Creatieve rariteiten

De perken te buiten

Net even anders dan anderen tegen de wereld aankijken, iedereen op het verkeerde been zetten, oplossingen aandragen voor schijnbaar onoplosbare problemen. Van Columbus tot Newton tot Vincent van Gogh: ze dachten allemaal out of the box.

Waarom steekt een kip de straat over? Het gewone antwoord: om de overkant te bereiken. Maar als je leuk uit de hoek wil komen moet je volgens Henry Ernest Dudeney (1857-1930) antwoorden: om chauffeurs de stuipen op het lijf te jagen. Hij bedacht ook het raadsel waarop Snip en Snap in de jaren vijftig en zestig een geweldig komische act baseerden (‘het is niet mijn broer…’). Een man kijkt naar een portret aan de wand en zegt tegen een bezoeker: het is familie van me, ik heb geen broers en zussen en de vader van die man is de zoon van mijn vader. Wie is die man? Antwoord: ik ben het zelf.

Twee voorbeelden van een manier van denken die het denken zelf van een nieuwe dimensie voorzien, die uitnodigen buiten het normale denkkader te gaan staan. Klassiek is natuurlijk het apocriefe verhaal over Columbus die tijdens een diner door een medegast wordt beledigd. Die reis naar Amerika, beweert deze man, daar was helemaal niks aan, dat had iedereen gekund. Hierop daagt Columbus de aanwezigen uit een gekookt ei recht op de tafel te laten staan. Iedereen doet vergeefse pogingen het ei rechtop te zetten, ook die arrogante medegast. Daarop zet Columbus het ei op de tafel, drukt de onderkant plat en het blijft staan. Niks aan inderdaad, maar je moet het wel even weten. En wat te denken van het eveneens apocriefe verhaal over Alexander de Grote die de tot dan toe onontwarbare Gordiaanse knoop met een slag van zijn zwaard aan stukken hakt: nu is hij ontward.

Voorbeelden van creatief denken: net even anders dan anderen tegen de wereld aankijken, iedereen op het verkeerde been zetten, oplossingen aandragen voor op het eerste gezicht onoplosbare problemen. Buiten bestaande kaders gaan: out of the box-denken heet het tegenwoordig. Als je deze woorden in Google intikt krijg je tientallen bedrijfs- en management­cursussen aangeboden om ‘je creativiteit beter te leren inzetten’, ‘om een betere en frissere kijk’ te krijgen op de gang van zaken en minder ‘barrières te zien bij verandersuggesties’. Intermediair Trainingen biedt een tweedaagse cursus aan voor 1830 euro.

Mooi is dat dezelfde Henry Dudeney van hierboven de bedenker is van hét voorbeeld van letterlijk out of the box-denken. Je komt de tekeningen overal tegen. In figuur 1 staan negen punten. Opdracht: verbind de punten met elkaar zonder de pen van het papier te halen door middel van vier rechte lijnstukken, en iedere punt mag maar één keer voorkomen. Alleen figuur 2 biedt de oplossing: je moet letterlijk buiten de kaders van de probleemstelling gaan, dan zie je de oplossing.

Edward de Bono (1933) stelde in Praktisch denken (1972) de op zich al inventieve vraag hoe ‘ons denken’ in het dagelijks leven verloopt. Hij zette duizend testpersonen de volgende proefopstelling voor. Op een witte tafel staat een grote zwarte cilinder. Er komt verder niemand in de buurt van de tafel en afgezien van de cilinder, die daar stokstijf in z’n eentje staat, is de tafel leeg. Ongeveer twintig minuten gaan voorbij. Opeens, geheel onverwacht, valt de cilinder met een luide klap om. Hoe komt het? Er is niemand in de buurt geweest. Zo te zien is er niets gebeurd. Er was niets te horen behalve de klap van de vallende cilinder. Iedereen krijgt tien minuten de tijd om een verklaring te bedenken en die op een kaart te schrijven en je mag de cilinder niet nader onderzoeken.

