De poezie van after nature

‘Gehoond en beschimpt door negenennegentig procent van de vaderlandse kritiek, fabriceren de kunstenaars van After Nature nu al weer vele jaren het ene meeslepende meesterwerk na het andere’, schreef Rene Zwaap bijna twee jaar geleden in deze krant.

Het artikel bevatte een vlammend pleidooi voor de revolutionaire poezie van de groep pastorale dichters rond Nel Benschop. ‘De groep wordt versleten voor een rariteit, misplaatst in het tijdperk van de postmoderne ironie als een koekoeksklok in een ruimtelaboratorium. Maar wat in aantocht lijkt te zijn is niet minder dan een herontdekking van de oorspronkelijke dynamiek van de kunstenaar, een hereniging met zijn publiek.’
Het heeft niet mogen baten. In de boekenweek van dit jaar, die nota bene geheel in het teken staat van de poezie, zoekt men in de stroom aan dagbladbijlagen, weekbladspecials, gelegenheidsbundels en bloemlezingen vergeefs naar de namen van deze zo miskende groep poeten. Hoewel, miskend? De schampere behandeling door de literaire elite ten spijt, weet de dichtersbent de weg naar het grote publiek nog altijd moeiteloos te vinden: van Nel Benschop, de ongekroonde koningin van de After Nature-poezie, ging deze week de tweemiljoenste bundel over de toonbank, waarmee ze definitief de best verkochte dichteres uit de Nederlandse boekengeschiedenis is.
Het vervult Hans Werkman, de denker onder de dichters van After Nature, met gemengde gevoelens. 'Nel’, zo vertrouwt hij me toe in zijn oergezellige huiskamer in de montere provinciestad, 'heeft zich door de kritieken nooit uit het veld laten slaan. Maar ik werd er wel eens moedelooos van. En dan dacht ik maar weer aan de woorden die zij speciaal voor dit soort momenten heeft geschreven.’ Hij staat op, loopt resoluut naar de stemmige, mahoniehouten boekenkast, grijpt trefzeker naar een van de meer dan twintig bundels van Benschop en begint voor te dragen, een snik in de laatste regel niet verbergend:
Ja, je moet dapper zijn om te vertrouwen, om te geloven in hoop tegen hoop, om door te vechten en niet te verflauwen, Aft'r Nature is niet licht of goedkoop. (uit: De enige troost)
Na een korte stilte begint hij me met herwonnen begeestering uit de doeken te doen waar After Nature voor staat: 'After Nature spruit voort uit de simpele noodzaak de kunstzinnige integriteit te beschermen tegen de aanslagen die intellectualisme, commercie en de media plegen op de klassieke roeping van de kunstenaar. After Nature is een reactie op de uitholling van de verbeelding in de recente dichtkunst. Wij worden aangevallen op onze zogenaamde priesterachtige puurheidsmoraal waarin de kunstenaar een geinspireerd medium tussen god en de mensheid is. Maar het enige waar wij ons druk over maken, is of een gedicht al dan niet “eerlijk” is. Zoals uw collega Zwaap in zijn artikel terecht opmerkte, kun je met een beetje goede wil in dat streven het oorspronkelijkheidscriterium van Ter Braak en Du Perron herkennen.’
Er klinkt een kanselklank in zijn stem wanneer hij vervolgt: 'Het moderne leven is complex. Er zijn voortdurend nieuwe uitdagingen en het valt ons vaak moeilijk telkens weer op die uitdagingen in te gaan. Alles gaat met een razende vaart, terwijl we in ons diepste binnenste naar rust en zekerheid verlangen. Echte poezie, de poezie van After Nature, ziet de complexe wereld recht in de ogen en heeft de moed het ongerijmde te denken. After Nature wijst ons de weg. After Nature draagt het banier waaromheen wij ons scharen.’
Hij heeft ondertussen uit de kast lukraak nog een bundel van Nel Benschop gepakt en die op een willekeurige bladzijde opengeslagen. 'Er is zo eindeloos veel leed waar ik, mijn god, geen raad mee weet…’, declameert hij. 'Okee, ik weet het, dat zijn cliches. Die uitdrukkingen zijn miljoenen malen gebruikt. Maar Benschops publiek ervaart ze niet als dooddoeners. Ze herkennen hun eigen situatie in die woorden. Heeft Benschop dit dan naar haar publiek toe geschreven? Vermijdt ze bewust de diepere zegging en de verrassende literaire flits? In vele interviews heeft ze gezegd dat ze zo schrijft omdat ze niet anders wil en kan. Omdat ze iets wat misschien al heel vaak gezegd is, heel persoonlijk beleeft.’
Alle somberte van zoeven is verdwenen, Hans Werkman gaat in de aanval: 'Nee, wij maken geen bizarre, experimentele gedichten. Helder, eenvoudig, voor iedereen te begrijpen. Dat men Guillaume van der Graft, Rutger Kopland, Inge Lievaart, Judith Herzberg en Ida Gerhardt niet goed begrijpt, okee, daar is geen dichter mee overboord. Maar van onze poezie, daarvan is het leuke dat zelfs de loodgieter het begrijpt. We zoeken het pure, de waarheid. Het gaat om het weer kunnen apprecieren van een bloem. Neem zo'n regel als “Leer mij, om blij te zijn met ’t bloeien van een roos”, uit dat prachtige vers van Nel “Carpe Diem”. Nee echt, je kunt je Latijnse woordenboekjes en je Kouwenaar wel in de prullenbak gooien wanneer je de confrontatie met de natuur aangaat.’
