De pijn om zo te leven (slot)

Komende week is Oom Wanja te zien in Tiel en Den Bosch. Daarna van 9 tot en met 13 mei in het Rozentheater te Amsterdam (020-627.61.62). Tournee tot en met 11 juni.
De kritieken in de pers op Frans Strijards’ enscenering van Tsjechovs Oom Wanja waren in meerderheid niet mals. Dat kan. En dat mag. Vrijheid van meningsuiting is de basis voor een onafhankelijke kunstkritiek.

De vraag hoe onafhankelijkheid zich verhoudt tot onzorgvuldigheid zette me, naar aanleiding van de persreacties op deze regie van Oom Wanja wel aan het denken. Ik sla gemakshalve de vele feitelijke onjuistheden in de stukjes over Wanja (welke acteurs werkten wel of niet eerder met deze regisseur) over. Het oeuvre van een regisseur - zichtbaar via het (tekst- en acteurs)materiaal dat hij kiest - wordt in Nederland beroerd gevolgd. Niemand merkte bijvoorbeeld op dat Rudolf Lucieer een cruciale rol speelde in Strijards’ regie van Ibsens Rosmersholm, een voorstelling die (ruim tien jaar terug) het theatrale credo van de regisseur is geweest: hoe trek ik toneelkarakters het vel over de oren, zodat wij de binnenkant van hun feitelijk gedrag op een extreme manier te zien krijgen?
Frans Strijards is daarin wonderlijk consequent. Hij lijkt permanent geinteresseerd in de manier waarop brokstukken van persoonlijke geschiedenissen doorwerken in hoe een personage handelt. Dat leidt tot de afbraak van wat in het Angelsaksisch taalgebruik een round character wordt genoemd. Personen zijn - in Strijards’ visie - nooit ‘rond’ of 'af’. De enkeling die dat wel is, krijgt zelden een plek in zijn werk. De regisseur is permanent op zoek naar de ongemakkelijke binnenkant van typen die at odds with the world zijn. Ze weten aan die onzekerheid onvoldoende vorm te geven.
Voor een regisseur is dat overigens een riskant credo. Hij oogst niet zelden het verwijt dat hij niet kan kiezen wat hij precies wil zien. Precies dat verwijt kreeg Strijards’ regie van Oom Wanja in de kranten. Een onevenwichtige mixture van speelstijlen was het, zo oordeelde de kritiek. Lucieer (Wanja) en Heebink (Sonja) werd 'aanstelleritis’ verweten, het tonen van 'verknipte types’. Scholten van Aschat (Astrov) en Blom (Jelena) zouden hun acteersnaren subtieler beroeren. Resultaat: een hutspot van speelstijlen. Ik vind dat een merkwaardig verwijt. Strijards’ regiekeuzen sluiten naadloos aan bij de dramaturgie van Tsjechovs tekst. Wanja en Sonja hebben het meeste last van hun verdrongen verledens. Deze personages ontpellen zich derhalve in extreme vormen. Ze tonen dit proces in alle gradaties van schaamteloosheid.
Astrov en Jelena openen het stuk in ogenschijnlijke rust. Zij drukken hun onrust echter weg, blussen haar af met alcohol, cultiveren haar via een geil soort narcisme. De overige personages zijn de wanhopige toeschouwers van dit wanhopige gevecht. In een notedop is dat wat Frans Strijards volgens mij met Oom Wanja heeft willen doen. Waarom is dat zo slecht erkend? NRC Handelsblad schreef: 'Tsjechov toont altijd een onderling nauwverbonden groep slachtoffers die elkaars ongeluk veroorzaken en die aan het slot collectief ten onder gaat. Hier ontbreekt de psychologische samenhang. Strijards laat individuen zien die door omstandigheden met elkaar te maken hebben, maar ze hebben elkaar niet gevormd, gedetermineerd. Hij toont een hier en nu resultaat, niet een hier en toen, een oorzaak.’
Die reactie is tekenend voor het onbegrip tussen criticus en theatermaker. Zijn (toneel)leven lang probeert Frans Strijards aan te tonen dat mensen weliswaar door hun verleden zijn getekend, maar de consequenties daarvan zijn in Strijards’ voorstellingen hier en nu te zien. De individuen zijn hun eigen oorzaak geworden. Daarom zijn precies die personages die zich dat verschrikkelijke feit het meest bewust zijn, zulke schrijnende portretten geworden van de twijfel die de auteur ooit heeft opgeschreven, en die de regisseur (hier en nu) heeft willen laten zien. Het doet pijn dat de kritiek daar in meerderheid zo Hollands op heeft gereageerd: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg!