarna kwam dans, dan een hele tijd niets; daarna de beeldende kunst en ergens onderaan bungelde de literatuur. Op de hbs had hij zijn zinnen gezet op schilderen, maar op het schilderen van wat? Zelf beweert hij graag dat het daarop stuk­gelopen is, op het gebrek aan een onderwerp: hij kon niks verzinnen.

Bij een wederzijdse vriendin ontmoetten ze elkaar. Voorjaar 1960. Alida Beekhuis 26, een struise, Friese lerares aardrijkskunde – Louis Lehmann, bijna veertig, student archeologie, dwarskop, vrijbuiter, solist… Hij was net terug uit Griekenland, had daar muziek van meegenomen, zij was er kortelings ook geweest – boven de pick-up vonden ze elkaar. Er volgde een afspraakje bij hem thuis, aan de Herengracht. Hij had Grieks gekookt, de kaarsen brandden, er was retsina. Louis Lehmann pakte zijn gitaar en begon te zingen. ‘In het Zweeds’, zegt ze. ‘Ja, Zweedse liedjes – tot mijn stomme verbazing. Toen was ik echt een beetje verloren, hoor.’

Het was het totaal oorspronkelijke en het eigenzinnige van deze man waartegen ze, naar eigen zeggen, geen verweer had. En dat is onveranderd gebleven, zegt ze: ‘Ik ken niemand die alles zo op zijn eigen kompas heeft gedaan als Louis.’ Hij was naar Amsterdam gekomen om via een studie klassieke talen door te stromen naar archeologie; verdiende zijn geld met het vertalen en vooral met het recenseren van boeken die hij vervolgens weer naar antiquariaat Schuhmacher bracht. Veel had hij ook niet nodig. Hij woonde in panden die op de nominatie stonden afgebroken te worden, zo verhuisde hij voor de stadsvernieuwing uit. Weinig comfort voor lage huurtjes. Alida Beekhuis herinnert zich ook nog goed zijn volgende huis aan de Amstel, op nummer 9 (nu opgeslokt door het stadhuis): een enorme zolderruimte van een voormalige hoedenfabriek, met daarin zijn spullen, of liever gezegd: zijn gebrek aan spullen. Een bed, een piano, een bureau en een lange waslijn dwars door de ruimte met al zijn kleren eraan. O, en een oude kruiwagen. Die had hij de trappen op gesleept voor in de houtkachel, maar het ding zat zo lekker. Benen over de tremen. Dat vond het bezoek blijkbaar ook – de beroemde Roland Holst had er al meermalen de billen in laten zakken. De kruiwagen staat nu in het Letterkundig Museum.

Vader en moeder Beekhuis, degelijke, conformistische mensen (‘Leeuwarden 1880, zeg ik altijd’) waren ‘not amused’, dat laat zich raden. Die hadden voor hun Alida een andere partij in gedachten. ‘Maar Louis was op dat gebied wel wat gewend’, zegt ze. ‘De ouders van zijn vorige vriendin hadden hem zelfs geprobeerd weg te kopen; een baan aan te bieden in Zuid-Amerika. Zo ver zijn mijn ouders niet gegaan.’

Wat niet op de site te vinden is, is een twintig minuten durende aflevering van kro’s Cahier 2 uit 1967, gemaakt door Hans Keller. K. Schippers en Bernlef interviewen hun oudere kunstbroeder Lehmann, op de eerder genoemde zolder aan de Amstel. Voor het mogen plaatsen van de aflevering vroeg de kro honderd euro per minuut, en zo ver reikt het budget nog niet. En dat is jammer omdat het fragment op verschillende manieren illustratief is. Ten eerste voor de ongrijpbaarheid van Lehmann, die zich eigenlijk niet laat interviewen, opstaat, wegloopt, weigert voor te lezen en in plaats daarvan liever uitweidt over de kwaliteiten van zijn oude theepot. Hij had bij het ontvangen van de Jan Campertprijs – de aanleiding voor het interview – het gedichtje Twee hexameters gemaakt: ‘Nu ik voor ’t eerst een litteraire prijs heb gekregen/ koop ik misschien een nieuwe aluminium theepot.’ Maar de oude voldoet nog prima, dat toont hij ons kijkers uitgebreid.

‘De dingen die ik over mezelf vertel/ gedragen zich als feiten’, schreef hij in de bekroonde bundel Luxe. Wat dat betreft waren de mannen gewaarschuwd. Waarom zijn achterhoofd op de achterflap staat en niet zijn gezicht, willen ze weten. ‘Dan lijkt het of de bundel nog moet komen, of je ernaar uitkijkt’, legt Lehmann uit. ‘Nee, je kijkt terug, hij ís er al.’ En dan ontstaat er even animositeit als K. Schippers de studie Placing the Pot Beaker van Lehmann oppakt en vraagt wat hij toch met graven en archeologie heeft.

