De poetische fysica van stenen

Roger Caillois, Stenen. De Bezige Bij, 173 blz., f37,50
CAILLOIS’ zwerftochten door de siliciumarchieven van onze aarde hebben een even wonderlijk als poetisch boek opgeleverd, dat in 1966 voor het eerst onder de simpele titel Stenen werd gepubliceerd. Het is een wonderlijk boek omdat Caillois zijn kennis van de mineralogie afwisselt met lyrische beschrijvingen van stenen, die in ertslagen en donkere mijnaders de laatste getuigen zijn van het ontstaan van onze planeet. Hij verzamelde deze stenen vanaf het begin van de jaren vijftig en noteerde met uitzonderlijke precisie, die getuigt van een langdurige observatie, de grillige vormen waar geen mensenhand invloed op heeft gehad.

Wonderlijk mooi is zijn boek ook omdat het put uit een deel van het woordenboek dat ik niet dagelijks onder ogen krijg. Al vanaf de eerste bladzijde glinsteren woorden waarvan ik niet precies weet naar welke objecten ze verwijzen - behalve dan dat het natuurlijk om stenen gaat - maar die hun poetische kracht krijgen door de beschrijvingen van hun eigenschappen.
Zo treedt de lezer binnen in een wereld bezaaid met chalcedonen, septaria en jaspissen, namen even hard en ontoegankelijk als de steensoorten waar ze betrekking op hebben, maar toverachtig wanneer je de uitleg leest. Dan gaat het om mirokristallijnen, om stenen van melk- of grijsblauwe soort, op zwarte varieteiten met witte aders.
Op een andere plaats spreekt Caillois van een steen ‘als een haargordijn ondoorzichtig en stijf als de lok van een verdronkene, die evenwel langs geen enkele slaap golft, daar waar een sap beter zichtbaarder en kwetsbaarder wordt in een blauw kanaal’. Misschien was het gemakkelijker geweest als in het boek afbeeldingen van deze stenen waren geplaatst om de metaforische beschrijvingen van de auteur te kunnen volgen, of op z'n minst te kunnen controleren. Maar al lengs, lezend door de reeks van notities, begon ik te begrijpen waarom de afbeeldingen ontbreken: door hun afwezigheid ontvouwt zich een schemerachtige wereld waarvan de vreemdheid evenredig is aan de namen die eraan worden gegeven. Daar komen de poetische krachten vrij die het resultaat zijn van een onzichtbare wrijving van taal zoals de vormen van de stenen zelf de uitkomst vormen van kosmische processen, die zich hebben vol trokken ver voor een mens ze kon waarnemen.
De woorden nemen in dit boek soms de eigenschap aan van de stenen, waar de hartstochtelijke liefhebber maar niet genoeg van kan krijgen. Ze krijgen door hun ontoegankelijkheid, hardheid en ondoordringbaarheid een glans die de indruk wekt dat je bij het lezen overblijfselen van sterren in je hand houdt, dat je de hand legt op iets dat in werkelijkheid lichtjaren van je verwijderd is. Caillois spreekt van stenen die zelfs niet op de dood hoeven te wachten en die niets anders te doen hebben dan zand, regen of branding, storm en tijd langs zich heen te laten glijden. Hun aanwezigheid maakt ons erop attent hoe vluchtig onze waarneming is, niet meer dan een glimp van hun ontijdigheid. Daarin bestaat, schrijft Caillois, hun betovering en glorie: ze verhullen en onthullen een plechtiger mysterie dan het lot van een vergankelijke soort.
CAILLOIS GEEFT in zijn boek voorbeelden van de mythen die rond deze stenen zijn geweven. In de Chinese oudheid onder andere wordt verteld hoe een steen als wondermiddel werkt. De smaak is koud en bitter, maar, zo luidt het verhaal, je kunt er kwaadaardige gezwellen en fistels mee genezen; je kunt er spoken en boze geesten mee verdrijven. Dat Chinese verhaal vertelt ook van een steen dat hij de kracht had meisjes in jongens te veranderen en dat daarom zwangere vrouwen de steen, in een zijden zakje gevouwen, in hun vagina bewaarden opdat de foetus kracht zou krijgen en daardoor zou uitgroeien tot een jongen.