Vervolgens inventariseerde De Bono alle vaak verrassende en creatieve verklaringen van de deelnemers en kwam tot vijf denksystemen. In het eerste gaven de deelnemers alleen een beschrijving: ‘Hij viel’, of ‘hij kwam van een verticale in een horizontale stand terecht’. In het tweede gebruikten zij allerlei ‘griesmeel­woorden’ (de term is van vertaalster Anneke Brassinga): ‘Een apparaat erbinnen verstoorde het evenwicht’, ‘het zwarte ding bevatte een mechanisme om het te laten omvallen’. Het derde type gaf een precieze naam aan wat er gebeurde: ‘Oorzaak is elektrische stroom’, ‘een of ander magisch proces’, ‘oorzaak is zwaartekracht’. Het vierde beschreef hoe het allemaal werkte: ‘Het zwaartepunt verschoof’, ‘hij viel omdat hij topzwaar werd’. Het vijfde gaf volledige details van wat er gebeurde: ‘De cilinder was instabiel, maar zat vast aan de tafel met een kleefstof die na verloop van tijd losliet’, ‘iemand schopte tegen de tafel zonder dat ik het zag’.

Opvallend was de grote verscheidenheid en inventiviteit aan oplossingen, vaak leverden de proefpersonen er ook nog fraaie tekeningen bij. De Bono laat zien dat de vierde en de vijfde soort verklaringen de meeste details geven, al hoeft dat volgens hem geen voordeel te zijn, bij sommige verklaringen ligt de onzin er huizenhoog bovenop. Hij vindt dit type ‘wetenschappelijk’ georiënteerde verklaringen overigens niet ‘beter’ dan de eerste drie.

In het dagelijks leven denken we bij praktische problemen meestal niet aan oorzaak-en-gevolg-relaties of aan chemische processen (waarvan we de details toch niet kennen). Denken werkt in de praktijk nu eenmaal anders. Als we een ei koken staan we niet te peinzen over wat er allemaal gebeurt binnen de schaal van het ei en welke chemische processen hierbij een rol spelen (‘het albumine gaat tot stolling over boven honderd graden Celsius’). We geven een heel ander soort verklaring, die weliswaar minder ‘wetenschappelijk’ is dan het vierde en het vijfde type verklaring, maar die we volstrekt aanvaardbaar vinden. Je moet als je een ei wilt koken water in een pan doen, een ei er voorzichtig inleggen als het water gaat borrelen en het er ongeveer drie minuten later weer uithalen.

Uitermate vermakelijk in dit boek zijn de krankzinnige en inventieve verklaringen die de proefpersonen af en toe bedenken. De mooiste is wel de man die zich voorstelde dat zich in de cilinder een geruisloze mechanische opwindmuis bevond met zuignappen onder zijn pootjes die omhoog klom zodat de cilinder topzwaar werd en omviel.

De Bono maakt een treffende opmerking over de detaillering van wetenschappelijke verklaringen voor natuurverschijnselen. Als ze nu maar gedetailleerd genoeg zijn, dan lijken ze aannemelijk en geloven we ze ook nog. Met deze retorische truc is in het verleden (en nu nog) heel wat onzin aan de man gebracht. In de Middeleeuwen gold bijvoorbeeld de schepping van leven uit dode stof als een volstrekt aannemelijke verklaring van het ontstaan van leven. Allerlei gedetailleerde en plausibel klinkende beschrijvingen van de gang van zaken deden de ronde, die pas voorgoed weerlegd werden toen Anthony van Leeuwenhoek (1632-1723) als een out of the box denker pur sang de gang van zaken bij de voortplanting van luizen zichtbaar maakte, en ook nog gedurfde beschrijvingen van de paring bij luizen erbij leverde.

Astrologie probeerde haar bestaansgrond eveneens via een uitermate ingenieus, consistent en gedetailleerd out of the box-beschrijvings­systeem over de relatie tussen de stand der planeten en mensenlevens te waarborgen. Juist de detaillering was de grote kracht van dit systeem. Het is goed mogelijk om de hoofdaanname van astrologie te betwijfelen, zoals Simon Vestdijk deed, maar tegelijkertijd de schoonheid en de inventiviteit van de berekeningen en interpretatiekunde die ermee verbonden zijn toch te bewonderen en ermee in romankunst aan de slag te gaan. De karakters van de personages in Vestdijks De kellner en de levenden (1949) zijn bijvoorbeeld allemaal gerelateerd aan hun horoscoop.

