Dit artikel is onderdeel van Het Groene Lab.

Het Groene Lab is de kweekvijver van De Groene en publiceert verhalen en essays van jong talent. Iets insturen? Mail ons via lab@groene.nl.

De poëzie van de patiënt

Met bewustwordingscampagnes probeert het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het taboe op psychische ziektes te doorbreken. Want praten helpt, zo is de boodschap. Lezen ook?

Een blonde vrouw van rond de dertig zit druk telefonerend aan een keukentafel, in een videoserie die op het eerste gezicht aan een reclame doet denken. ‘Dit is Femke’, verschijnt er in beeld. ‘Mensen kennen haar als blij, gezellig, luidruchtig.’ In de volgende scène klapt Femke inderdaad brullend van het lachen over de tafel, al wordt de extatische scène gevolgd door de zin: ‘Maar ze heeft jarenlang te kampen gehad met depressies. Dat zou je niet verwachten hè?’

De video is onderdeel van de serie ‘Hey! Het is oké’, een campagne waarmee het ministerie van Volksgezondheid het bewustzijn over depressie en angststoornissen wil vergroten. In de videoserie gaat journalist en ervaringsdeskundige Femke Sterken met mensen in gesprek over hun psychische problemen. De gesprekspartners zijn allemaal BN’ers, oftewel succesvolle mensen van wie je niet zou verwachten dat ze te maken krijgen met zulke problemen. Dat lijkt in ieder geval de veronderstelling van de serie.

Of die premisse handig gekozen is of niet kan even buiten beschouwing blijven, aangezien de video’s eigenlijk om iets anders draaien. Elke aflevering vraagt Sterken aan de geïnterviewde het onderwerp depressie of angststoornis bespreekbaar te maken. De interessante uitdaging: hoe breng je de psychische ziekte onder woorden, op zo’n manier dat iemand zonder ervaring ermee begrijpt hoe het voelt?

Dit is een uitdaging omdat stemmingsstoornissen zo ver afstaan van ons ‘alledaagse’ repertoire aan emoties, dat ons gewone vocabulaire hiervoor niet volstaat. Hoewel een depressie weleens wordt voorgesteld als een verhevigde variant van alledaagse emoties als verdriet en somberheid, is dat geen goede vergelijking. Verdriet en somberheid behoren immers tot de grijstint in het palet van gevoelens dat we allemaal wel kennen, tot de gevoelens die we kunnen accepteren als onderdeel van een gezond leven. Maar een depressie is geen grijstint in een verder gezond palet, het is wat je voelt als je dat gezonde palet weggooit en vervangt door iets anders; een depressie is een heel ander soort bewustzijn.

Dat ik de beschrijving van het kleurenpalet ontdekte als een manier om over deze klachten te schrijven komt doordat ik me een tijdlang heb beziggehouden met het woorden geven aan zulke emoties. Toen ik op mijn achttiende voor het eerst psychische klachten kreeg, merkte ik hoe eenzaam dat kan zijn. Om die eenzaamheid te bestrijden wilde ik mensen laten delen in mijn ervaring, en dat kan alleen als je er de juiste woorden voor kunt vinden.

Dat taal belangrijk is voor iemand die kampt met angsten en depressies, kan iedere psycholoog je vertellen. Zo is namen geven aan je angsten een beproefde manier om ermee om te gaan, omdat je ze dan sneller herkent en er patronen in kunt ontdekken. Ook heb ik zelf ervaren dat de taal die je aan je symptomen geeft, invloed heeft op hoe je je voelt. Toen ik mijn angstgedachten voorstelde als naalden die door mijn bewustzijn prikten, werden ze nog naarder.

De onlangs overleden presentatrice Martine Bijl omschrijft dit ook in Rinkeldekink, haar boek over de depressie en fysieke klachten die zij na een hersenbloeding in 2015 kreeg. Haar hielp het om zich voor te stellen dat er een wezentje in haar hoofd kroop: ‘Hij betekent chaos, maar ik noem hem anders, omdat ik op die manier bang voor hem ben. Wie je een naam geeft, daar moet je vriendschap mee kunnen sluiten, als met een huisdier. Daarom heet hij nu E.T., naar de buitenaardse oudemannetjespuber in de film van Steven Spielberg.’

Het vinden van woorden voor psychische klachten kan iemand die hiermee worstelt dus daadwerkelijk helpen, en wat dat betreft is het lovenswaardig dat een campagne als ‘Hey! Het is oké’ de klachten bespreekbaar maakt. In een aflevering met tv-presentatrice Sofie van den Enk doet Femke Sterken dat door eerst onder woorden te brengen wat een depressie voor haarzelf betekent. ‘Ik beschrijf het altijd als een donkere, dikke deken waar ik onder zit,’ zegt ze. Van den Enk vult haar aan met een iets andere ervaring en zegt: ‘Voor mij was het meer een soort flat line. Alle vormen van beweging zijn eraf.’