‘Dat is mijn vak’, zegt Lehmann afgemeten.

‘En je prefereert dat boven de poëzie?’

‘Zeer.’

‘Zeer? Waarom doe je het dan niet alleen?’

De geïnterviewde schiet daarop overeind, loopt weg, de knijptang van zich af werpend waarmee hij een tijdje heeft zitten hannesen.

De twee raakten hier een gevoelige snaar. Waardering voor zijn dichterschap deed Lehmann niet zo veel. Dichten was geen verdienste, vond hij. Dichten was geen vak. Zorg dat je iets kúnt voor je debuteert, dat had hij de zestien­jarige Erik Bindervoet – leerling van Alida Beekhuis – ook al op het hart gedrukt. Zelf was hij dus eerst en vooral archeoloog, maar ongelukkigerwijs helaas zagen zijn collega-archeologen dat anders. ‘Eigenlijk zat hij aan twee kanten klem’, zegt Alida Beekhuis. ‘De manier waarop hij over poëzie sprak stootte veel dichters tegen de borst – die legden dat uit als arrogant, terwijl in zijn eigen vakgebied zijn wetenschappelijke ambities werden weggewoven. “U wilt toch niet echt die onderzoeksbaan?” kreeg hij dan te horen. Of: “U overweegt toch niet echt les te willen geven aan studenten? U bent Dichter.” Hoogleraren lieten hun bundel door hem signeren en dat was dat.’

Die oorspronkelijkheid die Alida Beekhuis zo in hem roemde, was er een tegen wil en dank. Hij was een man die zijn huis nooit zonder stropdas verliet, die maatschappelijk geaccepteerd wilde worden. Zonder zich daarbij overigens af te vragen of zo’n positie inderdaad bij hem zou passen. Toen een baan in Lelystad zou kunnen afketsen op het feit dat hij geen rijbewijs had, vertelt Beekhuis, overwoog hij de aanschaf van een speedboot. Hij was misschien niet altijd in alles even… realistisch, wil ze maar zeggen.

Maar hoog zát het hem wel, zoveel was duidelijk. Het bracht hem ertoe dertig jaar lang geen dichtregel te publiceren, noch toe te staan dat er ook iets van zijn oude werk in bloem­lezingen verscheen. Komrij’s Nederlandse Poëzie springt in de eerste drukken dan ook van Joke van Leeuwen over naar Jacob van Lennep. Nee, hij schreef voor tijdschriften als Mariner’s Mirror (na de opgraving van een Romeins schip in de Betuwe in 1978 koos hij voor de scheeps­archeologie); hij hield lezingen, vaak in het buitenland; kreeg een Europese reisbeurs waarmee hij archieven en bibliotheken afreisde en promoveerde in 1995, op 75-jarige leeftijd. Eindelijk de erkenning van de wetenschappelijke wereld waar hij zo naar had gesnakt. En daarmee was de ban gebroken – een dag na de promotie stond hij op de stoep van uitgeverij De Bezige Bij. Er was weer ruimte voor de díchter Lehmann. En toen Hanneke Groenteman in haar programma De Plantage een paar jaar later de bundel Gedichten 1939-1989 omhoog hield en opmerkte dat er voor haar gast meer bestond dan poëzie alleen, glimlachte die gast breed en zei: ‘Zeker, ik heb zelfs een vak.’ De angel was eruit.

Dat er aan Lehmanns dertigjarige ­poëziestilte geen writer’s block ten grondslag lag, iets wat veel collega-dichters dachten – misschien zelfs een beetje hoopten – bleek nog eens toen Alida Beekhuis in 2005-2009 zijn appartement uitruimde. Na een leven lang ‘latten’ was hij bij haar ingetrokken. Zijn spullen in zijn oude huis aan de Amsterdamse Koestraat interesseerden hem niet meer, misschien op wat boeken na – ze mocht door alles heen struinen. Het werd een kleine expeditie. ‘Hij deed nooit iets in opdracht’, zegt ze, ‘zoals hij ook tegen elke vorm van planning was. Hij maakte iets in een opwelling, hield ermee op als hij er geen zin meer in had, legde het weg, vergat het…’ Ze vond tegen de vierhonderd gedichten, oude tekeningen, collages, partituren; ze vond doorslagvelletjes met vijftienduizend niet-bestaande woorden. Ze zijn door de Nederlandse Academie voor Patafysica, waar tegenwoordig de laatste surrealisten zijn te vinden, bloedig overgetikt en als Kort Verslag van de Gebeurtenissen uitgegeven.

