Een boer maakt met dochter en knecht de eerste stukken Noordoostpolder geschikt voor groenteteelt. 1941 © Eva Besnyö / MAI

Doede had het wel tegen de dokter gezegd. De dokter had geantwoord dat zij die het hardop uitspreken het nooit daadwerkelijk doen.

Doede Mulder werd in 1882 geboren in Hindeloopen, het pittoreske Friese kuststadje aan wat nu het IJsselmeer heet, maar toen de Zuiderzee. Doede Mulder was de oom van Tine Nieuwland-Mulder. Pas na lang aarzelen begint ze over hem te praten. Tine is een hartelijke, welbespraakte dame, maar nu hapert ze. Eerst begrijp ik niet waarom.

Tine is geboren in 1944, twaalf jaar na de voltooiing van de Afsluitdijk. De 32 kilometer lange dijk transformeerde de onstuimige Zuiderzee enerzijds in het stille IJsselmeer, het grootste zoetwatermeer van West-Europa, en anderzijds in het strakke Flevoland, de grootste polder van de wereld.

En daar kom ik vandaan. Uit de Noordoostpolder om precies te zijn. Tine’s verleden eindigde waar onze toekomst begon.

Mijn grootvader Gerrit Vriend bemachtigde in 1952 een boerderij aan de rand van de polder, eigenlijk op het strand van de voormalige Zuiderzee. Hij noemde het bedrijf Spes Nostra, onze hoop. De naam pronkt nog altijd op een bord op de schuur. Hier werd ik in 1973 geboren. Als wij het thuis al over vroeger hadden, dan ging het over Abbekerk, het dorpje in Noord-Holland waar mijn grootouders vandaan kwamen. Ze spraken West-Fries, smulden van een ‘stik broôd met keis’.

Ik ben nieuwsgierig naar het verhaal van Tine omdat onze levenslijnen zo tegengesteld lopen. Als de pijlen op een tweerichtingsverkeersbord.

De polder waar ik groot werd, was te nieuw voor een geschiedenis. Er waren geen verhalen te vertellen.

Tine loopt over van vroeger. Ze werkt vrijwillig als stadsgids voor Museum Hindeloopen en tijdens de vele rondleidingen die ze geeft, verhaalt ze over de gloriejaren die Hindeloopen beleefde in de tijd van de Zuiderzee. Voor een kleine meerprijs verzorgt Tine de tours in de pronkdracht die de echtgenotes van de rijke grootschippers droegen in de zeventiende en achttiende eeuw.

Over haar oom Doede vertelt Tine tijdens de rondleidingen nooit.

In het museum staat ze graag stil bij een groot schilderij van het Paleis op de Dam. In de Gouden Eeuw trokken de Hindeloopers in het najaar naar de hoofdstad voor de jaarlijkse inkopen. De vrouwen kochten uit India geïmporteerd katoen voor hun klederdracht. Ze hielden van de bonte bloemenpatronen.

Na de bloeiende handelsperiode legde Hindeloopen zich in de negentiende eeuw toe op de Zuiderzeevisserij. De visserij bracht soms voorspoed, maar even vaak schrale jaren. Uit nood werd na een slecht visseizoen vaak klederdracht verkocht. De rok die Tine draagt, behoort nu toe aan de Folkloristische Zang- & Dansgroep Aald Hielpen. Het is de oudste klederdrachtgroep van Nederland, opgericht in 1912, toen steeds meer inwoners van de kleding af wilden.

Tine’s vader en zijn drie broers voeren met twee botters op de Zuiderzee. De hi48en de hi22. Van die laatste ligt nu een schaalmodel in het museum. Tine loopt er bijna dagelijks langs.

De dokter bij wie Doede Mulder zijn ziel had blootgelegd kreeg ongelijk.

Ik luister net niet met open mond naar Tine. Ik slorp haar anekdotes op. Ik laaf me aan de details. Die jurk weegt met toebehoren vier kilo. Het kostuum bestaat uit drie rokken, een omslagdoek, een geruit hoedje en een beugeltas, waarin het huishoudgeld zat. Tine’s zintuigelijke overdrijvingen neem ik voor lief. Ja, ik betrap mezelf op een lichtelijke jaloezie.

Welk verhaal kan ik vertellen?

Mijn middelbare school in Emmeloord heette het Professor Ter Veen Lyceum, naar de Amsterdamse hoogleraar die de strenge selectiecriteria voor de IJsselmeerpolders uitdacht. Niet iedereen mocht zomaar neerstrijken op de met veel belastinggeld in cultuur gebrachte zeebodem.

In 1942 beschreef Ter Veen in zijn boekwerkje De kolonisatiepolitiek in den Noordoostpolder de karaktereigenschappen van de ideale polderpionier: ‘Zelfvertrouwen, ondernemingslust, arbeidzaamheid, uithoudingsvermogen, sterke vitaliteit, nuchter rationalisme zijn psychische kenmerken van een typische kolonisatiebevolking. De geaardheid is, in tegenstelling met die van het moederland, sterk dynamisch.’