Nu is er iets dat aan de woordkeus van beide ervaringsdeskundigen opvalt, zeker voor iemand met interesse in literatuur en poëzie: zowel Sterken als Van den Enk praat in beelden als het over haar ziekte gaat. Een depressie is een donkere deken, of een flat line.

Als je kijkt naar de taal die psychisch patiënten voor hun ervaringen gebruiken, kom je dit soort metaforen vaker tegen. Winston Churchill noemde zijn depressieve buien een ‘zwarte hond’ en stelde ze voor als een onaangename metgezel, een wezen dat je soms achtervolgt. Ook bekend zijn de metaforen die een gevoel van opsluiting verbeelden, zo beschreef een depressieve vriendin van mij haar stemming eens als een aquarium: het glas dempte de waarneming van de buitenwereld. Het meest gangbaar zijn echter de meteorologische metaforen, zoals de grijze mist of donderwolk. Het woord ‘depressie’ lijkt zelf overigens ook een meteorologische metafoor; in de weerkunde is dat immers een lagedrukgebied dat voor een letterlijke storm kan zorgen, waar een mentale depressie een figuurlijke storm in het hoofd is.

Dat deze metaforen de taal omtrent psychische ziektes bepalen, is eigenlijk niet vreemd. Je kunt zeggen dat het de taak van metaforen en poëzie is om daar te hulp te schieten waar prozaïsche taal tekortschiet. En dat prozaïsche taal tekortschiet als het gaat om mentale aandoeningen, mag blijken uit het idioom van de psychiater of neuroloog. Die neemt de klachten waar als hersenziektes die veroorzaakt worden door een ‘chemische verstoring’ in het brein, waardoor bepaalde stoffen niet goed vastgehouden worden.

Neem bijvoorbeeld deze droge tekst op de site van de Hersenstichting over de oorzaken van depressie: ‘In onze hersenen zijn stoffen actief die zorgen dat de verschillende delen goed met elkaar communiceren. Serotonine en noradrenaline zijn twee neurotransmitters, die ook belangrijk zijn bij het regelen van gevoelens als angst en somberheid. Antidepressiva beïnvloeden deze neurotransmitters en kunnen tot herstel leiden.’ Deze neurologische definitie is misschien verhelderend, maar zeker niet invoelend. Want wat zeg ik nu eigenlijk als ik vertel dat mijn hersenen minder serotonine vasthouden?

Binnen de romanliteratuur zou je de metaforische en de diagnostische taal tegenover elkaar kunnen zetten aan de hand van twee literaire stromingen: de psychologische roman en de neuroroman. De psychologische roman kennen we allemaal, omdat hij sinds de negentiende eeuw de hoeksteen van de westerse literatuur vormt en afgezanten als Anton Tsjechov, Louis Couperus, Virginia Woolf en Sylvia Plath had. Vooral de laatste werd bekend met haar treffende beschrijving van depressie als ‘een glazen stolp’ in de gelijknamige roman.

Plaths metafoor van de glazen stolp is treffend omdat het weergeeft hoe een psychische ziekte als gevangenschap kan voelen – de oorzaak ligt niet extern, maar in je eigen geest. Hoofdpersoon Esther beschrijft in de roman dan ook hoe haar stemming voelt als iets waar ze niet aan kan ontkomen: ‘Al had mevrouw Guinea me een reis naar Europa aangeboden, of een wereldcruise, het had voor mij geen enkel verschil gemaakt, want waar ik ook zat – op het dek van een schip of op een terrasje in Parijs of Bangkok – ik zat toch altijd onder diezelfde glazen stolp te smoren in mijn eigen zure lucht.’

Dat beeld hoeft niet te stroken met de werkelijkheid, maar het geeft wel goed het gevoel weer. Ook al ben je onbekend met deze emotie, het idee gevangen te zitten achter glas roept automatisch benauwenis op. Ook aangrijpend is Esthers beschrijving van een gevoel van leegheid: zij voelt zich ‘zoals het oog van een tornado zich moet voelen, traag voortbewegend in het middelpunt van de heisa rondom.’ Dit soort beeldende beschrijvingen van gevoelens zijn kenmerkend voor de psychologische roman, waarvan het ontstaan samenhing met de opkomst van de psychotherapie en dus met het procedé om over psychische klachten te praten binnen de context van gesprekstherapie.

Hoe anders is de culturele traditie waar de neuroroman uit voortkomt. De neuroroman is een relatief nieuw literair genre, dat de fascinatie van een klein groepje literatuurwetenschappers vormt en voortkomt uit de recente populariteit van de neurowetenschap, met in Nederland populair-wetenschappelijke bestsellers als Wij zijn ons brein van Dick Swaab. De taal in de neuroroman is dan ook ontleend aan dat wetenschapsgebied; je zou het genre kunnen zien als een literair project van enkele auteurs om het menselijk denken en gedrag medisch en biologisch te beschrijven. Kort gezegd: de neuroroman probeert niet beeldend of poëtisch te zijn, maar juist beschrijvend, prozaïsch en letterlijk.

