De pijn om zo te leven (2)

De komende week te zien in Leiden (15 en 16 april) en in Gent (20 en 21 april)
Het centrale personage (de titelheld) van Tsjechovs Oom Wanja is in ieder geval niet Oom Wanja. De man heeft een hoop gezeur in zijn kleren hangen. Hij lost een paar pistoolschoten (allemaal mis). Verder is er niet zoveel. Rudolf Lucieer, de titelheld in Frans Strijards’ Wanja-regie, weet dat. Deze Wanja wil eigenlijk niet. Hij treuzelt. Dan drukt Lucieer hem een grijze ijsmuts op het hoofd.

Pas daarna wil hij zijn verhaal kwijt. In de loop van de vier bedrijven ontpelt Lucieer de woede van Wanja. Het mooie van zijn acteerprestatie is de kwetsbare argeloosheid ervan. Wanja ontploft en schrikt tegelijk. Die afwisseling van beweging en tegenbeweging - zelden een acteur zo dialectisch zien spelen - vindt haar apotheose in de slotscene van de voorstelling: nicht Sonja wil alle levenspijn uitschreeuwen, Lucieers Wanja vecht zich een ongeluk om die oerschreeuw te dempen. Hij heeft de kracht niet meer. Alles aan Lucieers Wanja overkomt hem, soms zonder dat hij het in de gaten lijkt te hebben. In zijn woede-uitbarsting over het landgoed verliest Wanja zich compleet in een simultaan uitgevoerde mishandeling van zijn moeder. Niemand luistert meer naar Wanja, iedereen kijkt alleen nog maar verbijsterd naar dat arme, breekbare dikke vrouwtje.
Het stuk had De dokter en het lelijke meisje kunnen heten, of Astrov en Sonja. Want om hen draait het allemaal. Gijs Scholten van Aschat en Marieke Heebink spelen beiden het binnenste (of de achterkant) van hun karakter. Astrov andante, Sonja allegro. De motoriek van Scholtens Astrov wordt gekenmerkt door schijnbaar argeloos rondgestrooide tics. Zo omschrijft hij zijn lotgenoten als ‘mafkezen’, en Scholten heeft daar het bekende kierewietgebaar bij bedacht. Dat gebaar komt steeds net te vroeg. Of te laat. Door zijn alcoholisme (hij loert naar de wodkafles als een 'biddende’ buizerd) is de gestiek van deze Astrov voortdurend ergens naast. Zijn tekstbehandeling soms ook. Met name als Scholten (in de verleidingsscene met Jelena) koosnaampjes voor haar gaat bedenken. Zijn stem zakt drie octaven en hij fluistert gewild hitsig iets als 'bunzing’. De ondertoon is: ik wil dit wel, maar ik kan het niet, ik ben hier niet geschikt voor. Scholten speelt deze verwarring zonder glamour. En het is te hopen dat dat zo blijft. De kranten hebben hem nogal ongenuanceerd de lucht in geschreven, en niets ijdels is de gelauwerde acteur vreemd. Marieke Heebink demonstreert het uiterste van Sonja’s pijngrens. Zes jaar smachten naar die ene man, iedereen om haar heen kent de ongelukkige liefde, maar Astrov ziet haar niet staan. Een verkrampte vorm van fysiek contact tussen hem en Sonja is slechts mogelijk als Astrov stomdronken is. Wat Strijards dan met zijn acteurs bereikt (oorsmeer als blijk van liefde, je gelooft het niet, ga maar kijken) is van een bijna onbeschrijflijke schoonheid. Heebink toont consequent Sonja’s trieste schreeuw om aandacht. Haar epicentrum ligt in de regel: 'Ik heb geen trots meer.’ De hele rol lijkt vanuit die regel opgebouwd. Een coherent bouwwerk. Heel precies gechoreografeerd. Het is acteren op de rand van alles. Zeer riskant ook, althans in dit polderland, waar de volkswijsheid 'Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ maatgevend lijkt geworden. Heebink is ruim schatplichtig aan haar leraar en regisseur Theu Boermans, bij wie ze dit vulkanisch acteren eerder liet ziet, onder meer in haar debuut - in De meeuw van Tsjechov. De evolutie van dit gevaarlijke spel laat zich hier genieten als verbluffend, schrijnend, ontroerend.
Frans Strijards heeft over deze Wanja-regie gesproken als over een strijkkwartet. Zijn Tsjechov heeft zich echter definitief losgezongen van Beethoven. Het is Sjostakovitsj geworden, over wiens strijkkwartetten iemand ooit schreef: 'De componist geniet hoorbaar van de mogelijkheid om verschillende motieven bij elkaar te brengen, intrigerende en spannende combinaties te maken, nog niet eerder gehoord.’
In dit geval: nog niet eerder vertoond.
(Wordt vervolgd.)