Zuid-Afrika op zoek naar een toekomst

De perfecte pass

Clint Eastwoods film Invictus werkt als politieke film over de vreedzame machtswisseling in Zuid-Afrika en als portret van Nelson Mandela. Maar het biedt vooral ook een fascinerende inkijk in de ziel van de Afrikaner, en zijn onuitwisbare liefde voor rugby.

Ik loop warm onder een helblauwe hemel op een ijzige winterochtend op het Highveld, de rijp op het keiharde, gele gras als speldenprikken op de zolen van mijn blote voeten. De vezels van het door het herhaaldelijk wassen stug geworden rugbyshirtje in de kleuren groen en goud schrapen tegen mijn nek en rug. Ik stop, pak een bal van de grond en laat die mijn handen soepel verlaten, als een torpedo spinnend door de ijle lucht naar het doel, mijn flyhalf, die hem vangt en snel naar de middenvelder naast hem passt en die weer naar de vleugelspeler naast hem. En ik sta een paar seconden lang stil en in balans, nagenietend van de extase die voortvloeit uit mijn perfecte rugbypass.
Vreemd wat je je allemaal wel niet herinnert als je niet alleen geestelijk verhuist, simpelweg doordat je ouder wordt en dus het land van je jeugd nooit meer kunt bezoeken, maar ook lichamelijk immigreert, dat wil zeggen: het land van je verleden inruilen voor het land van het hier en nu en van morgen. Wat je je herinnert is dus niet datgene wat je zou verwachten, de grote incidenten en figuren en artefacten zoals mensen of plaatsen of kunstuitingen of literatuur of cinema, maar juist banale dingen, zoals een strip die je bij een obscure winkel kocht, of een bibliotheekboek, de kleur en geur van een specifiek bibliotheekboek, of het meisje dat je voor het eerst kuste. Of het gevoel van een rugbybal in je handen, en dus ook die ene rugbywedstrijd aan het einde van je championship season.
Ik ben twaalf jaar oud. Het is 1978. En kampioen worden we op deze ijskoude middag in hartje winter, een dag waarop de zon fel schijnt en de strakke hemel geschilderd lijkt en het kleine rugbystadion in het dorpje bij Johannesburg, waar ik opgroei en waar de grote finale plaatsvindt, volgepakt zit.
De wedstrijd begint. In de eerste minuut tackle ik mijn directe tegenstander, gedreven door een ongecontroleerd gevoel van vastberadenheid dat ik nooit eerder heb gevoeld en dat ik sindsdien nooit ben vergeten. Want op het moment dat die jongen, die later ironisch genoeg juist een goede vriend zou worden, door mijn tackle hard op zijn rug buiten het speelveld terechtkomt en blijft liggen, weet ik het: dit is wat ervoor nodig is, dit gaan we winnen.
Rust. In de catacomben staat een man te huilen. Meneer Jooste. Wiskundeonderwijzer. Rugbycoach. De tranen stromen over zijn wangen. Later realiseer ik me dat ik weet waarom hij was volgeschoten. Dit is geen spel meer; dit is serieus, een gebeurtenis met een diepere betekenis. Ook Jooste voelt het, de ernst en het zelfvertrouwen waarmee zijn jongens spelen, waardoor zij, wij, veertig minuten lang, de eerste helft, boven zichzelf zijn uitgestegen. We hebben vriend en vijand verrast door het veel sterker geachte rugbyteam van een school op het platteland, dat bestaat uit goed gevoede, gespierde boerenzonen, hard aan te pakken en eigenlijk wel van het veld te spelen, waardoor we op de winst afstevenen en daarmee ook op het regionale kampioenschap.
Niemand had dat gedacht. Zeker meester Jooste niet. We hebben hem geïnspireerd. Daarom staat de harde man met de dikke ogen, gekleed zoals altijd in een beige safaripak en lichtbruine schoenen van het merk Grashopper, te huilen als zijn bezwete kaalvoetseuntjies van basisschool Noordhoek van het veld komen om bij te komen en stukjes sinaasappel in de kleedkamer te eten.