Heel wat als betrouwbare en creatieve wetenschap aan de man gebrachte theorieën kennen we nu niet meer. Descartes vergiste zich op natuurwetenschappelijk gebied vrijwel constant: zijn theorieën over bijvoorbeeld bloedsomloop en over magnetisme zijn later moeiteloos weerlegd, hoe inventief en creatief ze ook waren, niemand heeft het er meer over. Maar zijn opvatting over de twee substanties waaruit ‘de mens’ bestaat, lichaam en ziel, speelt in filosofische debatten nog vaak genoeg een grote rol. Het ironische is dat Descartes zelf van deze theorie geen hoge pet op had, hij vond het binnen zijn werk iets bijkomstigs, zelf zag hij veel meer in zijn nu achterhaalde natuurwetenschappelijke werk.

Je hebt in de loop der tijd verschillende denkers en wetenschappers gehad die zich naast hun geslaagde en alom geprezen wetenschappelijke werk bezighielden met nu geheel achterhaalde en soms bizarre out of the box-opvattingen. Bekend is dat Newton zich uitvoerig bezighield met alchemie en bijbeluitleg, hij was vast overtuigd van het bestaan van Atlantis. Zelf vond hij zijn alchemistische werk belangrijker dan zijn theorie over de zwaartekracht.

Jean Jacques Rousseau maakte in Europa naam met een aantal gedurfde essays over de inrichting van de staat en de opvoeding van de jeugd. Maar hij gokte op heel wat meer paarden. Zo was hij een verwoed botanicus, al leverde hij op dit gebied geen serieus te nemen bijdragen. Uitermate amusant zijn zijn minder bekende pogingen een nieuw muziekschrift te ontwerpen. Toen hij nog geen gevierd salongeleerde was, probeerde hij op alle mogelijke manieren aan de slag te komen. Hij gaf bijvoorbeeld muziekles aan rijkeluiskinderen, maar slaagde er zelf nauwelijks in zich het muziekschrift eigen te maken. Het wilde maar niet lukken. In zijn zeer leesbare autobiografie Confessions (1782) schrijft hij hier behoorlijk verongelijkt en daardoor des te vermakelijker over. Kenmerkend voor zijn zelfopvatting is dat hij zijn onbegrip niet toeschreef aan zijn eigen domheid of onwil of luiheid maar aan de ingewikkeldheid van het notenschrift zelf. En dus hield hij zich jarenlang hardnekkig bezig met het ontwerp van een ‘nieuw systeem’. Wanneer je er voorbeelden van ziet, rijzen je haren je te berge, maar Rousseau was ervan overtuigd goud in handen te hebben, hij wist zeker dat hij schatrijk zou worden wanneer iedereen zijn notenschrift zou overnemen.

Op het gebied van creatieve rariteiten gooit ook de Zwitserse taalwetenschapper Ferdinand de Saussure (1857-1913) hoge ogen. Hij geldt nog steeds als de voorloper van de moderne taalwetenschap. Volgens hem moet je taal op twee manieren beschrijven: als langue_,_ een gestructureerd systeem van taaltekens dat voor iedereen dezelfde betekenis heeft, en als parole_,_ dat uit de concrete taaluitingen van individuen bestaat. Hij is ook de grondlegger van het structuralisme en de semiotiek, nog steeds belangrijke richtingen van de taal- en literatuur­wetenschap. Je kunt een studie op deze gebieden niet beginnen zonder zijn naam te noemen. Na zijn dood ontdekte men in zijn nalatenschap een forse stapel schriften waarin hij een ‘onderzoek’ noteerde naar ‘verborgen betekenissen’ in Romeinse inscripties.

Volgens hem bevatten die inscripties vaak verwijzingen, meestal in de vorm van anagrammen, naar goden en godinnen of naar in ongenade gevallen politieke figuren die de schrijvers langs deze weg wilden eren. Hij gaf er een hele rij ingenieuze maar vooral vergezochte voorbeelden van. De opwinding hierover was in Frankrijk in de jaren zeventig onder semiotici en lacaniaanse psychoanalytici bijzonder groot. Was dit dan eindelijk een aanwijzing voor het bestaan van ‘onbewuste teksten’? Had De Saussure een nieuwe, spectaculaire wetenschap ontdekt die hij verborgen had gehouden omdat ze te subversief was? De wetenschap van gecodeerde of anagrammatische of anderszins verborgen betekenissen?

