Jan Hanlo

De Peter Pan van Deurne

20 januari 1999 - Jan Hanlo (1912 -1969) verzon de wonderlijkste titels voor zijn boeken, zoals ‘Mijn benul’, ‘Zonder geluk valt niemand van het dak’ of ‘Moelmer’ (Limburgs voor ‘praat maar’). Ook die van zijn biografie vloeide uit zijn pen: ‘Zo meen ik dat ook jij bent’. Auteur Hans Renders suggereert er affiniteit mee met zijn onderwerp; de dichtregel - want dat is het - sluit verwantschap in en misschien wel meer dan dat: verbondenheid tussen twee zielen. Daarom alleen al doet Renders veel van zijn boek verwachten.

Dat het geen gemakkelijke klus zou worden, zal Renders hebben geweten. Hanlo was een wispelturige en soms bizarre geest, maar niet bepaald een vrijmoedige; daarvoor drukte het katholieke geloof te zwaar op hem. Tevens was Hanlo een man met een grillige levenswandel. Uit zijn niet al te omvangrijke werk en de twee monumentale brievenboeken - in 1989 bij Van Oorschot gepubliceerd - die het oeuvre voortreffelijk aanvulden, komt hij naar voren als iemand die voortdurend op zoek is naar vriendschap en geborgenheid, maar die zich ook een buitenbeentje weet. Hij wil tegelijkertijd bij iedereen en bij niemand horen, zoekt voortdurend contact maar houdt, als dat eenmaal is gelegd steeds weer afstand. Zijn poëzie sluit aan bij die van de Vijftigers, zonder er mee samen te vallen; zijn proza heeft veel van het no-nonsensicale dat Barbarber enkele jaren later bracht. Zo schiep Hanlo zich in de marge van de belangrijkste stromingen uit de jaren vijftig en zestig een even eigen als eigenzinnig universum, waarin nauwelijks één gedicht op een ander lijkt omdat elk poëtisch schema wordt vermeden. Van het proza kun je hetzelfde zeggen, ook daarin zit veel variatie. Alleen al om die reden is Hanlo’s oeuvre voer voor enthousiaste lezers. MAAR NIET MINDER voor psychologen. Reeds jaren deden er geruchten de ronde over een pathologische moederbinding en een gestoorde verhouding met zijn vader. Er bestonden verhalen over zijn dwangmatige religiositeit, zijn niet-aflatende drankzucht en zijn psychische labiliteit, die hem zelfs in een inrichting deed belanden waar hij lange tijd verbleef. Berucht was Hanlo om zijn motorgekte. Die gold niet alleen de onvoorwaardelijke liefde voor het mobiel zelf, waarmee hij zich graag liet fotograferen in zijn huiskamer, de onderdelen om zich heen gegroepeerd, of op het Zandvoortse circuit, aan de start van een race, met helm op. De motor bevredigde al evenzeer zijn bijna maniakale fascinatie voor snelheid, een verslaving die hem uiteindelijk fataal werd; hij stierf aan de gevolgen van een verkeersongeluk. En dan was er het geworstel met zijn homoseksualiteit, of beter nog zijn pedofilie, waarvoor hij een enkele keer werd veroordeeld en waarover hij, min of meer verhuld, regelmatig heeft geschreven. Dat Hanlo een moeilijk, bij tijd en wijle zelfs getourmenteerd bestaan leidde, was dus allang geen nieuws meer, maar paradoxaal genoeg mondde dat leven wel uit in een vaak van speelsheid sprankelende literaire nalatenschap. Intrigerend wordt dan de vraag naar de samenhang tussen beide, hoe gecompliceerd die ook mag zijn. Want daar hoort het in een schrijversbiografie toch in laatste instantie om te gaan, om de relatie tussen leven én werk. Uit Renders’ vuistdikke biografie kan ik maar moeilijk opmaken of hij met dit probleem heeft geworsteld, al zal dat ongetwijfeld het geval zijn geweest. Toch heeft Renders zich zeer consciëntieus van zijn taak gekweten. Geen anekdote over Hanlo blijft onvermeld, geen snipper papier die met hem in verband kan worden gebracht, onbesproken. Alles heeft hij opgespoord: door Hanlo zelf en anderen geschreven kattebelletjes, notities, dagboekaantekeningen en brieven, rapporten, kritieken, krantenartikelen, essays en herinneringen, ja zelfs interviews in schoolkrantjes zijn doorgevlooid. Alle getuigenissen van Hanlo’s inmiddels eveneens overleden vrienden en kennissen heeft Renders van het archiefstof ontdaan en weer toegankelijk gemaakt en de nog levenden zijn stuk voor stuk opgezocht en geïnterviewd. De plattegrond van al Renders’ omzwervingen door Amsterdam is al even minutieus in kaart gebracht. Anno 1998 zoekt hij daar zelfs ‘het lichtgroen geschilderde zolderkamertje’ op in de Eerste Helmersstraat, waar Hanlo in 1944 een onderkomen vond bij een zekere Charley en moeder Bliemers. Beiden waren alcoholisten, komen we aan de weet, 'en konden