Hoe lager de kwaliteit, hoe hoger de winst

De peuterindustrie

Door de zedenzaak bij het Hofnarretje besloot Ewoud Poerink, vader van een peuter en een baby, zich te verdiepen in het toezicht van de crèche van zijn kinderen. Hij ontdekte dat de ouderpositie slecht is geregeld. Dat is nou de marktwerking: de klant heeft het nakijken. Verslag van een ontgoochelde en boze vader.

Medium 02202075

Zondag 12 december 2010 – door de burgemeester, de hoofdofficier van justitie en de hoofdcommissaris van de politie is voor vanavond een persconferentie aangekondigd. Het gonst op het internet van de geruchten: het zou gaan om een zedenzaak op een crèche in de Amsterdamse wijk Watergraafsmeer. Wat een ziekmakend nieuws. De voorpagina van de ochtendkrant smijt een dag later meer nieuws in mijn gezicht. Het blijkt niet om een kinderdagverblijf in de Watergraafsmeer te gaan, maar in ons eigen stadsdeel, in Amsterdam-Zuid. Alles lijkt even stil te staan en ademloos lees ik verder. Het gaat om de Pijp. Ik hoop dat onze crèche er niets mee te maken heeft.

Wat lees ik: het Hofnarretje? Dat was onze eerste crèche, de crèche waar we ons zoontje na korte tijd af hebben gehaald. Nu, twee jaar later, beseffen we dat er veel meer aan de hand moet zijn geweest dan een rommelige sfeer en ongeïnteresseerd personeel. Alleen de incidenten die ertoe hebben geleid dat we ons kind hebben weggehaald staan in mijn geheugen gegrift. Het Hofnarretje had verschillende opvanglocaties. Is de dader ook op onze plek actief geweest?

In de dagen erna vraagt iedereen zich af hoe zoiets juist op een kinderdagverblijf kan gebeuren, zeker als uit ggd-rapporten valt op te maken dat er behoorlijk wat mis was bij het Hofnarretje. Jarenlang werd er niets ondernomen. Wat is het nut van al die rapporten? Werkt de handhaving wel?

Wout, de vader van het vriendinnetje van ons zoontje, kan me alles vertellen over de toestand in kinderopvangland. Hij is voorzitter van de oudercommissie op onze tweede crèche, en heeft zich diep ingegraven in dossiers, rapporten en wetgeving. De laatste maanden heeft hij zijn kennis over onze crèche met me gedeeld, en over de landelijke holding waar die onder valt, over nulurencontracten voor leidsters, managementbelangen en winstdeling. Hij weet hoe de ggd controleert, en wat de rol is van de gemeente en van buitenlandse private equity funds. Met toenemende verbazing neem ik alles in me op.

Zijn verhaal is, kort samengevat: de wettelijke verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de kwaliteit van de crèches ligt bij de gemeente; dat is, naast de subsidie, de enige inmenging van de overheid. De organisatie van de kinderopvang is helemaal overgelaten aan de vrije-marktwerking. Zo kan de crèche van onze zoon volledig eigendom zijn van een Amerikaans investeringsfonds; vier jaar eerder – ten tijde van onze inschrijving – was de crèche nog in handen van een Amsterdamse welzijnsorganisatie. Ook op onze crèche heeft de ggd inmiddels meermaals geconstateerd dat zaken niet op orde zijn: gebrekkige luchtkwaliteit, problemen met het aantal leidsters op een groep. De oudercommissie kan en mag slechts vrijblijvende adviezen uitbrengen. Je denkt van een slechte crèche naar een goede te gaan, maar komt bedrogen uit. En het vervelende is dat je als ouder in beide gevallen zo goed als machteloos staat, ook al weet je dat er iets niet klopt: je hebt geen keuze.

Geheel machteloos staan we toch niet. Een ingezonden brief aan Het Parool leidt tot een telefoontje van het NOS Journaal. Een paar dagen later opent het achtuurjournaal met het onderwerp falende handhaving, met daarin onze crèche als voorbeeld van hoe het niet zou moeten gaan. Maar daarmee is het probleem van de ouderpositie en falend toezicht nog lang niet opgelost. Ik besluit het uit te zoeken.

ggd-rapporten zijn erg ambtelijk geformuleerd, maar ze zijn eigenlijk de enige bron waarop de ouders kunnen vertrouwen en terugvallen om een dringend beroep te doen op de aanbieder en de overheid. Dat doen Wout en ik ieder op zijn eigen manier: hij voert een strijd als voorzitter van de oudercommissie van onze crèche, ik richt mijn pijlen op de tekortkomingen in een bredere context.

Het welzijn van onze kinderen onder crèchetijd ligt in handen van de aanbieder, de ggd en de gemeente. Als ouder ben ik klant en geen belangenbehartiger voor mijn kind, tenzij ik in de oudercommissie zitting neem om te adviseren of de zaak scherp te houden. Als ik twijfel aan de kwaliteit van de opvang kan ik beter naar een andere aanbieder gaan. Zo is althans de onderliggende gedachte van de Wet Kinderopvang. Dat is de marktwerking. Gezien onze eigen ervaringen met wachtlijsten is het idee van probleemloos overstappen zacht gezegd nogal onrealistisch. Bovendien, als je kind eenmaal op een bepaalde crèche zit, haal je het er om praktische en sociale redenen liever niet zomaar weg. Wat kun je dan nog doen als de kwaliteit van de crèche aantoonbaar onder de maat is?

Het toezicht op de kwaliteit van crèches verloopt over verschillende schijven en fases. Eerst is er de ggd. Deze overheidsdienst voert in opdracht van een gemeente inspecties uit op kinderdagverblijven. De ggd heeft zich de laatste jaren moeten invechten in een wild groeiende opvangmarkt. Vóór de introductie van de marktwerking, met de Wet Kinderopvang in 2005, was het aanbod in kinderopvang veel kleinschaliger en kende die nauwelijks winstdoelstellingen; overheid en opvang lagen dicht bij elkaar. Met de introductie van de marktwerking veranderde het werkveld van de ggd. En terwijl de opvangmarkt in korte tijd vier keer zo groot werd, bleef de inspectiecapaciteit van de ggd nagenoeg gelijk. Tot 2010 werden de inspecties op kinderdagverblijven vooraf aangekondigd bij de aanbieder. Makkelijker kun je het een aanbieder niet maken. Ondanks die vooraankondiging van inspecties, nota bene met meezending van de checklist, blijkt uit meerdere ggd-rapportages dat er op onze crèche, net als op vele andere locaties in het land, een en ander niet goed op orde is.

Als uit een inspectie blijkt dat ergens iets mis is, of zoals dat ambtelijk heet er ‘een verzoek tot handhaving ligt’, is het aan de lokale wethouder om een besluit te nemen. Wie die bestuurder is, wordt bepaald door de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen; je hebt daar als ouder dus eens in de vier jaar invloed op. De wethouder geeft het management van de betrokken crèche het signaal dat er iets moet gebeuren, al dan niet onder dreiging van sancties, waarop een ‘communicatietraject’ tussen ggd, aanbieder en gemeente van start gaat. Dit hele proces is voor de individuele ouder nauwelijks inzichtelijk. Er is een klachtencommissie, maar die kan geen bindende uitspraken doen. Je kunt weinig ondernemen als een crèche-aanbieder er niet op in wil gaan, zelfs niet als er negatieve ggd-rapporten liggen. Je moet als ouder ook niet al te lastig worden, want als ik de dagverse plaatsingsovereenkomst van mijn dochtertje erop nalees, zie ik inderdaad zwart op wit staan dat onze plek op de crèche zonder opgaaf van reden met een termijn van twee maanden eenzijdig door de aanbieder kan worden opgezegd. Je kunt van je crèche gedonderd worden om achter aan te sluiten in de rij wachtenden voor een andere crèche… Nou, laat ons dit plekje dan maar liever houden. Bovendien, de leidsters zijn lief voor ons eerste kind en hij is gewend aan zijn plek. Dus betalen wij conform het contract op basis van een uurtarief dat eenzijdig kan worden verhoogd, voor de complete openingsuren, die eenzijdig kunnen worden verruimd, voor drie opvangdagen gedurende 51 weken per jaar. Dat wij minder dan zeventig procent van de gefactureerde uren daadwerkelijk gebruiken, is voor de aanbieder niet relevant. Als ons dat niet bevalt, staat het ons vrij met een opzegtermijn van twee maanden ons contract te beëindigen.

