De canonisering van een radicaal-commercieel kunstenaar

De Plaatjesmaker

Brussel heeft een nieuw Magritte-museum, gewijd aan ‘de grootste Belgische schilder van de twintigste eeuw’. Is dat te veel eer?

HET KONINKLIJK MUSEUM voor Schone Kunsten in Brussel heeft de oude vleugel aan het Koningsplein geheel verbouwd ten behoeve van zijn Magritte-collectie, die nu als separaat Musée Magritte Museum door het leven gaat. Dat is een beetje verwarrend, want er is nóg een Magritte Museum in de stad, het woonhuis van de schilder in de Esseghemstraat. Dit nieuwe museum is vrij groot, nogal sober, een beetje duister, een beetje betonnig, maar het overzicht is ruim en representatief en omvat ook schetsen, foto’s en films. Elke zaal is voorzien van citaten van de kunstenaar, die kunnen worden gezien als lopend commentaar op de kunstwerken, maar ook andersom: als een gefragmenteerd betoog dat door de kunstwerken wordt onderbouwd.
Of dat betoog ook echt ergens over gaat, en of René Magritte (1898-1967) ook echt de grootste Belgische kunstenaar van de twintigste eeuw is, is moeilijk te zeggen. Zijn reputatie lijkt vooral samen te hangen met de populariteit vanaf de jaren zestig van zijn beeldtaal, de bolhoeden, appels, wolkenluchten en vogelnesten. Die beeldtaal, geheimzinnig en humoristisch tegelijk, leek te preluderen op de geestverruiming van die tijd en liet zich bovendien gemakkelijk reproduceren tot posters en platenhoezen. Magritte’s oeuvre is groter dan dat, maar het is toch opmerkelijk overzichtelijk en vrij consistent, ook al zitten er een paar rare slingerbewegingen in zijn artistieke koers.
Als historische figuur is hij zeker interessant. Hij had veel internationale connecties, maar hij was tegelijkertijd een rare eigenheimer. Hij is te zien als kopstuk van een Belgische traditie van surrealisme en absurdisme, die voortleeft in het werk van Kamagurka of in dat van de vrolijke provocateur Jan Bucquoy, die op gezette tijden een staatsgreep pleegt, af en toe een taart in het gezicht van een hotemetoot drukt en al eens een pop van koning Boudewijn liet onthoofden.

DE JEUGD VAN René Magritte wordt getekend door financiële onzekerheid en door de zelfmoord van zijn moeder, die zich verdrinkt in de Sambre als René net veertien is. Dat hij kunstenaar wil worden is al vroeg duidelijk, en hij bijt zich daarin vast, net zoals hij zeker weet dat hij zal trouwen met de Georgette die hij in 1913 op de kermis in Charleroi ontmoet. Hij gaat naar de academie in Brussel en daar loopt hij, warempel, bij toeval deze Georgette weer tegen het lijf. Ze trouwen in 1922. De jonge Magritte hield van de Fantomas-films en hij las Edgar Allan Poe, maar hij komt niet meteen tot surrealistische kunst. Het museum laat zien dat hij eerst verrassend sterke expressionistische portretten maakt en liefhebbert in constructivistische composities.
In 1923 toont de dichter Marcel Lecomte hem een reproductie van Giorgio de Chirico. Dat is een openbaring en Magritte maakt de resolute keuze voor figuratief surrealistisch werk: ‘Niet-figuratieve kunst heeft niet meer zin dan een niet-onderwijzende school, een niet-voedende keuken…’ Er ontstaat in Brussel zowaar een heuse groep surrealisten, die behalve uit Magritte en Lecomte bestaat uit Paul Nougé, Camille Goemans, André Souris, Louis Scutenaire, Irène Hamoir en de dandy E.L.T. Mesens. Magritte kan niet van de kunst leven. Hij verdient zijn geld in de reclame en met het ontwerpen van covers voor de music-hall-liedjes die zijn broer Paul schrijft.
Het behoeft geen betoog dat de kunstwereld in Europa in die jaren een kruiwagen met kikkers is. Kunstenaars en schrijvers publiceren eendrachtig manifesten die de aarde doen schudden, om vervolgens met donderende ruzie weer uiteen te gaan. Ook Magritte neemt een tijdje deel aan die internationale kermis. In 1927 woont hij met Georgette in Parijs en maakt kennis met Arp, Miró, Dali, Breton, Eluard, Picabia e tutti quanti. Hij werkt mee aan de laatste aflevering van het tijdschrift La Révolution surréaliste, waarin zijn tekst Les mots et les images verschijnt. In Parijs komt ook het schilderij La trahison des images (1929) tot stand, met de voorstelling van een pijp en daaronder de tekst ‘Ceci n’est pas une pipe’. Het is een mijlpaal in de surrealistische theorievorming. Voor Magritte er de vruchten van plukt krijgt hij slaande ruzie met André Breton, die op een feestje een nare opmerking maakt over het crucifixje dat Georgette om de hals draagt, en de Magrittes vertrekken met opgestoken veren naar Brussel.
Die fameuze pijp hangt in Los Angeles, helaas, niet in Brussel. Er hangt wel een bijna even sterk schilderij uit dezelfde tijd, Les charmes du paysage (1928). Daarop is – volgens mij – de hoek van een kamer te zien. In het midden van de ruimte ‘hangt’ een schilderijlijst waarop het woord ‘Paysage’. Tegen de wand staat een geweer. De overgang van de vloer en de muur, achter de lijst, zou de indicatie van een horizon kunnen zijn. Het schilderkunstige begrip ‘landschap’ is hier vakkundig uit elkaar gehaald. De titel en de herkenbare elementen uit het beeld hebben nog altijd een dichterlijke lading, het geweer verwijst naar de jacht in het vrije veld, maar Magritte laat weten dat het hier om een constructie gaat, een object met een eigen status, niet een weergave van de werkelijkheid.
Les charmes du paysage en La trahison des images zijn oefeningen in tegenstellingen. De titel conflicteert met wat we zien en wat we denken te zien. Het ís geen landschap, natuurlijk, net zoals die pijp geen pijp is, hoogstens de afbeelding van een pijp. Een schilderij wil ons doorgaans doen geloven dat er een werkelijkheid bestaat onafhankelijk van onze interpretatie, en dat die werkelijkheid kan worden nagebootst. Wij trappen daar graag in: we willen een landschap zien, en dus zien we het. Maar alle kunstwerken, of teksten, die pretenderen iets met de werkelijkheid te maken te hebben zijn per definitie vals. Er bestaat geen soevereine waarheid. De dingen, de dromen, de woorden en de beelden zijn ongeveer gelijkwaardig, en geen van alle kan claimen het model te zijn voor de andere. De surrealistische beweging was erop gericht om de tegenstrijdigheden van droom en werkelijkheid te verheffen tot een absolute werkelijkheid, een superwerkelijkheid. Boven Les charmes du paysage hangt het citaat: ‘Le Surréalisme, c’est la connaissance immédiate du réel’.
Aldus de schilder.
Was La trahison des images een toevalstreffer of een doordacht essay? De surrealistische teksten zijn zo breedsprakig en wollig dat ze eigenlijk over alles tegelijk lijken te gaan, en je vraagt je af of Magritte eigenlijk zelf begreep waar hij het over had. Het was Foucault die vijftig jaar later pas echt chocola wist te maken van Les mots et les images. Hoe dan ook: na dat briljante hoogtepunt lijkt Magritte’s kunst in de greep van een merkwaardige doelloosheid, een gebrek aan vitaliteit. Hij herhaalt het surrealistisch kunstje uitentreuren. De voorbeelden van zijn levendige en grappige reclamewerk steken er scherp bij af. Het had misschien met dat surrealisme zelf te maken, schreef Magritte: ‘Het is (…) het gevoelloze, dat ik probeer vorm te geven. En het gevoelloze kan alleen maar koud zijn.’