Een deel van de ‘Koestraat-vondsten’ is door De Bezige Bij in 2008 gebundeld en kreeg van Lehmann de toepasselijke titel Laden ledigen mee. (In 2010 volgde nog eens de gedichtenbundel Schoon Schip). De opgedoken partituren zijn sindsdien nog herhaaldelijk gespeeld, onder anderen door componist/pianist Guus Janssen. Diens complimenten – en niet te vergeten die van Reinbert de Leeuw – deden de maker blozen tot in zijn hals: muziek was voor hem immers de hoogste kunst. Al stak Janssen weer niet onder stoelen of banken dat hij iemand met zulke onorthodoxe akkoorden en overgangen niet snel tot het compositieklasje op het conservatorium zou hebben toegelaten. ‘Ja, wat had Louis…’ zegt Alida Beekhuis, ‘hooguit een paar jaar pianoles als kind. Wat dat betreft was hij in alles de perfecte amateur. Behalve’ – komt er dan snel achteraan – ‘in de archeologie natuurlijk.’

Inmiddels zit Louis Lehmann al een tijdje in een verpleeghuis, op loopafstand van hun gezamenlijke appartement – Alida bezoekt hem dagelijks. De foto’s en filmpjes die ze gemaakt heeft van de website-presentatie laat ze hem op haar iPad zien, zoals ze hem van alle ontwikkelingen buiten op de hoogte houdt. De zorgen van de verpleging laat hij geduldig en goedmoedig over zich heenkomen, evenals de buien van medebewoners. In een tehuis ervoor kreeg hij van een van hen een bloempot naar het hoofd. ‘Het enige wat hij deed’, aldus Alida Beekhuis, ‘was dit: de aarde van zijn pullover vegen. Nee, hij kijkt met vrolijke verbazing naar de mensen om hem heen. Hij amuséért zich. Dat zal zijn surrealistische inslag zijn. Een mallemolen, noemt hij het er. En het hart is goed, hij heeft de wil om te leven – eet zes boterhammen per dag. Louis komt uit een zeemansgeslacht, hè.’

‘Papier/ uit reisbureaux/ geeft mooie groene vlammen.’ Aan het samen reizen heeft Alida Beekhuis de mooiste herinneringen, omdat het voor haar appelleert aan wat hen vanaf het begin, vanaf de eerste ontmoeting, bond: hun grenzeloze nieuwsgierigheid.

In 2000 zijn ze getrouwd. Ter bestendiging van wat er al veertig jaar was, maar ook met een praktisch kantje. De laatste jaren had Louis Lehmann een paar keer een black-out gehad – twee keer was hij daarbij ten val gekomen. Mocht er echt iets misgaan, besloten ze, dan moest Alida zijn zaken kunnen behartigen. Ze togen naar hun respectieve geboortesteden, Rotterdam en Leeuwarden, voor de benodigde papieren; er volgde een korte plechtigheid op het Stadhuis – ‘u heeft met klem verzocht: geen speech’, sprak de ambtenaar spijtig – en daarna ging het op een holletje met de getuigen naar het belendende café.

Alida Beekhuis kijkt vanaf haar balkon in de toppen van de iepen aan de gracht. De vraag is of ze zich herkent in het type ‘schrijversvrouw’. ‘Voor mij is het altijd belangrijk geweest dat ik een eigen leven had’, zegt ze. ‘Werk, vrienden, op een gegeven moment had ik zelfs een bescheiden bridgecarrière – Louis is een man bij wie je anders gemakkelijk ondersneeuwt, dat gevaar zag ik wel. Maar ik ben er niet ingetuind.’

Eén keer in al die 52 jaar is het uit geweest. Meteen al in het begin. ‘Ik dacht: onze werelden zijn zo verschillend, zo losgezongen van elkaar, misschien moet ik me die worsteling maar besparen. Ik had het wel eens vaker met een jongen uitgemaakt, maar wat er nu gebeurde verbaasde mezélf: ik wist niet dat ik zo verdrietig zou zijn. Tot een goeie vriendin van me zei: “Ga toch terug naar die man. Het zal misschien niet altijd makkelijk zijn, maar je zult je nooit vervelen.” Zulke adviezen moet je hebben. Ze heeft helemaal gelijk gehad.’


www.louislehmann.nl (coördinatie en concept Frank Esselink, beheer De Bezige Bij)