Het afgelopen voorjaar is er op onze crèche gedonder geweest over een eenzijdige contractaanpassing. Onze crèche-aanbieder wilde in alle bestaande plaatsingscontracten de openingstijden verruimen, oftewel ongevraagd meer uren in rekening brengen. Dat werd ons per brief meegedeeld. Heel veel ouders tekenden bezwaar aan, aangemoedigd door de overkoepelende oudercommissie, waarop de aanbieder uiteindelijk besloot alleen voor nieuwe kinderen de ‘ruimere’ plaatsingscontracten te gebruiken. Die overkoepelende oudercommissie werd daarna opgeheven omdat ze niet wettelijk verplicht bleek. Toen deze discussie speelde, nam ik de telefoon ter hand om het bedrijf te vragen naar de motivatie van de aanpassing en of die, zoals de begeleidende brief stelde, inderdaad in het kader van een beter aanbod voor de klant viel. Een manager van het hoofdkantoor hield me blijkbaar voor een locatiemanager: of ik dan niet wist dat het de bedoeling was dat alle oude contracten gezuiverd moesten worden, zodat op alle locaties de nieuwe uitgangspunten golden? De doelstellingen moesten gehaald worden.

Er is op dat hoofdkantoor dus blijkbaar een gerichte operatie gaande om ons als ouders nog efficiënter financieel leeg te trekken. Dan moet er een blik juristen aan die contracten hebben zitten sleutelen. Nu ik het plaatsingscontract van mijn tweede kind in handen heb, leg ik dat naast dat van mijn eerste kind en ga op zoek naar de verschillen. De positie van de ouder is subtiel afgezwakt doordat de aanbieder zich allerlei eenzijdige bevoegdheden heeft toebedeeld. En ik zie dat voor mijn tweede kind meer uren per maand in rekening worden gebracht dan voor mijn eerste kind. Dat klopt natuurlijk niet, maar ik snap de bedrijfseconomische logica.

Wie heeft dit allemaal bedacht?

De nationale Wet Kinderopvang is het wettelijk kader waarbinnen de kinderopvang functioneert. De wet werd in 2005 door de Tweede Kamer goedgekeurd en is ontworpen om marktwerking in de kinderopvang mogelijk te maken. In deze wet is vastgelegd dat oudercommissies weliswaar verplicht zijn op elke crèche, maar ook dat ze slechts een adviserende rol hebben. Ouders zijn vooral klant en financier. Toezicht en handhaving zijn in handen van de overheid.

De leden van de Tweede Kamer kunnen niet alleen wetten goedkeuren, ze kunnen die ook veranderen. Daar richt ik mijn energie op, en ik schrijf een brief naar diverse Kamerleden. Het leidt tot een reeks verrassende ontmoetingen en nuttige gesprekken met Kamerleden en allerlei adviseurs. Voor ik er erg in heb, mag ik meedenken. In vier rondes van exact een uur zal de vaste Kamercommissie allerlei personen uit of rond de branche aanhoren en ondervragen. In de tweede gespreksronde zingt de hoogste baas van Catalpa, de eigenaar van onze crèche, ten overstaan van een volle Kamercommissie een lofzang op de marktwerking, en haar collega-aanbieders doen mooi mee als tweede stem. Drie maal stelt de voorzitter dezelfde vraag (‘Hoe is het met de positie van de ouder gesteld?’) en drie keer hoort zij hetzelfde antwoord (‘Prima’).

Na de opvangaanbieders zijn de oudervertegenwoordigers aan de beurt. Gjalt Jellesma, voorzitter van BOinK, de belangenorganisatie voor ouders in de kinderopvang en peuterspeelzalen, zet kort uiteen hoe pedagogische vernieuwingen alleen worden toegepast als dat financieel voordelig uitpakt. Die financiële prikkels leiden tot meer problemen: het komt steeds vaker voor dat de bedrijfsvoering enkel op het halen van het minimum gericht is, waardoor men er in de praktijk vaker onder komt. Hoe hoger de lat wordt gelegd, hoe lager de (financiële) winst. Bij de rol van de oudercommissie moet de Kamercommissie zich niet al te veel voorstellen. Een dergelijke commissie is weliswaar wettelijk verplicht op elk kinderdagverblijf maar kan nog geen deuk in een pakje boter slaan.