het op dit punt goed met Hanlo vinden’. Waarna de mededeling volgt dat het optrekje 'van nog geen zes vierkante meter er nog precies zo bij’ lag als in het jaar dat Hanlo het huurde. EVEN MATELOOS als de nieuwsgierigheid voor de futiele feiten en gebeurtenissen uit Hanlo’s leven, is Renders’ inlevingsvermogen in het studieobject. Wanneer Hanlo op zijn vijftiende zijn geliefde Brabantse Deurne in het kielzog van zijn in het dorp alom gerespecteerde grootvader moet inruilen voor een onderkomen in Limburg, weet Renders wat er daarna in hem moet zijn omgegaan: 'En nu zat hij in Valkenburg te dromen van Deurne. Het is daarom niet zo verwonderlijk dat Jan in de tweede klas van het Bernardinus bleef zitten.’ Overal in het boek wemelt het van de veronderstellingen wat Hanlo 'zeker’ wel of niet dacht, deed en gedaan zou hebben, hoe hij zich gevoeld heeft - gewaardeerd, onbegrepen of verraden - en waarom hij zich gedreven door de omstandigheden wel eens 'een glaasje’ toestond en er regelmatig een te veel dronk. Van meet af aan ligt het accent in _Zo meen ik dat ook jij bent_ op Hanlo’s jeugdjaren, zoals de kindertijd sinds Freud wel vaker is beschouwd als de ultieme ervaring die een heel leven in de greep kreeg. Dat de biografie met Deurne start lijkt logisch, dat ze er vervolgens geen moment meer van loskomt veel minder. Renders’ kijk op Hanlo grijpt aan bij de problematische relatie tussen zijn ouders die, na een kort verblijf in Nederlands Indië, gescheiden van elkaar leefden. Bij afwezigheid van zijn vader neemt zijn grootvader de vaderrol op zich. Kennelijk te oud om zich nog werkelijk met zijn kleinzoon bezig te kunnen houden, overlaadt deze de knaap met geschenken om zijn landerige buien te bestrijden. 'Toen hij op pianoles ging, kocht Gropa een piano voor hem. Jan bleek kort daarop toch liever klarinetles te hebben, dus schaft Gropa een klarinet aan. Daarna ging Jan helemaal naar Eindhoven om vioolles bij meneer Liebergen te volgen. Natuurlijk werd er een kostbare viool aangeschaft. Dit ritueel herhaalde zich met flageolet, gitaar, ukelele, balalaika, tamboerijn en chromatische mondharmonica.’ Nog op een andere manier moet dit 'wispelturig, beschermd en bedorven jongetje’ zich een zondagskind hebben gevoeld. In de jaarlijkse Kindheidsprocessie op Allerkinderen - 28 december, de dag waarop de volwassenen voor één keer niet de baas in eigen huis zijn - werd hij ooit tot de Jezusrol geroepen en mocht hij het stralend middelpunt spelen in een kring met twaalf discipelen om zich heen. Op latere leeftijd zou hij regelmatig aan Jezuswanen lijden. En iedere nacht lag hij prinsheerlijk naast zijn moeder in bed, zoals een jongere nicht die er regelmatig logeerde weet te melden. Hanlo’s verering voor zijn Mai wordt door Renders breed uitgemeten en vormt samen met de geluks-oase Deurne de leidraad van zijn studie. DE EERSTE ALINEA van Renders’ werk geeft meteen het sjabloon voor het hele boek: 'Zijn persoonlijkheid weerspiegelde zich in zijn lichaamsbouw. In een medisch rapport dat werd opgesteld toen Hanlo op zijn vijfendertigste leeftijd in een psychologische kliniek verbleef, wordt hij omschreven als een bleke man met tenger gestel en een weinig ontwikkeld spierweefsel. In een rapport, dat geen melding maakt van zijn opvallend hoge stem, staat dat Hanlo beheerst werd door puberale gedachten, alcoholisch was, dat hij een moederfixatie had en homoseksuele neigingen vertoonde. “Waarschijnlijk geen coïtus en geen homosexuele misstappen”, zo wordt het rapport aarzelend afgesloten en: “misschien door moederfixatie en wat infantiele trekken toch nog meer interpretatiemogelijkheden”. Maar hoe het precies zat met die moederfixatie en die infantiele trekken, dat wisten de psychiaters ook niet. Daarvoor hadden ze onvoldoende kennis van Hanlo’s jeugdjaren.’ Renders weet meer en beter, blijkt zo'n honderd pagina’s verderop wanneer hij Hanlo’s verblijf in een psychiatrische inrichting in Heilo onder de aandacht brengt. Maar het is jammer genoeg allemaal meer van hetzelfde en de auteur komt er steeds opzichtiger door in de schaduw te staan. Jan Hanlo, evalueert hij, is inmiddels een onontkoombaar iemand geworden die hij niet wilde zijn, een 'volwassen man die in de kern een kind was gebleven, op jongens viel, de verantwoordelijkheid daarvoor trachtte te ontlopen door zich filosofische vragen over de vrije wil te stellen, en zichzelf niet toestond toe te geven aan zijn ware drijfveren omdat hij die in conflict met het katholieke geloof vond’. Daarna wordt de link met zijn schrijfwerk als volgt gelegd: 'Hoe minder hij met zijn pedofiele gevoelens overweg kon, hoe meer energie hij opbracht voor zijn dichterschap.’ DE RECHTVAARDIGING voor de vergaande psychologisering ontleent Renders ondermeer aan Peter Pan, or The Boy who would grow up van James Barrie. In dit toneelstuk komt een dialoog voor waarin Peter aan zijn lerares Mrs. Darling de vraag stelt: 'Moet ik snel een man zijn?’ Zij repliceert met: 'Heel gauw.’ Peter verduidelijkt dan: 'Ik wil niet naar school gaan en ernstige dingen leren. Niemand zal mij te pakken krijgen, mevrouw, en een man van mij maken. Ik wil altijd een kleine jongen blijven en plezier hebben.’ Zo komen leven en werk allebei terecht in de fuik van wat Renders in navolging van psychologen als Cleckley, Bensoussan en Porot het 'Peter Pan-syndroom’ noemt, de pathologische neiging om zich in zijn kind-zijn op te sluiten. Intussen wordt de in de auteur geïnteresseerde lezer het kind van de rekening. Enige bewegingsvrijheid is hem nauwelijks meer gegund. Over het specifieke en 'anders zijn’ van dat opmerkelijke oeuvre, waarin het schijnbaar onopvallende en belangeloze zo veel aandacht kreeg en waarvan Hanlo het proza niet voor niets de titel In een gewoon rijtuig (1966) meegaf, komt de lezer amper iets aan de weet. Elk gedicht, elk stukje proza van Hanlo voert vrijwel altijd rechtstreeks naar zijn levensloop. Het opvallendst gebeurt dat met het even beroemde als beruchte klankgedicht 'Oote’, dat in de traditie staat van Schwitters en Van Doesburg en dat zelfs ooit in de Eerste Kamer is besproken. Renders analyseert: 'Het is niet meer na te gaan welke kreten Hanlo in Heilo heeft geslaakt, maar dat hij bij het schrijven van Oote aan een ontwaking uit de ICT (het middel waarmee hij werd behandeld) heeft gedacht, is zeer waarschijnlijk. Zijn homo-erotische gevoelens vonden in de oerklanken van Oote een ontlading. (…) Zijn onderdrukte seksualiteit leidde tijdens de kuur tot een bevrijding die hij al zo lang nastreefde. Oote is als een orgasme. (…) Na het schrijven van Oote was het goeddeels met het schrijversschap van Hanlo gedaan.’ De reden daarvoor wordt vervolgens breedvoerig gedocumenteerd. Hanlo kwam in de jaren na zijn behandeling steeds openlijker uit voor zijn pedofiele neigingen, zodat hij zijn seksuele driften kennelijk niet meer in dichtwerk hoefde te sublimeren. HANLO HAD de grootste moeite om zijn werk gepubliceerd te krijgen. Hij stuurde zijn poëzie naar de meest uiteenlopende literaire tijdschriften, maar door de redacties van Criterium, Libertinage, Blurb of Braak zijn de gedichten regelmatig geretourneerd. In feite vond hij in geen van de literaire bladen een vast podium. Hoewel hij vernieuwend schreef, lukte het hem niet om aansluiting te krijgen bij de avant-garde. Wel gaf Simon Vinkenoog hem een plaats in zijn bloemlezing Atonaal (1951), maar uiteindelijk oordeelt hij Hanlo toch te zeer 'een particulier geval’. De andere Vijftigers keken eveneens met een zekere scepsis naar Hanlo’s pennevruchten. Met de komst van Barbarber, dat hem sympathiek was vanwege het onopgesmukt schrijven dat de redacteuren propageerden, brak een periode aan waarin Hanlo zich toelegde op kort proza. Bernlef en Schippers waardeerden vooral zijn intelligente werkwijze waarin intense aandacht is voor 'de kleinste bijzonderheden, maar zonder de beperking van nuttigheid’. Ten slotte liepen zij echter stuk op zijn eigengereidheid en zijn voortdurende gejeremieer over fout gezette letters, komma’s en punten. Dat is een rode draad door Hanlo’s hele schrijversbestaan: de 'grote angst om dood te gaan voordat een zetfout was rechtgezet’. Hanlo’s teksten, kun je daaruit misschien concluderen, waren alles bij elkaar zijn werkelijke kinderen. Elke verminking hen aangedaan was een onoverkomelijk onrecht jegens hem. Naar het eind toe waaiert het boek steeds meer uit in fragmenten biografica die nog nauwelijks enig causaal verband onderhouden met Hanlo’s literaire prestaties. Zelfs het Marokkaanse vriendje Mohamed uit zijn brievenboek Go to the Mosk (1971), wordt opgedoken om de laatste details uit het leven van Hanlo bij elkaar te krijgen. Ik weet het, het is een al vaak herhaald cliché, maar daarom nog niet minder waar: na de dood is een auteur zijn leven soms niet meer veilig.