Jean Starobinski schreef er in Les mots sous les mots (1971) een studie over waarin hij De Saussure’s bevindingen zo serieus mogelijk weergaf, maar toch ook kritische kanttekeningen maakte. Nu maakt men zich er hoofdzakelijk vrolijk over. De Saussure zag gewoon wat hij graag wilde zien, wat op zich interessant genoeg is en misschien zelfs een van de uitgangspunten is van out of the box-denken: proberen te zien wat je graag wilt zien. Op internet wordt De Saussure’s ‘theorie’ tegenwoordig in verband gebracht met die van andere pseudo-geleerden en paranoïde zieners die overal verborgen boodschappen van overleden grootheden (Elvis leeft!) of buitenaardse wezens menen te ontwaren.

Het is met out of the box-denken net als met verveling. Als je je verveelt weet je dat pas achteraf. Want zodra je tijdens momenten van verveling beseft dat je je verveelt, verveel je je niet meer. Iets beseffen is een vorm van iets doen en als je iets doet verveel je je niet. Hopelijk ben ik nu nog te volgen. Wie via een cursus of een inleiding probeert zich de principes van het out of the box-denken eigen te maken, dient steeds deze paradox in het oog te houden. Als je denkt dat je bezig bent creatief te denken, of dat je het leert, dan doe je het al niet meer omdat je juist dan niet creatief denkt maar er alleen op metaniveau aan denkt. Je kunt pas achteraf weten dat je buiten een of ander kader hebt gedacht. Veel creatieve geesten houden helaas hardnekkig vast aan het tragische idee dat je, als je nu maar genoeg denkt aan creativiteit, daadwerkelijk tot iets creatiefs komt. Zij geloven in het aan Descartes ontleende idee dat je eerst moet denken voordat je iets kunt doen. Zij dreigen het beslissende en paradoxale uitgangspunt van het denken buiten kaders uit het oog te verliezen. Je kunt het pas als je niet weet dat je ermee bezig bent.

Maar daarom is het nog niet nodig om de moed op te geven om ooit een beslissend werk te maken dat alle perken te buiten gaat. Alles kan ineens anders zijn, zonder dat je het zelf in de gaten hebt. Van tevoren kun je dit niet weten, alleen een vermoeden ervan is mogelijk. Alleen al het verlangen ernaar kan je op de been houden. Vincent van Gogh besloot niet op een dag de kaders van de schilderkunst van zijn tijd te doorbreken, zo van: laat ik nu eens iets heel anders gaan doen. Integendeel, hij wilde het liefst net zo schilderen als de anderen, de academici en de leermeesters, zijn brieven getuigen ervan. Omdat dit steeds mislukte – hij had moeite met het schilderen naar de natuur, hij wilde wel maar kon het gewoonweg niet – maakte hij uiteindelijk van zijn verlangen een daad en van de nood een deugd en creëerde hij, tegen zijn eigen opvattingen in, zijn verbluffende en onbehoorlijk vitale visie op landschap en mens.

En wat te denken van de piepjonge dichter Herman Gorter die op een avond in een rokerige studentenkamer tot stomme verbazing van de aanwezige dichters zijn fabuleuze gedicht Mei in één ruk voorlas. Men was in tranen. Zo kon het dus ook, zo buiten al het bestaande dichten, buiten alle oevers treden. Zelf vermoedde hij wel dat hij iets bijzonders had gemaakt, maar hij wist het niet echt, het was niet meer dan een vermoeden_,_ hij ging ervan uit dat iedereen een gedicht wilde schrijven zoals hij in een storm van creativiteit en jongensgeluk geschreven had. Hij was verbaasd over de verbazing en bewondering die hem ten deel viel.

En neem niet eens zoveel jaren eerder de mislukte ambtenaar Douwes Dekker die op een dag op een zolderkamertje in Brussel besloot ook echte documenten in zijn roman op te nemen en er zelfs sprookjes en rare verhalen bij te voegen. Hij was de eerste schrijver die dit deed en dat boek werd het verbluffende Max Havelaar. Hij bedacht niet van tevoren: allez, ik ga nu eens een boek schrijven dat alle perken van schrijven te buiten gaat. Een dergelijke gedachte is iets voor nepschrijvers. Hij zette zich aan het schrijven, meer was het niet, en bedacht tijdens het schrijven en niet van tevoren dat hij net zo goed het pak documenten dat hij uit Indië had meegenomen in zijn roman zou kunnen verwerken. Dat ik daar niet eerder aan dacht, dacht hij.