Film

De poëzie van de gangster

Film: ‹De Dominee› van Gerrard Verhage

Gangsters zijn poëtische figuren. Zij leven in de onderwereld, een omgeving waar andere regels gelden dan in de echte werkelijkheid. Deze conventies hebben te maken met kleding, van de oude zwart-wit maatpakken van James Cagney tot de lelijke, glimmende trainingspakken van de wise guys in The Sopranos. Ook zijn er regels voor normen en waarden, bijvoorbeeld overdreven gevoelens van wraak en respect. Door de hoge mate van symboliek kunnen maffiosi moeiteloos de sprong maken naar de wereld der fictie – een wereld die bij uitstek gedroomd is. Een gangster «realistisch» verbeelden zou derhalve een vals beeld creëren.

Dat is het kernprobleem van De Dominee, een film van Gerrard Verhage over het leven van hasjbaron Klaas Bruinsma, naar het gelijk namige boek van misdaadjournalist Bart Middelburg. Qua vorm en inhoud oogt de film onecht. De cameravoering, redigeerstijl, decoupage en muziekkeuze zijn ongeïnspireerd. Het is alsof de regisseur niet bij machte is de psychologische implicaties van het verhaal visueel te verbeelden. Of wilde hij dat niet en beoogde hij een documentaire aanpak? Zo ja, dan rijst de vraag waarom hij het uitstekende boek van Middelburg niet nauwgezet heeft gevolgd.

Verhage geeft ergens aan dat hij, anders dan Middelburg, het accent wilde leggen op het karakter van Bruinsma. Maar dan is het verbijsterend dat de Bruinsma in deze film, hier Klaas Donkers geheten, hoofdzakelijk doet denken aan een ondeugende corpsbal. Een aanfluiting. De echte Bruins ma was veel interessanter, veel poëtischer. Hij was een intelligente man uit een gegoede middenstandsfamilie. Maar hij was ook een koelbloedige boef, iemand die opereerde in een «criminele cultuur waarin geld op de allereerste plaats kwam, en mensenlevens hooguit op de tweede», zoals Middelburg schrijft. Doordat hij in dat milieu leefde, leek Bruinsma in het echt een archetypische, gedroomde gangster. Zijn leven was vol symboliek, vol poëzie, net als de filmgangsters. Je zou kunnen zeggen dat Bruinsma mentaal net zo spijkerhard was als Michael Cor leone, dat hij qua charme en intelligentie veel weg had van Henry Hill in Goodfellas (1990). Maar allerminst was hij Klaas Donkers, een slap aftreksel van de genoemde personages, iemand die zo echt en zo spannend en zo dichterlijk is als een sigarenboer.

Die vergelijking – en dat is de ergste nachtmerrie – zou ook nog letterlijk van toepassing kunnen zijn op De Dominee. Kort voor het eind van zijn leven staat Klaas Donkers bij het raam in zijn kamer op een van de bovenste etages van het Hilton-hotel. Het is nacht. Voor hem strekt de stad zich uit. De lichtjes flonkeren. De Dominee mijmert: «Als het maar legaal was, dan was ik de grootste geworden.» «Het» is natuurlijk hasj, maar zijn redenering klopt niet. De volledige legalisering van softdrugs zou immers het einde van zijn criminele imperium hebben betekend. In een Nederland met wettige softdrugs was deze Klaas geen gangster geworden, hooguit een verkoper van sigaretten op de hoek van een straat.

Kanttekening 1: met uitzondering van Pieter Paul Muller, die niet weet wat hij met deze saaie Klaas moet, maakt het spel van de acteurs de film nog nét draaglijk. Chantal Janzen overtuigt als Annet, het liefje van Klaas, en Frank Lammers is zelfs briljant als Adri, kickbokser en boezemvriend van Klaas.

Kanttekening 2: een gangster-film over het leven van Klaas Bruinsma ligt zo voor de hand: eindelijk een Hollands verhaal met een personage dat uitstijgt boven het alledaagse, dat zowel een reflectie is van als commentaar levert op sleutelmomenten van de laatste twintig jaar, namelijk de opkomst van de georganiseerde misdaad en het hiermee gepaard gaande verlies van de onschuld. De Dominee is mislukt wegens een gebrek aan fantasie. En dat is heel erg jammer.

Te zien vanaf 2 september