Het is rust. De stand: 9-6. De tribunes van het rugbyheiligdom Ellispark, een imposant stadion in de buurt van Hillbrow, Johannesburg, lijken op en neer te bewegen, als de borstkas van een levend wezen, door de opwinding van 72.000 toeschouwers. In de kleedkamer ergens diep in de ingewanden van het beest eten de kapot gestreden spelers van het nationale rugbyteam, de Springbokke, stukjes sinaasappel. Hoe dit tot een goed einde te brengen? Nog één helft, veertig minuten, misschien verlenging. Wat gaat er door hun hoofd? Praktische zaken, strategie. Verdedigingspatronen. Dat vooral. Hoe die reus in het zwart te stoppen, Jonah Lomu, die magistrale vleugelspeler van de tegenstanders, de All Blacks uit Nieuw-Zeeland. Aan James Small, zijn directe tegenstander bij de Springbokken, de taak de breker Lomu te neutraliseren, om hem zoals het heet ‘uit de wedstrijd te tackelen’. Ik weet het niet zeker, maar omdat ik hem zelf al had ontmoet en had geïnterviewd en toentertijd dus een beetje kende, kan ik mij niet anders voorstellen dan dat James Small zijn rol in het verdere wedstrijdverloop zou hebben bejegend met een mix van gespeelde bravoure en humor. En dus ook met flink wat 'bra’s’ en 'china’s’ en 'ouks’ en 'fok dit’ en 'fok dat’, op z'n Johannesburgs dus.
Small laat Lomu in de hele tweede helft en in de verlenging inderdaad niet één keer passeren - uniek in het hele toernooi en inmiddels een sportlegende op zichzelf. Tegen het einde van de wedstrijd komt de verlossing: flyhalf Joel Stransky krijgt de volmaakte pass van scrumhalf Joost van der Westhuizen en beklinkt de overwinning met een beeldschone dropgoal waarbij de bal eindeloos de hemel in lijkt te zeilen, precies tussen de palen door, zodat de eindstand op 15-12 voor de Zuid-Afrikanen komt te staan. Wereldkampioen! Het stadion explodeert, mensen gaan de straten op, alle bevolkingsgroepen vieren samen feest.
Op het gras gebaart aanvoerder François Pienaar zijn spelers in een kringetje te gaan staan, en ten aanschouwen van de wereld gaan de vijftien op hun knieën om te bidden. Een paar seconden maar. Want hij wacht: de Verlosser. Mandela. Gekleed in het shirt van de oude vijand, in het Groen-en-Goud (zoals het Springbok-shirt heet). En hij overhandigt de beker aan Pienaar. Een volk is opeens verenigd, misschien wel voor het eerst in de geschiedenis van Zuid-Afrika.

Al deze dingen worden meesterlijk in beeld gebracht in Clint Eastwoods Invictus, een film die op verschillende vlakken werkt, onder meer als politieke film, over de magie van Mandela en het wonderwerk van de vreedzame machtswisseling, als sportfilm, en als typische Eastwood-film, met als motieven de mogelijkheid tot verlossing en inspiratie terwijl de dood onvermijdelijk nadert.
Maar het werk biedt vooral ook een inkijk in de ziel van de Afrikaner en zijn onuitwisbare liefde voor rugby. De grote triomf van Eastwood is dat hij dit thema weet te koppelen aan zijn eigen obsessies. Hierbij is het essentieel aan te tekenen dat de relatie tussen Mandela (Morgan Freeman) en Pienaar (Matt Damon) dient te worden gelezen als een spiegelbeeld van die tussen de oude oorlogsveteraan Walt (Eastwood) en de Hmongese tiener Thao (Bee Vang) in Eastwoods vorige film, Gran Torino (2008). Met andere woorden: de naderende dood brengt nieuwe inzichten met zich mee; een toekomst is slechts mogelijk door de lessen van het verleden ter harte te nemen; en in het reine komen met het verleden kan alleen maar door vergiffenis en verzoening.
Deze eastwoodiaanse thematiek (zie ook Unforgiven en Million Dollar Baby) blijkt naadloos van toepassing op de recente Zuid-Afrikaanse geschiedenis en komt vervolgens beeldschoon tot uiting in Invictus. En geen beter bewijs hiervan dan de scène waarin de Springbokken een bezoek aan Mandela’s cel op Robbeneiland brengen. De camera blijft bij Pienaar/Damon in de cel van Mandela. Terwijl hij daar alleen staat, realiseert hij zich wat voor hel dat moest zijn geweest: al die jaren in die piepkleine ruimte. Er is geen tekst in deze scène, waardoor interpretatie legitiem is, zoals dat Pienaar wellicht op dat moment denkt: wat moet je ervoor doen om je menselijkheid te behouden in deze omstandigheden? Dan doet Pienaar de traliedeur van de cel op slot. En wordt hij Mandela. Hij neemt zijn identiteit aan, net als Mandela later op Ellispark de identiteit van Pienaar (en dus ook van het hele Afrikanervolk) zal aannemen door zijn rugbyshirt, met het nummer 6 erop, aan te doen. Vervolgens is de camera buiten, waar Mandela en zijn medegevangenen dwangarbeid moesten verrichten door stenen te hakken. Weer is Pienaars perspectief gelijk aan dat van ons. En we zien: de jonge Mandela aan het werk. Deze scènes hebben een bescheiden karakter waardoor ze cinematografisch groots zijn: ingetogen, poëtisch, adembenemend, met muziek zoals altijd geschreven door Eastwood zelf.
Vanaf dit moment is alles anders. Pienaar, geïnspireerd door het lijden van Mandela in het verleden, is vastberaden het WK te winnen en zo de toekomst van zijn land te beïnvloeden. Zijn plan, of het plan van de trainer, draait om harde verdediging en een ijzersterke lichamelijke conditionering. En voor alles: discipline en zelfrespect en medemenselijkheid, net als Mandela op Robbeneiland. En het resultaat komt er: een land verenigd.

Inmiddels zijn we vijftien jaar verder en hebben de Springbokken nog een WK gewonnen, dat van 1997 in Frankrijk. En groeit het rugby in Zuid-Afrika als zelden in de geschiedenis. Ook op provinciaal vlak behoren de Zuid-Afrikanen inmiddels tot de beste teams van de wereld. De Blue Bulls, een team uit Pretoria, hebben vorig jaar de Super 14 gewonnen, een toernooi waaraan de beste regionale teams uit Zuid-Afrika, Nieuw-Zeeland en Australië deelnemen en waarin volgens de meeste kenners de beste kwaliteit rugby van de wereld wordt gespeeld.
Waar de Zuid-Afrikanen op de kruin van de rugbygolf rijden, daar lijken ze evenwel steeds dieper weg te zakken als het gaat om het almaar wijkende idee van de 'regenboognatie’. De pijnlijke herinnering aan het verleden en de moeizame aanpassing aan de nieuwe realiteit is het grote thema van met name de witte Afrikaners. Van het optimisme onder deze etnische groep over de toekomst na de vrijlating van Mandela en het winnen van het WK van 1995 is weinig meer over. De redenen hiervoor zijn complex, maar in feite komt het neer op cultureel identiteitsverlies door de machtsovername van het anc en ontgoocheling over de groeiende misdaadcijfers, de dagelijkse confrontatie met onuitsprekelijke geweldsincidenten, waarbij het thema wraak vaak opduikt, en de kennelijk steeds verslechterende dienstverlening waardoor men het idee heeft constant op het randje van de afgrond te leven. Al deze dingen leiden ertoe dat de Afrikaners steeds vaker teruggrijpen op beelden uit het verleden om een houvast te vinden in het onzekere heden.
Voor hen - de circa drie miljoen leden van de witte stam van Afrika waar ook ik bij hoorde totdat ik het Afrikaans sinds enige jaren heb ingeruild voor het Nederlands als enige schrijftaal - is cultuur essentieel. Maar cultuur was in de geschiedenis van de Afrikaners nog altijd een middel om nationalisme aan te wakkeren en om macht te verkrijgen en te behouden. Naast de taal, literatuur dus, vormden godsdienst en politiek de pijlers van het Afrikaner-nationalisme. En sport, rugby. Voor deze groep is rugby als literatuur of kunst, iets waaruit je plezier en inspiratie put. Maar tegelijkertijd bepaalt die liefde voor rugby vooral ook het lidmaatschap van de culturele of etnische groep. Over voetbal schrijft Eric Hobsbawm: 'De gedroomde gemeenschap van miljoenen mensen wordt meer echt wanneer zij wordt gerepresenteerd door elf bij de naam genoemde spelers. Het individu, dat misschien alleen maar aanmoedigt, wordt dan een symbool van de natie.’ Hetzelfde geldt voor rugby in Zuid-Afrika. Wie of wat het volk ook is, alles wordt duidelijk wanneer de Bulls of de Springbokken op een zaterdagmiddag op het veld verschijnen.