Plots staat hij op en haalt met een plechtig gebaar een kleurrijk vierkant boek te voorschijn. 'De After Nature Agenda’, zegt hij trots. 'Net uit. Het is onze internationale doorbraak.’ Ik pak het boek met gepaste voorzichtigheid van hem aan. 'Raiders of the Lost Art’ staat er op de kaft. Ik blader. Prachtige natuuropnamen op de linkerpagina, stemmige gedichten van de After Nature-groep op de rechter. Daar tussendoor staan manifestachtige teksten en juichende besprekingen door toonaangevende critici uit de hele wereld. 'Hier’, zegt Werkman en wijst met de vinger op een citaat van de Amerikaanse criticus Heinrich Schaefer. 'Lees’, zegt hij, maar voor ik de kans krijg, heeft hij het boek al uit mijn handen genomen en begint zelf voor te lezen: 'Kan iemand die eenmaal het gevoel voor melancholie van After Nature heeft ontdekt, nog in staat zijn W. H. Auden interessant te vinden?’ Hij kijkt mij triomfantelijk aan, bladert weer, en leest opnieuw: 'Richard Fichtner, ook geen kleine jongen: “Worauf beruht die Schonheit der Arbeiten der Dichtergruppe After Nature? Die Antwort bringt ein Wechselspiel von gottlicher Inspiration, kunstlerischer Intuition und asthetischem Empfinden ans Licht.” Moet ik daar nog wat aan toevoegen?’
Hij geeft me het boek terug. Ik sla het openingswoord op: 'Een nieuwe generatie dichters wil zich niet langer laten meesleuren in de romantische malaise van de postmoderne poezie. Vanuit de relatie met het eigen leven van de kunstenaar, geven ze op een krachtige wijze uitdrukking aan hun individualiteit. De boosheid die ligt opgeslagen in de nieuwe tijd, schreeuwt om een duidelijke, dramatische en dringende uiting.’
'Kijk, dat raakt de kern’, zegt Werkman opgewonden. 'Dat is wel even wat anders dan die benepen besprekingen die ons in de Nederlandse pers ten deel vallen.’ Hij legt zijn hand op de knipselmap met recensies. 'Hier’, zegt hij terwijl hij de map op een willekeurige pagina openslaat, 'zelfs een blad als Trouw meent de lezer te moeten waarschuwen voor de zogenaamde literaire tekortkomingen van de After Nature-poezie. Moet je horen, R. L. K. Fokkema, literatuurcriticus: “Het beroerde is natuurlijk wel dat mensen als Nel Benschop, wier bundels druk op druk beleven, slechts uiterlijke hoedanigheden van een gedicht hanteren om hun After Nature-gevoel kwijt te raken. Daarmee is het recht van het bestaan van dergelijke poezie niet verdwenen, maar is wel bedoeld dat het gevoel als zodanig geen gewicht in de schaal mag leggen bij de beoordeling. Het After Nature-gevoel is geen literaire categorie.” Mooi gezegd, maar het is onzin.’
'En hier’, vervolgt hij, driftig bladerend, 'Wam de Moor, van zo'n man zou je toch een afgewogener oordeel verwachten. Luister’, zegt hij, en begint te citeren uit een stuk van De Moor in 'Ik probeer mijn pen’ uit 1979: 'In de bundels van Benschop staat geen enkel origineel beeld en is de naturalistische visie volstrekt conventioneel, maar zij bereikt met haar simpele verzen bij de dag tienduizenden.’ Werkman klapt de map met een zucht dicht. 'In de volgende zin gaat het nog even over “het lonende dilettantisme van mevrouw Benschop”. Jaloers? Geloof me, de recensenten zijn de farizeeers van de kunst.’
Hij gaat zitten, een berustende blik in de ogen. 'Slechts een enkele Nederlandse criticus weet nog enige waardering op te brengen voor ons werk. Ik denk aan Nico Scheepmaker, die ooit met een prachtig beeld het werk van van Nel karakteriseerde. “Een gedicht van Nel Benschop”, schreef hij, “is een deur in een huis. Die deur past precies, hij klemt niet, hij piept niet. Hij zwaait moeiteloos open en dicht, en je hoeft hem ook geen duw na te geven om hem in het slot te laten vallen. Dat is wat er zo aantrekkelijk aan is.”
Hij heft het hoofd, het hoge voorhoofd rijst naar de hemel. 'Ja, de gedichten van Nel Benschop zijn een deur in het huis van het moeilijke leven. Die deur geeft een uitweg naar buiten. En naar boven…’
Zie: Hans Werkman, Van harte. Nel Benschop haar leven en werk. Uitgeverij Kok, 1987; en After Nature Agenda, Raiders of the Lost Art, uitgegeven in samenwerking met W. M. Art Productions, 1992.