De polderbewoners werden geselecteerd op vernieuwingsdrang en competitiedrift. Iedere kandidaat kreeg twee selectieambtenaren op huisbezoek. Onaangekondigd. Je kreeg niet de kans je beter voor te doen dan je was. Voor lieden die in het verleden bleven hangen, was geen plek. Niet omzien naar waar je vandaan komt, alsjeblieft. Kijk vooruit. Voorbij de horizon.

Het was dus niet zo gek dat het historisch besef beperkt bleef in de polder van mijn jeugd. Cultuurwetenschapper Demelza van der Maas promoveerde op een onderzoek naar ‘erfgoed, identiteit en binding in de IJsselmeerpolders’. Zij schrijft in Verleden boven water dat het gebrek aan geschiedenis in de jaren negentig steeds meer als een gemis werd ervaren. ‘De zoektocht naar een historische identiteit begon een rol van betekenis te spelen in de lokale en regionale politiek.’

Die zoektocht verliep moeizaam. Van der Maas wijt het aan het pragmatische sociaal-politieke klimaat dat in de IJsselmeerpolders was ontstaan dankzij al die ijverige, hardwerkende ‘kolonisten’. Politici en beleidsmakers noemden de erfgoedinstellingen en musea al snel te elitair, te moeilijk, te ontoegankelijk. Zij vonden dat kunst en cultuur functioneel moesten zijn. De vraag ‘wat kost dat?’ lag altijd op de loer.

Ik herken de conclusies van Demelza van der Maas.

In diezelfde jaren negentig besloot ik, zeventien jaar oud, dat ik geschiedenis wilde studeren.

‘Moet je dan boeken lezen?’ vroeg een oom.

‘Dat lijkt me juist leuk’, antwoordde ik zachtjes.

Een kinderspeelplaats in Nagele, Noordoostpolder, 1958 © Spaarnestad Photo / ANP
De polderbewoners kregen niet de kans zich beter voor te doen dan ze waren. Voor lieden die in het verleden bleven hangen, was geen plek

Is het eigenlijk erg om als zeventienjarige zonder een duidelijk historisch besef de wereld in te stappen?

Lange tijd staarde ik naar het omslag van het handboek Denken over geschiedenis van het vak geschiedfilosofie, het struikelvak uit het tweede jaar van mijn studie geschiedenis. De achteruitkijkspiegel van een auto sierde de voorkant. Het was geschreven door professor Frank Ankersmit, die heerlijke, duizelingwekkende colleges gaf.

‘Een noodzakelijke voorwaarde voor ieder zinvol, doelgericht en verantwoord handelen is een min of meer correcte opvatting over wie of wat we zijn’, las ik op een van de laatste pagina’s. ‘De geschiedenis toont ons dat: onze identiteit is gelegen in onze eigen geschiedenis.’ Ankersmit haalt de Zwitserse geschiedfilosoof Hermann Lübbe aan. Volgens Lübbe dient geschiedbeoefening een belangrijk maatschappelijk nut. Historische kennis is een noodzakelijke voorwaarde voor een harmonieuze omgang tussen individuen en sociale groepen.

Ik herinner me dat ik het boek dichtsloeg. Opnieuw het geschitter van die achteruitkijkspiegel. Ik kan alleen veilig vooruit rijden als ik regelmatig een blik in de spiegel werp. Om mijn identiteit te begrijpen, moet ik mijn verleden kennen. Maar de polder waar ik vandaan kwam, kende toch nog geen geschiedenis?

Ik voelde me als een jong katje dat zijn eigen staart achterna rent. En dan misselijk omvalt.

De Noordoostpolder is zo jong dat hij een diepgewortelde, lokale traditie ontbeert die jaarlijks een populair dorpsfeest oplevert. Een feest dat mensen samenbrengt. Sinds 1996 wordt jaarlijks een poging ondernomen. Toen vonden lokale ondernemers dat er iets moest worden georganiseerd in Emmeloord, de centrale plaats, vanwege het tienjarige bestaan van de provincie Flevoland.

Het jaarlijkse Pieperfestival, in een weekend rond 9 september, de dag dat de Noordoostpolder in 1942 officieel droogviel, bestaat uit grote sportevenementen, optredens van bekende artiesten in een feesttent en een braderie. Jaarlijks hoogtepunt, het bindende element in al deze verschillende activiteiten: het gratis patat eten. Door heel Emmeloord verspreid staan lange rijen voor grote kramen. Eromheen zitten de mensen op de grond de zakken patat met grote klodders mayonaise leeg te eten.

Zelf voel ik er nog altijd weinig bij.

