De poes van Derrida

Volgens Kousbroek was een deel van de charme van een poes het formaat, maar wat vooral ook mooi is dat katten net als mensen heel uitgesproken persoonlijkheden hebben.

De poes is met afstand het beste huisdier. In De aaibaarheidsfactor zet Rudy Kousbroek uiteen wat ons zo aantrekt in de poes. De poes is zacht, symmetrisch, efficiënt van bouw, ze spint, ze houdt zich keurig schoon, en vooral: de poes laat zich graag aaien. Zelfs als ze even niet geaaid wordt, eist ze het aaien op door kopjes te geven. Een gezelschapsdier dus. Al heb ik hier mijn twijfels bij. Een poes is niet ‘gezellig’ in de traditionele zin, dat ze je aardig vindt en van je gezelschap geniet, en je bijvoorbeeld nog een kop thee zou aanbieden. Mijn poes tenminste, heeft meer weg van een nukkige jonge minnares, die ik met geschenken en complimenten overlaad in de hoop dat ik haar heel even mag aanraken.

Een deel van de charme van een poes is volgens Kousbroek het formaat, en met name het gegeven dat de poes een miniatuurversie is van een tijger. We houden nu eenmaal van dingen die kleiner zijn dan gewoonlijk. Denk aan Madurodam, of bonsaiboompjes. Daar komt nog bij, denk ik, dat een poes niet zomaar iets in het klein is, maar specifiek het gevaar in het klein. We houden van poezen omdat we een beetje bang zijn voor poezen. De poes heeft schuine jagersogen en camouflagestrepen, vlijmscherpe klauwen en gespierde achterpoten, maar je kunt haar zomaar optillen en vasthouden. Ze is de jungle in het klein, een moordmachine niet groter dan een handtas. Zo hebben we het graag: we snakken naar gevaar, maar reduceren het tot het behapbare. We willen graag van dingen afvallen maar niet te pletter slaan, dus hebben we achtbanen uitgevonden, en parachutes. We willen onszelf graag een klein beetje vergiftigen maar niet helemaal, dus drinken we. We willen graag een tijger in huis, maar liever niet opgegeten worden. Vandaar de poes. Omdat we een beetje dood willen.

Maar Freud is passé en de Todestrieb alleen is niet de reden dat katten onze aandacht zo vasthouden. Jacques Derrida heeft er ook eens van alles over gezegd in L’animal que donc je suis. Hoe vertaal je dat? ‘Het beest dat ik dus ben’? Die Fransen zijn erg dubbelzinnig, dus wie weet. Derrida vraagt zich in ieder geval af waarom hij zich zo schaamt wanneer hij naakt is in het bijzijn van zijn kat. Hij is naakt en de kat kijkt hem recht aan en Jacques schaamt zich. Hij denkt dat het misschien is omdat we zelf erg bang zijn om weer in beesten te veranderen, en dat kleren die dunne grens vormen tussen mens en dier. Maar het dier weet niet eens wat naakt zijn is, dus als een naakte filosoof en een naakte kat tegenover elkaar staan, dan is er maar één van de twee echt naakt. Meer dan letterlijke naaktheid gaat het om de naaktheid van de mens als soort. Wie recht in de ogen van een poes kijkt, ziet de anti-mens, de Ware Ander, het einde van de mens, de afgrond tussen wat menselijk is en wat niet. De ogen van de kat ontregelen hem ook omdat ze zo duidelijk terugkijken. Meer heb ik van Derrida niet onthouden, maar ook dat is mooi aan poezen: er spreekt zo’n diepzinnigheid uit ze dat ze ons tot filosoferen dwingen nog voordat we ons ‘s ochtends hebben aangekleed. Vandaar de poes.

Wat ik zelf zo mooi vind is dat katten net als mensen heel uitgesproken persoonlijkheden hebben. Wie meerdere katten kent heeft al gauw een Cluedo-bord aan personages bij elkaar. Ik ken bijvoorbeeld een kat die Eddie de Moordenaar heet. Hij heeft een gitzwart rokkostuum aan en een deftige snor onder diepgele ogen. Mijn moeders kat is een enorme wolk van grijs haar waarin één enkele hersencel schuilgaat. De kat van mijn buren, een vreemd en langwerpig weesje uit Roemenië, graaft regelmatig een tunnel onder de schutting om bij mij om eten te bedelen met haar reptielenbekje. Mijn eigen zwart-witte poes, Catootje, is het mooiste meisje van de woonwijk en dat weet ze donders goed. Ze heeft een bekoorlijk Audrey Hepburn-lichaampje en een zwarte stip midden op haar neusje, hoe verzin je het. Met haar Disney-ogen lonkt ze naar de dikke katers uit de buurt, die hopeloos verliefd om ons huis sjokken. Hopeloos, want Cato heeft allang geen eierstokken meer. Ze flirt voor de sport.

Over levende poezen is veel gefilosofeerd en over dode poezen zijn er veel gedichten geschreven. Remco Campert schreef: ‘‘s Avonds komen we thuis/ in het stille, lege huis/ je wacht ons niet meer op/ onderaan de trap/ ik geef toe aan sentiment/ voor jou, lief dier.’ En P.C. Hooft schreef: ‘Begraef dees’ POES!’ Daar moest ik om lachen. Maar dan later in het gedicht staat er: ‘Begraef haar sachtkens: wilt haer staert/ Haar vriendlijck langs de lendnen vouwen.’ Nou, dan vergaat het lachen je. Er zijn maar een paar dingen die in bijna iedereen een overweldigende drang opwekken om te schrijven: de liefde, de dood en de dieren. Deze drie breng je met gemak dichtbij door een poes te nemen, waar je van gaat houden en die uiteindelijk doodgaat. Zo ervaar je niet alleen de jungle maar het hele leven in het klein. Liefhebben en rouwen op poppenhuisformaat. Vandaar de poes.

We moeten onszelf niet wijsmaken dat wij dit allemaal zelf bedacht hebben. We willen misschien geloven dat wij de kat een leuk huisdier vonden en hem hebben uitgekozen op al haar charmes, hem daarom hebben gevangen en ontwilderd. Maar een poes valt niet te dwingen. Als de poes dit niet zo had beraamd dan was het nooit zo gebeurd. Als ik voor mijn tot op het merg verwende Catootje een ánder zakje avondeten openmaak, want de garnalen, die lúst ze niet (of ze handhaaft de koosjere spijswetten, waar ik alleen maar respect voor kan hebben), dan weet ik zeker dat de poezen ons gedomesticeerd hebben, in plaats van andersom. Of zijn ze parasieten? Broedparasieten zijn vogels die hun eieren in andermans nest leggen, zodat ze hun eigen kinderen niet hoeven te voeren. We kennen allemaal het absurde beeld van het moddervette koekoeksjong, bek opengesperd, dat wordt gevoerd door een klein plichtsgetrouw ambtenaartje van een vader. Hij stelt maar geen vragen over het buitensporige formaat van zijn zoon. Goed, katten kunnen geen broedparasieten zijn, want dan zouden ze eieren moeten leggen, of op z’n minst zouden ze onze baby’s uit de box moeten gooien om er hun eigen poesjes in te leggen. Maar iets aan deze verstandhouding is parasitair, denk ik wanneer ik weer eens voorovergebogen koolvis in het daarvoor bestemde bakje sta te scheppen (op het bakje staat ‘poes’).