Caillois verschaft ook voorbeelden uit de mythen van de klassieke oudheid: daarin wordt verteld van stenen die kinderen verwekken, van stenen die men als een klein kind moet behandelen: men kleedt hem, wast hem, wiegt hem tot hij zijn stem laat horen. In deze mythologieen openbaren zich aan zinsbegoocheling grenzende visioenen, 'waarin het levenloze bezield en de zichtbare werkelijkheid voorbijgestreefd wordt’.
Deze verhalen getuigen, schrijft Caillois, van een vroeg bewustzijn, dat nog heel dicht met de natuur was verweven en dat daar de eerste vormen van poezie waarnam voordat de taal van haar krachten gebruik kon maken. In feite roept Caillois in zijn boek een eigenzinnige poetica in het leven die zijn ontstaan niet vindt in de taal, maar in de verrassende vormen van de natuur. Hij is dan ook - waar het literatuur betreft - een realist pur sang die er ten diepste van overtuigd is dat de werkelijkheid van de stenen de standaard is waaraan de wisselvallige taal moet worden afgemeten, zoals het goud de standaard vormt voor de minstens zo grillige financiele wereld.
Caillois’ reserves ten aanzien van de mogelijkheden van de literatuur, vooral ten aanzien van de devote bewieroking ervan, hadden hem in de jaren dertig de naam bezorgd van de rabiate anti-poeet. Die rol speelde hij met verve in de kortstondige flirt met het surrealisme, waarvan hij hoopte dat ze de literatuur zou afschaffen. Zijn vriendschap met Breton was van korte duur, en wel tot hij bij hem een hang naar een nieuw hogepriesterschap bespeurde. Evenals de surrealisten was hij geintrigeerd door wonderlijke levensvormen, door paradoxen en raadsels, maar niet om ze te gebruiken als tekens van een hogere werkelijkheid, waar de literatuur het patent op zou hebben. Voor hem vormden ze juist de uitdaging voor nuchter onderzoek, met als doel ze te integreren in een samenhangende visie op de werkelijkheid, en daarmee de coherentie juist te kunnen vergroten.
Jacq Vogelaar, die het (zeer instructieve) nawoord bij deze bundel schreef, haalt daarin een anekdote aan die een prachtig voorbeeld geeft van Caillois’ nuchterheid. 'Toen iemand een aantal zogeheten springende bonen uit Mexico had meegebracht, wilde Breton dat de aanwezigen eerbiedig in gedachten bij dit wonder zouden verwijlen. Caillois stelde daarentegen voor de bonen open te maken om te zien of er soms een insekt of larf in zat - en dat bleek ook het geval.’
Als bij die gelegenheid poetische geheimzinnigheid en wetenschappelijke nieuwsgierigheid met elkaar botsten, betekende dat nog niet dat Caillois het met zijn ontnuchterende kijkoperatie aan gevoel voor het wonderbaarlijke ontbrak; hij nam alleen geen genoegen met een gemakzuchtige, passieve houding tegenover vreemde verschijnselen.
De gelukkige combinatie van zijn wetenschappelijke vindingrijkheid en poetische nuchterheid had hem van de surrealisten (en hun literaire devotie) afgedreven. Als antropoloog had Caillois met dezelfde instelling de gebruiken van primitieve volkeren en de implicaties voor de moderne samenleving bestudeerd. Hij had gespeurd naar de omgang en de betekenis van het heilige in vroegere samenlevingsvormen.
Die belangstelling bracht hem in contact met Bataille en Leiris, met wie hij aan het eind van de jaren dertig het College de France vormde, een gezelschap dat in de achterkamer van een boekwinkel in de Rue Gay Lussac in Parijs met elkaar discussieerde over de extatische, dionysische krachten die in elk mens schuilgaan en hoe deze worden vertaald in zijn sociale leven. Terwijl Bataille de weg op ging van de mystiek, bekende Caillois zich meer en meer tot een realistisch standpunt, een streng onderzoek naar de natuur, de materie die de voorwaarde vormt van het menselijk bestaan.
Welke informatie verschaft ons de innerlijke wereld van de dieren, de planten en vooral de mineralen, werelden die zich voor de menselijke geest alleen aan de buitenkant laten verkennen? Caillois monstert in zijn boek deze buitenkant en lijkt op zoek naar de drijvende krachten die achter de fascinatie voor deze werelden schuilgaat.