De regio speelt een steeds grotere rol in het leven van mensen, constateerde het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) in 2019 in een groot onderzoek. Respondenten werd gevraagd of ze zich meer verbonden voelen met ‘de regio waar u momenteel woont’ of met ‘Nederland’. Ruim een derde deel (36 procent) van de deelnemers verkoos de regio; dertien procent hield het bij alleen Nederland.

Het einde van elke reis is de weg terug. De Friese troubadour Piter Wilkens zingt het op zijn Fries. Complete feesttenten brullen met hem mee. ‘De ein fan elke reis is it paad werom…’ Processen van schaalvergroting en globalisering doen de mensen terugkeren naar het vertrouwde om de hoek. En daarmee worden bijvoorbeeld muzikanten uit de regio populairder. In theaters in het hele land treedt de Drentse muzikant Daniël Lohues op met liedjes vol regioliefde: ‘Bliekbar kom ik daor altied weer terecht…’

In Flevoland klinkt nauwelijks een eigen liedcultuur. Er zijn wel veel coverbandjes die in boerenschuren populaire hits naspelen. Van anderen. En in een onderzoek van I&O Research werd rapper en tv-persoonlijkheid Ali B als regionale held genoemd. Het is een begin.

Het opvallende is dat bewoners van de Randstad zich zelf minder verbonden voelen met hun regio, maar dat zij merken dat buitenstaanders hun woonplaats meer waarderen, zo constateert het scp. In de plattelandsprovincies is het precies andersom: een sterke band met de eigen regio, minder waardering van buitenaf.

Er is één uitzondering op deze bevinding, en dat is de provincie waar mijn wortelhaartjes in de zware kleigrond van de zeebodem een weg proberen te vinden. Flevoland. In de woorden van de onderzoekers: ‘Flevolanders ervaren weinig binding met én weinig waardering voor hun regio. Ze lijken zichzelf te beschouwen als “de kouwe kant”.’

Flevoland als de kille schoonzus naast wie niemand wil zitten op de familieverjaardag. Ook al deelt ze gratis patat uit.

Ik denk aan het verhaal van Tine uit Hindeloopen. Het was vroeger bij haar thuis armoedig. Na de voltooiing van de Afsluitdijk nam de visvangst in het IJsselmeer met 75 procent af. De totaalopbrengst van de Zuiderzeevisserij daalde met meer dan de helft. Haar vader en ooms waren economisch en sociaal vergroeid met de Zuiderzee. Nu belandden ze in de steun, verworden tot stuurloze vissers. Zonder kompas.

Ook dat laat Tine achterwege als gids in het lokale museum.

Als zij over vroeger praat, dan heeft ze het over het Hindeloopen van vóór de Afsluiting, realiseer ik me. Zelf heeft ze het zoute water nooit tegen het houten palenscherm in de haven horen klotsen. Zelf heeft ze nooit gezien hoe de Zuiderzee droogviel bij eb.

‘De gemeenschap bevestigt haar identiteit door het gezamenlijke verhaal steeds opnieuw aan elkaar te vertellen, als een steen die door vele handen gaat en alsmaar gladder wordt’, lees ik bij schrijfster Nelleke Noordervliet in Schatplicht. Bij Tine dreigt de steen van het verleden te glad te worden. De geschiedenis glipt uit haar handen. Gevoelens van nostalgie dringen zich op. Het verleden krijgt een laag vernis. Het zicht op de toekomst raakt vertroebeld. En dan kan het gevaarlijk worden. Ik ben de achteruitkijkspiegel van het handboek niet vergeten.

Hier moet de historicus zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen; de geschiedwetenschapper als ehbo’er. Voor een goed functionerende gemeenschap, waar mensen zich thuis voelen en geborgen weten, waar mensen zich voor willen inspannen, iets voor over hebben, daarvoor is een gezond historisch besef van wezenlijk belang, weet ik als dochter van Flevoland. Maar liefde voor de geschiedenis mag niet betekenen dat je erin blijft hangen, leer ik uit het verhaal van Tine, een dochter van de Zuiderzee.

Onze ervaringen zijn minder tegengesteld dan ze lijken, begrijp ik nu. Wij misten een verleden, zij verloren hun toekomst. Want dat is het verhaal dat Tine niet vertelt tijdens de rondleidingen-in-klederdracht.

Op 16 juli 1933 liep haar oom Doede Mulder, 51 jaar oud, vlak bij de haven van Hindeloopen, het IJsselmeer in. Om zijn middel had hij een streng lood van de visnetten gebonden. Hij overleed in het water waarvan hij had geleefd.

Op de basaltblokken onder aan de dijk lag zijn pet.

Eva Vriend is historicus en journalist en publiceerde onder andere Het nieuwe land: Het verhaal van een polder die perfect moest zijn (2014) en Eens ging de zee hier tekeer: Het verhaal van de Zuiderzee en haar kustbewoners (2020)

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Eva Vriend over het onderzoek dat zij deed in haar geboorteprovincie Flevoland.

Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen