MUZIEK Verborgen twintigste-eeuwse stukken

De plantjes onder de bomen

In 2007 viel het doek voor de Ebony Band. Nu is het ensemble van Werner Herbers terug voor een eenmalig optreden in het Zeitgeist-programma van het Koninklijk Concertgebouworkest. Dan wordt ook een nieuwe cd gepresenteerd. Het zal niet de laatste zijn.

VAN 1990 tot 2007 was de Ebony Band van Werner Herbers, inmiddels oud-solo-hoboïst van het Koninklijk Concertgebouworkest en tot 1988 verbonden aan het ‘oude’ Nederlands Blazersensemble, voor repertoirejagers een van de parels van de Nederlandse ensemblecultuur. Als kind van Duitse Exil-ouders maakte Herbers zijn levenswerk van vergeten muziek uit het interbellum. Met zijn ensemble bracht hij Entartete Musik van Duitse en Centraal-Europese componisten die door hun joodse afkomst, hun idioom en/of hun politieke opvattingen het Derde Rijk moesten ontvluchten en onder barre omstandigheden in de anonimiteit oplosten, of de dood vonden in Hitlers concentratiekampen.
Mede dankzij Herbers zijn meesters als Erwin Schulhoff, Ernst Toch en Stefan Wolpe nu iets meer dan voetnoten in de muziekencyclopedie. Maar hij verruimde zijn horizon: met onbekende Russen uit de jaren twintig, programma’s rond de Tweede Weense School, muziek van de Mexicaan Silvestre Revueltas, obscure big band-muziek van de jong gestorven componist Robert Graettinger. In de Holland Festivals van 1995 en 1997 bracht de Ebony Band muziektheaterwerken van Walter Gronostay, Kurt Weill en Stefan Wolpe. Werken van Weill, Toch, Schulhoff, Wolpe en Graettinger verschenen ook op cd. Opnamen van de Ebony Band oogstten Edisons en jubelende recensies in toonaangevende bladen als The Gramophone.
Herbers spoorde zelf zijn repertoire op, door op tournee met het KCO elke verlofdag vrij te maken voor bezoeken aan bibliotheken en nabestaanden over de hele wereld. Met indrukwekkende resultaten. Tot 2007 speelde de Ebony Band zo'n driehonderd werken van 125 vaak obscure componisten. In 1997 werd Herbers voor zijn research onderscheiden met de Haarlemse Hogenbijl Prijs.

TOT VERBAZING van velen was het tien jaar later einde oefening. De Raad voor Cultuur diagnosticeerde een gebrek aan toegevoegde waarde. 'De Raad’, schreef de raad in haar advies voor de cultuurnota 2005-2008, 'oordeelt negatief over de subsidieaanvraag van de Ebony Band omdat het beleidsplan wordt gedomineerd door het hernemen van eerder uitgevoerd repertoire en het registreren en documenteren van het werk van de afgelopen jaren. De Raad adviseert derhalve de structurele subsidiëring in het kader van de Cultuurnota niet te continueren.’
De Raad achtte, met andere woorden, Herbers’ noviteiten niet voor repertoirevorming vatbaar, terwijl dat nu net de essentie van zijn missie was. 'De argumentatie van de Raad was belachelijk’, zegt Herbers nu. '75 procent van wat ik gedaan heb was première voor Nederland. En dat zou je twee jaar later dan niet mogen uitvoeren. Als je die redenering volgt zou je net zo goed het Concertgebouworkest kunnen opheffen.’ Adhesiebetuigingen van onder anderen Bernard Haitink, Frans Brüggen en oud-ambassadeur Otto von der Gablenz haalden niets uit. 'Allemaal van tafel geveegd’, zegt Herbers. Met instemming citeert hij wat Koen Kleijn in 2007 in De Groene Amsterdammer schreef: 'De beslissing van de Raad voor Cultuur om de subsidie voor de Band niet te continueren behoort tot de meest absurde en onverteerbare ingrepen in het Nederlandse muziekleven.’
Toch moet hij toegeven dat hij ook wel een beetje klaar was met de logistieke rompslomp die de soms grootscheepse Ebony-projecten begeleidde. 'Het geld bij elkaar krijgen, met al die voorwaarden en dan overal op moeten beknibbelen - ik heb geen groot talent voor cultureel ondernemerschap.’ Verder was het keer op keer de kunst om de deelnemende musici, veelal druk bezette KCO-collega’s, op tijd bij elkaar te krijgen. Repeteren was een crime: 'Altijd blijkt dat op geen enkel moment iedereen kan. Helaas kon ik er moeilijk iemand voor inhuren; ik was de enige die wist wanneer ik even een fluit kon missen. Ik had ontzettend genoeg van dat georganiseer.’ In die zin bleek de omineuze beslissing van de Raad een blessing in disguise: 'Op een gegeven moment bedacht ik dat het natuurlijk wel leuk was om vaak voor één keer een stuk op te diepen voor tweehonderd mensen, maar dat ik het misschien beter op cd kon opnemen.’

DE EBONY BAND van nu is een combinatie van studio-ensemble en virtueel documentatiecentrum. De website www.ebonyband.nl bevat naast videofragmenten van oudere producties een repertoire-overzicht en een in staat van aanbouw verkerende reeks levensbeschrijvingen van uitgevoerde componisten, nog deels van Wikipedia geplukt: 'Het heeft een tijdje stilgelegen, maar ik ga er weer aan werken. Verder is er een aantal stukken waarvan ik perfecte uitgaven wil voorbereiden. Dat geeft me het gevoel dat ik iets blijvends neerzet.’
Dankzij een aantal genereuze privé-donateurs - op de lijst figureren onder anderen de echtparen Campert en Van Kooten - kan hij cd- en documentatieprojecten blijven financieren. Het is geluk met een tragikomisch randje. Zie je wel dat het kan, zullen de mannen van Rutte 1 zeggen. 'Ik doe het nu precies zoals zij het willen’, constateert Herbers met gevoel voor ironie.
Hobo speelt hij niet meer. Wel dirigeert hij af en toe. Met repertoire dat hem ligt, vaak op het snijvlak van klassiek en jazz, zijn oude liefde. Zo leidde hij in augustus het Shanghai Symphony Orchestra in een concert met werken van Antheil, Gershwin, Weill en Mark-Anthony Turnage, de Nederlandse jazzmusici Jesse van Ruller, Jeroen Vierdag en Martijn Vink aan zijn zijde. 'Dat ik een dirigentencarrière ambieer is te veel gezegd. Ik doe alleen wat in mijn straatje past. In oktober dirigeer ik het Limburgs Symfonie Orkest in een programma met Eric Vloeimans, in januari het Nederlands Kamerorkest in een concert met Wende Snijders. Maar Brahms en Mahler zul je me nooit zien dirigeren.’
En nu is dus ook de Ebony Band even terug, met typisch Ebony-repertoire als Hanns Eislers Letzte Nacht en Unterhaltungsmusik No 2, de Suite from the Twenties van Stefan Wolpe en Kurt Weills Kleine Dreigroschenmusik. 'Eenmalig’, zegt Herbers.
Maar de cd’s blijven komen. De nieuwste - 'de jazzkoorts van Wolpe, Burian, Martinu, Seiber en Milhaud’ - wordt deze maand gepresenteerd in het Muziekgebouw. Vorig jaar verscheen bij Channel Classics de laatste met unieke kamermuziek van de Polen Józef Koffler (1896-1944) en Konstanty Regamey (1907-1982), beide namen met een hoog wablief?-gehalte. Van Koffler, de eerste Poolse componist die het twaalftoonsysteem toepaste, is niet eens een precieze sterfdatum bekend; hij werd vermoedelijk door Duitsers doodgeschoten in de buurt van Krosno. Een meesterwerk is het half dodecafonische, half tonale kwintet van Regamey, na de oorlog tot zijn dood hoogleraar indologie in Zwitserland. Een complex, monumentaal, compleet oorlogsstuk waarin een man zich met de rug tegen de muur volledig uitspreekt in de gevoelde zekerheid dat het zijn laatste kans kan zijn. Voor zulke vondsten doe je het.
HERBERS vergeleek het werk in dat opzicht met het onder vergelijkbare omstandigheden geconcipieerde Quator pour la fin du temps van Olivier Messiaen. 'Regamey heeft gezegd: wat ook de modes mogen zijn, ik ga me er niets van aantrekken. Wat ik in me heb moet er nu uit. Hij doet wat hij mooi vindt. Je hoort van alles in dat stuk - Prokofjev, maar ook Berg.’ Hij vond hem toevallig: 'Ik was met het Concertgebouworkest op tournee in Warschau. Ik had ooit contact gehad met een Poolse professor die zich in Koffler had gespecialiseerd. Ik had hem per brief gevraagd waar ik moest snuffelen. Toen vond ik dit. Er was een beduimeld cassettebandje van een Poolse live-opname, met een veel te langzaam gespeeld laatste deel.’
Ja, dat doet hem dan wel wat: 'Het fascineert me ongelooflijk dat zoiets blijkt te bestaan. Ik weet ook nog hoe ik in shock was toen ik in de New York Public Library muziek van Wolpe in handen kreeg, met waterschade omdat er brand in zijn appartement was geweest.’ Op zulke momenten gaan er werelden open: 'Van Koffler is veel muziek zoekgeraakt, maar van Regamey liggen er nog twee opera’s die hij na de Tweede Wereldoorlog schreef. In manuscript. Nooit uitgevoerd. Beide avondvullend, de ene een reusachtig geval met groot orkest, solisten, koor en kinderkoor. En een prachtig stuk voor bariton en kamerorkest, dat ik al eens met het Nederlands Kamerorkest heb willen uitvoeren.’
Het zoeken is een obsessie: 'Ik doe het al bijna mijn hele leven. Soms heb je niet eens door wat je vindt. Ik kan me herinneren dat ik in een bibliotheek in Donaueschingen de harmoniemuziek naar Mozarts Entführung aus dem Serail vond, bewerkingen voor blazers. Toen kende ik de brief aan zijn vader niet waarin Mozart schrijft dat hij die nog moet afmaken, dus ik besefte niet wat ik in handen had. Gevonden toen mijn vader nog leefde, en die is in 1968 overleden. Zo lang ben ik dus al bezig. In de tijd dat we met het Nederlands Blazersensemble werk van Wilhelm Grosz deden heb ik in New York zijn weduwe opgezocht.’

KOMT grootheid automatisch bovendrijven?
'Uiteindelijk geloof ik wel dat dat waar is. Maar het is een moeilijke vraag omdat je over een complex geheel van factoren praat waarbij ook publieksappreciatie een rol speelt. Wat ik vind is vaak muziek voor fijnproevers die bij het grote publiek niet aankomt. En niet iedere componist componeert constant op hetzelfde niveau. Er is een Septet uit 1935 van Rodolfo Holzmann met een werkelijk betoverend middendeel dat zich kan meten met het beste van die tijd, niveau Sjostakovitsj, terwijl de rest van het stuk niet meer dan degelijk is. Schulhoff is heel erg goed, terwijl er bijna niets oorspronkelijks aan zijn werk is. Bijna alle stromingen die na de Eerste Wereldoorlog opkwamen heeft hij opgezogen - jazz, dada, atonaliteit - maar hij heeft wel buitengewoon vindingrijk gebruik gemaakt van die idiomen.’
De grote handicap van nieuw repertoire is dat de verwerking tijd vraagt die het zelden krijgt als de componist niet tot de canon behoort. 'We gingen bij de Ebony Band nooit op ons eerste oordeel af. Wat verschillende mensen in ons groepje zeiden, Daniël Esser met name: we moeten het eerst repeteren en spelen, dan blijkt pas wat het is. We hebben een stuk gehad van Miroslav Ponc dat helemaal over polydynamiek gaat, dus over dynamische verhoudingen tussen instrumenten. Eerst dacht ik: dit is amateurwerk. Toen we het hadden uitgevoerd waren we om. De NRC schreef: ware, Mondriaan-achtige avant-garde. Klopt. Maar je moet het eerst goed uitvoeren.’
Wie zijn voor de eeuwigheid, als je terugkijkt?
'Degenen die ik op cd heb gezet - en daar hoop ik mee door te gaan. Voor de paar cd’s die ik nog hoop te kunnen uitbrengen zoek ik stukken die ik echt belangrijk vind. Muziek van H.W. Süsskind, de Fragmenten van Zhivotov, muziek van de Zemlinsky-leerling Schimmerling, het septet van Gavriil Popov, een geweldig stuk. Er komt nu weer een cd met een stuk van nota bene Martinu dat om een heel absurde reden een wereldpremière wordt, al is het op cd verschenen. Vanaf de publicatie is de cellopartij weggelaten. Er moet bij de drukker iets zijn misgegaan. Het is nota bene een uitgave van Schott, toch niet de minste. Schott wist het niet, de Martinu Foundation wist het niet, ik kwam er pas achter toen we de opname al hadden gemaakt. De cellopartij hebben we er later ingedubd.’
Je zou een schaduwgeschiedenis van verborgen twintigste-eeuwse muziek kunnen schrijven.
'Ik weet niet of ik dat kan. Het is me vaak gevraagd, maar ik geloof dat ik me dan zou moeten beperken tot beschrijvende verhalen van mijn zoektochten. Echt musicologisch verantwoorde teksten krijg ik niet uit mijn pen. Ik ben bezig met de specie tussen de grote stenen. Het zijn de kleine plantjes onder de grote bomen, waar toevallig juweeltjes bij zijn.’ Gelukkig, zegt hij, is het niet onopgemerkt gebleven: 'Zeus und Elida, een van de opera’s van Wolpe die ik heb gedaan, komt in januari in Gelsenkirchen. En ik hoor dat Simon Rattle naar het stuk heeft geïnformeerd voor een uitvoering in Berlijn.’ Er is hoop. En hij is nog niet klaar: 'Ik zou nog wel eens naar Parijs willen. Niet voor Entartete Musik, maar voor iemand van wie volgens de leraar van George Antheil Debussy alles heeft overgeschreven, Fanelli. En ik zou nog altijd graag naar Rusland willen. Als ik zie wat daar de laatste decennia aan interessante schilders op ons is toegekomen, moet daar ook op muziekgebied toch wel iets nieuws te vinden zijn. Maar Rusland is lastig. Ik kan die letters niet eens ontcijferen. En waar je vroeger nergens bij kon komen omdat niemand enige zeggenschap had, kom je dat nu niet omdat iedereen er iets over te zeggen heeft.’


Op zaterdag 24 september vanaf 20.15 uur speelt de Ebony Band in het Muziekgebouw aan ’t IJ. www.ebonyband.nl