De pijn om zo te leven (1)

Oom Wanja t/m 9 april in het Amsterdamse theater de Brakke Grond. Daarna tournee.
Oom Wanja is een man van diep in de veertig. Hij beheert met zijn nicht Sonja een vervallen landgoed in de provincie. Ze werken hard, Sonja en Wanja. In hun gezelschap wonen Wanjas moeder Maria, de huishoudster Marina en de verlopen ex-grondbezitter Telegin. De opbrengst van het landgoed gaat al jaren naar Wanjas zwager, een professor in de kunstgeschiedenis.

Die is nu met pensioen en woont sinds kort met zijn veel jongere vrouw Jelena op het landgoed. De twee stadse mensen ontregelen het plattelandsleven compleet. Professor Serebrjakov is een nukkig mens, vol voorgewende kwalen. Jelena is mooi en verveelt zich. Dan is er nog de districtsarts Astrov. Hij kwam tot voor kort af en toe langs. Sinds Jelena op het landgoed woont is hij er bijna dagelijks. Hij brengt leven in de brouwerij. Hij zuipt als een tempelier. Sonja is in stilte verliefd op hem. Zijn werkelijke passie ligt bij bossen, bomen, everzwijnen, schoonheid en mooie vrouwen.
In het eerste bedrijf van Oom Wanja is de lont in dit provinciale kruitvat al enige tijd smeulend. Sonja houdt het niet meer uit wanneer Astrov in de buurt is. Wanja houdt het niet meer uit wanneer Jelena in de buurt is. Jelena voelt vlinders in haar buik wanneer Astrov in de buurt is. Astrov wordt door Jelena bedwelmd en weet niet wat hem overkomt. De overigen zien gespannen toe hoe de sfeer op het landgoed langzaam verzenuwt.
De wedstrijd van het stuk is die tussen ultieme frustratie en ultieme pijn. Geen van de personages is tevreden met het leven dat ze leiden. Iedereen wil ontsnappen, maar alle vluchtgangen zijn gebarricadeerd. De vier toeschouwers van de grote conflicten (de professor, de moeder, de huishoudster en de verlopen grondbezitter) hebben de zoektocht naar een uitgang allang opgegeven. Maar de vier centrale figuren (Wanja, Jelena, Astrov en Sonja) willen nog wel wat proberen. Wanja waant zich schreeuwend de evenknie van Schopenhauer. Sonja fantaseert zich in Astrov een liefhebbende man. Astrov hoopt ooit nog eens - vrijend tussen zijn versgeplante bomen - te vergeten dat een van zijn patienten tijdens de narcose overleed. En Jelena zou voor haar vroeg invallende midlife-crisis nog wel eens een keertje vreemd willen gaan. Het lukt geen van de vier hun wil te volgen. Ze ogen als slapstick-acteurs in gevecht met een draaideur of een roltrap. Hun gevecht is om te huilen, zo pijnlijk. Met een hulpeloos gebaar duiken ze voortdurend in het diepe. Ze gaan kopje onder of stoten zich fataal aan de betonnen bodem. Op het moment dat ze, happend naar adem of met bebloede koppen, weer boven komen drijven, schieten wij, de toeschouwers, in de lach. Wij hadden het immers zelf kunnen zijn. We zijn het eigenlijk ook. Maar wij zitten veilig in onze stoelen. De acteurs demonstreren de pijn om zo te leven.
Strijards voorstelling van Oom Wanja gaat over die pijn. Wanneer aan het eind van het stuk de personages als brokstukken van verwoeste levens het speelvlak een voor een schaamtevol verlaten, blijven Wanja en Sonja over. Tsjechov laat ze achter met zo ongeveer de ergste opdracht waarmee je een mens kan opzadelen: ze doen hun achterstallige administratie. Sonja verwoordt de schijn van berusting: Als onze tijd gekomen is, kunnen we aan de andere kant van het graf zeggen dat we geleden hebben, dat we een bitter leven hebben gehad. En dan zal God medelijden met ons krijgen.
Sonja graait in die slotscene van Strijards voorstelling wanhopig naar een onbereikbaar geworden rust. Marieke Heebink speelt de apotheose niet berustend. Ze kiest voor de pijn. De pijn die hoort bij het gevoel dat het verlangen naar rust, uitgesproken na zoveel zinloze ellende, na zoveel destructie, volkomen absurd is geworden. Het leven ervoor was immers te armoedig. We moeten door, mensen, sprak de drenkeling, voor hij in de draaikolk werd weggezogen.
Alleen al om die schrijnende slotscene is de voorstelling een eenzaam monument voor in de steek gelaten wilskracht. Maar er is meer. (Wordt vervolgd!)