IN DE OORLOGSJAREN vervreemdt Magritte zich van zijn surrealistische kring door een paar merkwaardige veranderingen in stijl. In Europa wordt hij een ietwat marginale figuur. Maar in 1946 gaat hij in zee met een jonge Amerikaanse galeriehouder, Alexandre Iolas. In Amerika was belangstelling voor het surrealisme, wat veel te maken moet hebben met de populariteit van de psychoanalyse. Alfred Hitchcock, om maar iemand te noemen, liet de droomsequenties in Spellbound (‘a manhunt wrapped up in pseudo-psychoanalysis’) vormgeven door Salvador Dalí. Magritte ontkende stug dat er een verband was tussen Freud en zijn werk, maar dat was een standaardverweer – het schilderij was altijd een mysterie, de titels werden niet door hem zelf bedacht, hem mocht geen programma worden aangewreven, et cetera. Toch is zijn oeuvre gemakkelijk te duiden als een panorama van freudiaanse denkbeelden en verhulde obsessies, en misschien is het wel de devaluatie van die ooit krachtige symboolwereld die Magritte’s schilderijen nu eerder vergezocht dan raadselachtig doet lijken, eerder muf dan mysterieus.

DE AMERIKAANSE CONNECTIE brengt Magritte bestendige internationale roem en een zekere welstand. Om aan de vraag te voldoen gaat hij ertoe over om kopieën te maken, in gouache, van ouder werk. Hij produceert aan de lopende band versies van oudere schilderijen, en in zijn nieuwe werk melkt hij zijn beeldtaal genadeloos uit, waarmee hij mede de basis legt voor zijn huidige populariteit. Over deze kopieerpraktijk bestaan twee opvattingen. De eerste werd tijdens Magritte’s leven al verwoord door een van zijn meest trouwe vrienden, Marcel Mariën (1920-1993). Hij publiceerde in 1962 het pamflet La grande baisse (De grote prijsdaling). Het was een knappe pastiche: het stuk leek van Magritte zelf te zijn, die schilderijen met grote korting aanbood. Kopers kregen ook de mogelijkheid werk te bestellen in elke afmeting die ze wilden. Veel kunstkenners trapten erin. Magritte was not amused. Mariën had zijn werk neergezet als een dorre herhaling van zetten, met louter commercieel belang.
De andere visie, gepresenteerd in het museum, zegt dat Magritte al in de jaren dertig bewust ‘het concept van herhaling’ in artistieke zin begon toe te passen, waarmee hij vooruitliep op radicaal-commerciële kunstenaars als Warhol en Hirst. De banaliteit van de massaproductie werd een wapen in de concurrentie op de markt, maar ook tegen het ego van de kunstenaar zelf.
Dat lijkt mij te veel eer. Ik geef Mariën gelijk: Magritte’s latere werk is sfeervol en sprookjesachtig, maar vooral rete-commercieel en schaamteloos in zijn zelfherhaling. Waarmee ‘de belangrijkste schilder van België’ te zien is als een interessante kunstenaar die eind jaren twintig een baanbrekend essay over de schilderkunst presenteerde, en zich daarna geen raad meer wist. Het geld bezorgde hem – en Georgette, zijn fanatieke muze – armslag; de roem, echter, zat hem niet gemakkelijk en gaf hem weinig voldoening. Dat de Belgische staat hem, de surrealist, canoniseert is een terechte straf.

www.musee-magritte-museum.be