IN HET TWEEDE DEEL van zijn boek beschrijft hij de fysica van de stenen, om de oorzaak van hun schoonheid op het spoor te komen. Hij meent die gevonden te hebben in slijtagekrachten, breukkrachten en het ontstaan van orde. Hij geeft voor beelden van de vormen die daaruit zijn ontstaan. Hij beschrijft de orde en de rasters gevormd door de dendrieten en pyrieten, hun onwrikbare hoeken en feilloos rechte lijnen, hun ritmische symmetrieen als wonderen van prosodie en harmonie.
Caillois leest met andere woorden de poezie van de dode natuur in hun geometrie. Ik las ze eerder nog als voorbeelden van een onderzoek naar de wijze waarop onze verbeelding werkt, zoals je de gedachtensprongen van een kind zou kunnen volgen wanneer het de voortdurende veranderende wolken probeert te lezen. In de grillige tekeningen van de stenen leest Caillois de verbeelding van de natuur op het moment van zijn verstarring.
Hoe nauwkeuriger hij hun ragfijne tekeningen, de verglijdende kleuren van hun facetten onder woorden probeert te brengen, hoe meer hij er zich van bewust wordt dat de stenen zich onverschillig betonen tegenover al zijn woorden, al zijn bespiegelingen die uiteindelijk op de beschouwer zelf terugslaan.
Die beschrijvingen laten zich intussen lezen als gedichten, die men alleen maar mondjesmaat tot zich kan nemen. Soms worden de beschrijvingen echt spannend en tegelijkertijd van een flonkerende schoonheid, misschien niet voor niets op die momenten waarop Caillois fantaseert over de innerlijke samenstelling van stenen en grote aarzeling vertoont om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen door ze open te splijten.
Lees dat mooie miniatuur over die agaatnodule, bescheiden van afmeting en ongewoon licht wanneer je hem op de hand weegt. Je weet dat hij hol is en met kristallen bekleed. 'Schud je hem vlakbij je oor, dan komt het wel eens voor, zij het heel zelden, dat je het geluid hoort van een vloeistof die tegen de wanden klotst. Vast en zeker zit er water in dat sinds de aanvang van de planeet in een stenen kerker gevangen wordt gehouden. Het verlangen bekruipt je dit oude water onder ogen te krijgen.’ De moeite van het openen van deze kerker zou tevergeefs zijn, want bij het kleinste scheurtje al, nog dunner dan een haar, zou het water wegvloeien en onmiddellijk vervliegen.
OP DEZELFDE MANIER was het lezen van dit boek voor mij een zwerftocht - niet alleen door voor mij onbekende delen van het woordenboek, maar meer nog door een wereld waarvan de sporen herinneringen zijn aan de tijd dat de geschiedenis van de mensheid nog moest beginnen. Caillois probeert door te dringen in een inerte wereld die voor ons dan misschien geen betekenis mag hebben, zich niet in taal laat vangen, maar op de een of andere manier onze waarneming voor raadselen stelt die alleen met nuchterheid kunnen worden opgelost.
De indruk die het boek uiteindelijk op mij maakte, was de beschrijving van een godverlaten wereld onder het gesternte van Saturnus, de trieste melancholische Saturnus zoals Caillois hem in zijn essay noemt, want elke poging om deze verlaten wereld binnen te dringen is even onwezenlijk.
Hoe zou je die werkelijkheid, die bestaat zonder mensen en die in de stenen laat zien dat wij zelf niet meer zijn dan passanten, hoe zou je die werkelijkheid kunnen leren kennen? Misschien is het de list van de mythe dat ze in de tekeningen van de stenen een verborgen boodschap van de goden zag, een rebus, die de koene observator zou kunnen oplossen als hij het schrift van deze dode natuur zou weten te ontcijferen. Hoe melancholisch klinken de woorden van Caillois wanneer hij schrijft dat de tekens in de stenen geen tekens zijn: 'Het is een tekening zonder boodschap, zoals de wormvormige gangen van insekten in dood hout.’
De dode natuur heeft aan ons geen boodschap en toch bevreemdt ze ons des te meer naarmate we haar van dichterbij beschouwen. Die vreemdheid wordt ons in dit bijzondere boek in haar schoonheid getoond.