Tomas Ross, De zesde mei

De pikante werkelijkheid

Tomas Ross

De zesde mei

Uitg. De Bezige Bij, 296 blz., € 18,90

Dat had Petra, de vriendin van Volkert van der G., een jaar geleden toch ook niet kunnen denken. Dat ze, compleet met verwilderd voortuintje en babydochter Sabine, uitgegroeid zou zijn tot romanpersonage. Tomas Ross voert haar in De zesde mei op in het kielzog van Volkert, «een jongeman met dun vlassig blond haar en een vrouwelijk gezicht». Ze is nog hoogzwanger als Anke, Ross’ hoofdpersonage, haar ontmoet in een café in Wageningen. Anke is kort geleden uit de gevangenis ontslagen, na een aantal jaren vastgezeten te hebben wegens een apen bevrijdingsactie bij een onderzoeksinstituut, waarbij een bewaker om het leven kwam. De politie heeft haar gevraagd haar oude strijdmakker en tevens voormalige geliefde in de gaten te houden. Deze demonische figuur, Peter genaamd, werkt samen met Volkert in de Vereniging Milieu Offensief, vandaar dat Anke ook hem en zijn vriendin leert kennen. Zelfs weet Ross het aannemelijk te maken dat zij op een gegeven moment pal naast het jonge gezinnetje komt te wonen, in Harderwijk. Niet gespeend van enige wraakzucht — Peter heeft al die tijd dat ze in de gevangenis zat níets van zich laten horen — houdt Anke secuur haar opdrachtgevers op de hoogte van de handel en wandel van de milieuradikalinski’s. Zo neemt ze vanachter haar raam waar hoe Volkert op 5 mei in de namiddag van huis vertrekt in zijn rode Toyota: «Hij draagt tegenwoordig een baseballpetje dat hem belachelijk staat want hij heeft helemaal niet het postuur van een sporter, hoewel hij de laatste weken opeens elke ochtend is gaan joggen. (…) Tot haar verbazing heeft hij zijn oorringetjes uitgedaan.»

Het gebeurt niet vaak dat een schrijver personages opvoert die zo letterlijk, met naam en toenaam, zijn ontleend aan de werkelijkheid. Behalve Volkert en zijn Petra kleedt Ross ook Wim Kok aan, en Ad Melkert, Pim Fortuyn, Pieter Broertjes… Ross legt ze woorden in de mond en voorziet ze van een gedachteleven. Dit lijkt een precaire aangelegenheid, maar zoals Ross het doet, pakt het risicoloos en saai uit. Kok is zorgelijk, Melkert zuur, Fortuyn ijdel en Broertjes laf. Hun zegswijzen, gedrag en overwegingen zijn volstrekt met elkaar in overeenstemming en ook nog eens compleet voorspelbaar, hetgeen ze tot voorbeeldige «flat characters» maakt. Ik heb me geprobeerd voor te stellen of ik minder last zou hebben van de cliché matige voorstelling van zaken als ik deze roman in het Engels zou lezen, de taal waarin ik over het algemeen misdaadromans tot me neem. Dán zou ik echter waarschijnlijk weer te weinig weten om de portee van de misdaad die Ross romantiseert te kunnen vatten. De zesde mei ontleent zijn bestaan aan de pikante link met de buitenliteraire werkelijkheid.

Ross ontvouwt in zijn roman een visie op de moord op Pim Fortuyn. Zijn — verrassende — plot heeft niets te maken met persoonlijke drijfveren van mensen, hoe ideologisch behept die dan ook kunnen zijn, maar alles met machinaties van hogerhand. Wat dat betreft kan hij het zich, met terugwerkende kracht, veroorloven om zó weinig over zijn personages te hebben verteld. Tijdens het lezen brak Ross’ vlakke verteltoon mij echter herhaaldelijk op. Van de mensen die je «kent» kom je niets nieuws te weten, omdat Ross slechts de reeds bestaande sjablonen fletsig inkleurt. Maar ook de personages uit eigen koker lijken weggelopen uit een Baantjer-aflevering. Bij monde van persfotograaf Jim krijgen we de rancune van de middelmaat over ons uitgestort; via de Turkse bankemployee Erdogan de goede bedoelingen van de uitge integreerde allochtone medemens. Af en toe is er een zweempje van iets diepers en duisterders, bijvoorbeeld in de relatie tussen «gereformeerd trutje» Anke en opportunist Peter, die zich meer zorgen maakt om een nerts dan om zijn vriendin, maar te vaak gaat suggestie ten onder aan een overkill aan handeling en dialoog.

Valt er in psychologisch opzicht weinig te beleven, verteltechnisch gezien blinkt De zesde mei evenmin uit. Flashbacks worden op een kinderlijke manier onderscheiden van het lopende verhaal doordat er in kapitalen «de tijdmachine» boven is gezet, en voor zover de ontknoping je kon ontgaan, wordt die je nog eens ingewreven met uitroeptekens en twee epilogen. Nu kun je je natuurlijk afvragen of ik niet naar het recept voor een Charlotte Russe-pudding zoek in een Lekkere snelle happen-kookboek. Aan de andere kant: gezien Ross’ reputatie had ik verwacht dat hem in fictie iets zou lukken wat een documentairemaker of journalist nooit voor elkaar krijgt, namelijk een toedracht verbéélden. En een spannend boek schrijven.