Ik wijs erop dat de nationale politiek de omstandigheden heeft laten ontstaan waardoor deze misstanden konden plaatsvinden. Het gaat om verantwoordelijkheden die niet genomen zijn, op alle vlakken. Wat mijn twee opvangaanbieders met elkaar delen, vervolg ik, is dat winstoptimalisatie hun belangrijkste drijfveer is en dat dat ten koste gaat van de kwaliteit van de opvang van een kind. Mijn grootste zorg is dat je als ouder niet meer op je overheid kunt vertrouwen, terwijl zij het mandaat heeft om tegen misstanden op te treden. Om aan te tonen hoe weinig keuzevrijheid een ouder contractueel gezien heeft, lees ik enkele paragrafen voor uit mijn contract. Het beeld is duidelijk: het is slikken of stikken. Mijn aanbevelingen volgen vrij vanzelfsprekend uit mijn betoog: versterk de positie van de ouder op alle mogelijke manieren en durf daarbij buiten de geijkte paden te denken. Want nu hebben we als ouders nog steeds geen invloed op onze kinderopvang, of dat nu gaat om kwaliteit, toezicht of keuzevrijheid.

Na afloop van de zittingen vragen Wout en ik ons af of het allemaal de moeite waard is geweest. We concluderen dat in het slechtste geval de problemen open en pijnlijk bloot op tafel zijn gelegd. Of Catalpa zijn bedrijfscultuur en strategie zal aanpassen, dat is nog maar de vraag. Wellicht gaat de Nederlandse directeur daar helemaal niet over, maar is dat aan het Amerikaanse Providence Equity. Je krijgt tenslotte toch wel een beetje invloed als je ergens vijfhonderd miljoen euro voor neerlegt. Hun gedrag kun je enkel inperken met landelijke regelgeving, anders verandert er niets.

Meer dan een half jaar is het circus nu al gaande. De Tweede Kamer heeft na de rondetafelgesprekken nog een sessie gewijd aan het dossier kinderopvang, maar helaas achter gesloten deuren. Minister Kamp zal met een inhoudelijke reactie op eerder gestelde vragen komen, wordt me verteld, maar pas nadat het Centraal Planbureau een langetermijnvisie heeft gepresenteerd, naar verwachting ergens na de zomer. Er zal dan een Algemeen Overleg plaatsvinden waarin de Kamerleden de minister ter verantwoording kunnen roepen. Tussen de Tweede Kamer en minister Kamp is een eindeloos kat-en-muisspel gaande, zonder dat duidelijk wordt wanneer er waarover een beslissing wordt genomen.

In Amsterdam gaat men voortvarender te werk. Er is een concreet actieplan opgesteld om alle aanbevelingen van de commissie-Gunning (die de context rond de Amsterdamse zedenzaak in den brede heeft onderzocht) uit te voeren. Alles wordt in stelling gebracht om een verbeterslag te realiseren. Ik hoor echter niets over plannen om ouders erbij te betrekken, behalve dat er een reeks bijeenkomsten zal worden georganiseerd waarin oudercommissies kunnen reageren op de gemeentelijke plannen.

Bij het Algemeen Overleg in de Tweede Kamer, november 2011, gebeurt er uiteindelijk nagenoeg niets. Ja, de financieringsconstructie van Catalpa (inmiddels omgedoopt in Estro) wordt verboden, maar niet met terugwerkende kracht. Zo komt het langverwachte Algemeen Overleg langzaam tot een einde en worden de hete hangijzers weer doorgeschoven naar komend voorjaar, zomer of misschien wel najaar. De minister hoopt dat de problemen vanzelf verdwijnen: de prijs die wij als samenleving daarvoor betalen is altijd kleiner dan de chaos die ontstaat als je het systeem moet veranderen. Als het ouders niet bevalt, kunnen ze weg. Mochten er desondanks grote problemen blijven bestaan, dan komen die bij de evaluatie van de Wet Kinderopvang vanzelf wel bovendrijven.

Anderhalf jaar na de zedenzaak zijn de verschillende vaste spelers in wisselende settings nog steeds eindeloos aan het overleggen en plannen aan het maken. In deze periode van achttien maanden heb ik partijen zien veranderen – of juist helemaal niet. Politiek Den Haag hobbelt meestal achter de realiteit aan en de politieke standpunten zijn voorspelbaar en brengen niet veel nieuws. Het probleem is dat niemand weet wat er wél moet gebeuren.

Mijn crèche-aanbieder is misschien nog het meest veranderd in houding en aanpak. Catalpa/Estro is in ieder geval erg druk bezig geweest zijn imago te herstellen. Dat moest het bedrijf ook wel. Maar ik moet nog zien of de woorden en goede voornemens ook tot concrete verbeteringen leiden. Wij zullen dat in ieder geval niet meer aan den lijve ondervinden, want we ruilen Estro over een paar weken in voor een andere crèche. Tot mijn verbazing en teleurstelling heb ik de grote coalitiegenoot van het begin – Gjalt Jellesma – zien veranderen in iemand die vernieuwing in de weg staat en mogelijke concurrenten – gemeente of ondernemers – zo snel mogelijk wil elimineren.

Ik mail het projectteam (waarin ik samen met een aantal ouders hardop mocht meedenken met de gemeente) dat ik het voor gezien houd, maar ik geef het nog wel twee adviezen mee: geef alle Amsterdamse oudercommissies een eigen mailadres in een slimme webomgeving, en doe iets met het advies van Louise Gunning om over een paar jaar opnieuw alle crèches langs haar meetlat te leggen.

Welke mogelijkheid heb ik verder nog om het punt te maken dat er veel meer ingezet moet worden op de ouder – en niet alleen op belangenclubs en aanbieders? Hoe minder verplichte en bureaucratische lagen tussen mij en mijn kind, hoe beter. Faciliteer de ouder! Hoe meer het geluid van de individuele ouder gehoord wordt, hoe beter. Uiteindelijk moeten we het als ouders inderdaad zelf doen. In de lijn van de commissie-Gunning: scherp blijven, kritisch zijn en je mond opentrekken als het ergens in het systeem niet klopt.

En misschien moet de marktwerking verder zijn werk inderdaad gaan doen. Leidt de marktwerking tot verdere ontevredenheid, dan biedt het Zweedse boekje dat Gunning me aanraadde het alternatief: na zeven magere jaren zullen dan eindelijk de vettere jaren voor ouders aanbreken. De aankomende bezuinigingen zullen de kinderopvang verder onder druk zetten, waardoor wachtlijsten krimpen of misschien zelfs verdwijnen. Alle aanbieders zullen dan hun best moeten gaan doen om klanten te houden. De gouden tijden voor aanbieders in de kinderopvang – waarbij als een aanbieder de deuren opendeed de kinderen vanzelf binnenstroomden – zijn door de bezuinigingen voorbij.


Ewoud Poerink schreef het boek De peuterindustrie: Wat is er mis met de kinderopvang in Nederland, dat deze week verschijnt bij Meulenhoff (256 blz., € 18,95)


Schuldenlast

Estro is met ruim zeshonderd vestigingen, verspreid over het hele land, de grootste kinderopvangorganisatie van Nederland. Het private equity gefinancierde bedrijf verkeert al lang in grote financiële problemen – in het afgelopen jaar zijn de schulden vertienvoudigd –, wat het bedrijf onder andere oplost door te bezuinigen op personeel. Dat de kwaliteit lijdt onder de schuldenlast wordt stellig ontkend door de zakelijk directeur van Estro. Tegenover NRC Handelsblad zei hij eind vorig jaar dat deze financieringsstructuur (veel schulden maken) ‘gangbaar is in de private equity-sector’. In een uitzending van het VPRO-radioprogramma Argos bleek vorige week dat de gemeente Amsterdam adviezen om enkele Estro-locaties te sluiten heeft genegeerd. Uit inspectierapporten van de GGD bleek dat van de 67 vestigingen in Amsterdam vijf kinderdagverblijven en drie andere voorzieningen niet aan de wettelijke voorwaarden voldeden. De Amsterdamse gemeenteraad debatteert deze week over de kwestie; waarom is het advies niet opgepakt en hoe zit het met de kwaliteit op de andere locaties?


Foto: Jiri Büller / HH