Ik loop warm, maar het heeft geen zin. Ik voel de hamstring trekken, als een warm mes in mijn vlees. Ik zeg niets. Ik ga het veld op. Ik maak een paar tackles. Onze vleugelspeler sprint door een gat in de verdediging. Ik volg hem. Het mes in de achterkant van mijn been zakt dieper weg. Ik ben naast hem; de doellijn wenkt. Ik zie de witte streep op het dikke, groene gras. De pass komt, ik heb de bal… en word meteen getackeld. Ik blijf liggen. Ik kan niet lopen. De hamstring voelt doorgesneden.
Meer dan dertig jaar nadat ik in Afrika kampioen werd sta ik in Nederland aan de kant te kijken hoe de andere spelers, allemaal veel jonger dan ik, in een vriendenteam van de Alkmaarse rugbyclub de wedstrijd voltooien.
Ik mis het. En dat betekent ook iets, en misschien niet zozeer dat ik lid wil zijn van een groep. Maar meer dit: de meeste Zuid-Afrikaanse rugbysupporters zijn ervan overtuigd dat zij het 'recht’ hebben altijd het beste en mooiste soort rugby van de hele wereld te spelen. Dat is niet star, dat is romantisch en idealistisch.
En juist dit idee verspreidt zich nu steeds verder in de Zuid-Afrikaanse maatschappij, zoveel dat 'Afrikaner’ eigenlijk niets meer betekent en dat zijn exclusieve band met het rugby ook doorgesneden is. De Blue Bulls van Pretoria, de huidige kampioen van de Super 14, hebben namelijk dankzij het succes een enorme aanhang gekregen. Deze groei, zo blijkt uit een recent onderzoek, vindt juist onder de zwarte bevolking plaats. Oasis, het financieringsbedrijf van de Bulls, wordt in de Zuid-Afrikaanse media triomfantelijk als een 'zwart bedrijf’ bestempeld. Ook heeft een peiling uit 2009 uitgewezen dat 52 procent van de Bulls-supporters 'zwart of bruin’ is.
Deze ontwikkelingen tonen in werkelijkheid aan dat het multiculturele fundament, in 1995 gelegd door Mandela, nog altijd bestaat. De uitdaging lijkt nu om de instinctmatige neiging van de witten naar herinnering, naar de goede oude tijden, te laten voor wat die is, of ooit was geweest, en iets nieuws te maken.
Iets nieuws.
Ik speelde na het hamstringincident nooit meer een wedstrijd. Inmiddels begeleid ik mini-rugbyertjes op de club in Alkmaar. Ik ben meneer Jooste. En dat verbaast me.
En altijd op de achtergrond: Mandela. Misschien hebben we allemaal iets van Mandela in ons, want wat is Mandela, Madiba of stamvader, anders dan onze coach? Iemand die ons laat zien hoe we kunnen, moeten, leven? Hoe we de volmaakte pass moeten geven: doelgericht, accuraat, nooit een millimeter van de koers afwijkend. De stamvader als het morele kompas - dat is de grote inspiratie, het grote voorbeeld dat zijn leven ons geeft, en dat is ook precies wat Eastwood ons laat zien in Invictus: een man die jarenlang strijdt tegen haat en vervolgens zelf een leven van dapperheid en vastberadenheid en stijl en generositeit leidt. Madiba. Leider. Rugbyer.