Het is dan ook tekenend dat in de neuroroman de medicus vaak de hoofdpersoon is en niet de patiënt. Dit is ook het geval in de als neuroliteratuur getypeerde roman Saturday van Ian McEwan. De protagonist van dit boek is de neurochirurg Henry Perowne, die bij een verkeersopstopping een aanvaring heeft met de agressieve Baxter, een man in wie Perowne meteen symptomen van de ziekte van Huntington herkent.

Aan het begin van het boek ontmoeten Perowne en Baxter elkaar doordat hun auto’s in een smalle Londense straat op elkaar botsen. Perowne stapt meteen uit om verzekeringsgegevens uit te wisselen, maar daar wil Baxter niks van weten. Baxter en zijn compagnon intimideren Perowne en willen geld zien, maar met een opmerking over de ziekte van Huntington zet Perowne de mannen op het verkeerde been en weet hij ze af te wimpelen. Later in het boek krijgt dit voorval nog een staartje: Baxter voelt zich zo vernederd dat hij Perowne achtervolgt naar zijn huis, daar naar binnen sluipt en Perowne en zijn familieleden een tijdlang gegijzeld houdt.

Het is vooral in deze scène dat de kenmerken van de neuroroman goed naar voren komen, want terwijl Perowne zijn gijzelnemer observeert, reduceert hij hem tot biologische taal. Baxter is simpelweg iemand met ‘beduidend meer dan veertig CAG-repeats in het midden van een duister gen op chromosoom vier’ en het lot van de Huntington-patiënt ligt vast ‘in broze eiwitten’, aldus Perowne.

Dat biologische perspectief in de neuroroman heeft voordelen en nadelen. Een psychiatrische aandoening als hersenziekte benaderen is deterministisch, maar zorgt er wel voor dat de patiënt ten minste niks te verwijten valt; hij is gewoon ziek en voelt zich waarschijnlijk al schuldig genoeg. In de psychologische roman zijn de klachten treffender beschreven, maar vaak wel als gevolg van iemands trauma’s en persoonlijkheid, wat het aantrekkelijker maakt om de klachten als karakterfouten te zien. De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden, tussen nature en nurture in.

Welke benadering dichter bij de waarheid komt doet er ook niet toe, aangezien waarheidsvinding niet het doel van literatuur is. Het doel van literatuur is om de menselijke ervaring te beschrijven, in al zijn particulariteit en tegenstrijdigheid. De beschrijving van chromosomen en eiwitten in Saturday maakt de ziekte begrijpelijk, waar Sylvia Plaths metafoor van de glazen stolp de emotionele pijn ook invoelbaar maakt. Daarom is deze metafoor ook emanciperend: het geeft mensen met psychische problemen een stem, een mogelijkheid om empathie uit te lokken. Het is daarom volkomen logisch dat Femke Sterken en Sofie van den Enk in de campagnevideo de metaforische taal van de psychologische roman gebruiken. Want emanciperen en mensen de mogelijkheid geven te praten over hun klachten – het is precies het doel van een campagne als ‘Hey! Het is oké’.

Daarmee laat deze campagne van het ministerie van Volksgezondheid het belang van dat andere ministerie zien; namelijk het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waar al sinds de crisis zo’n kaalslag op wordt gepleegd. Want als het om ons belastinggeld gaat, staat het belang van (mentale) gezondheid buiten kijf, terwijl kunst en cultuur slechts hobbyisme lijken. Maar wat als de kunst ook een functie heeft in de mentale gezondheid van mensen; als literair, beeldend taalgebruik de enige patiëntentaal is die gezonde mensen verstaan. Waarom zou je investeren in het spreken, als je bezuinigt op de taal?

Dat we de beeldende taal nodig hebben blijkt ironisch genoeg ook uit de roman Saturday, die zich op momenten toch bedient van metaforen. ‘Als strakke snaren trillen zijn zenuwen mee met elk nieuwsbericht,’ zegt hoofdpersoon Henry Perowne bijvoorbeeld als hij de hevige angst probeert beschrijven die hij voelt bij het volgen van het nieuws, een bezigheid die volgens hem onder hoogdruk is komen te staan sinds de aanslag op de Twin Towers. Zoals het een neurochirurg betaamt, neemt hij de zenuwen op in zijn ervaring, maar hij gebruikt ook de metafoor van de snaar om het gevoel van spanning invoelbaar te maken. Het is veelzeggend dat zelfs neuro-auteur McEwan er niet aan ontkomt zijn prozaïsche, wetenschappelijke taal literair leven in te blazen met poëzie.


Ezra Hakze (1993) werkt als freelance tekstschrijver en redacteur voor uitgeverijen en online media. In 2017 studeerde ze af op moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Naast journalistiek werk schrijft ze essays, poëzie en korte verhalen, die onder meer gepubliceerd werden in de Revisor en op de website van dagblad Trouw.