Een klein foto-universum

De poëzie van een plastic zak

Elspeth Diederix laat ons met een andere blik naar alledaagse voorwerpen en de natuur kijken. Afval fascineert haar. In haar foto’s, die ze over de hele wereld maakt, gaan surrealisme en luchtig engagement hand in hand.

VEEL MENSEN hebben een foto van de kunstenares Elspeth Diederix (Nairobi, 1971) in huis, al weten ze dat wellicht niet. Op de voorkant van Tommy Wieringa’s roman Joe Speedboot prijkt haar werk California (2001). Een jongen klemt een sinaasappel tussen zijn schouder en hoofd. Dat beeld. Met de sinaasappel. Het is een vervreemdende foto, die je niet snel vergeet. Ook op de nieuwe roman van Wieringa, Caesarion, staat dezelfde jongen, die ditmaal een paard de zee in draagt. Zo is het met veel werk van Diederix, winnaar van de Prix de Rome in 2002. Een melkvlek die zich verspreidt tussen felgekleurde objecten, een meisje dat haar gezicht in het groene kroos steekt of een roze post-it op een witte boom in een sneeuwlandschap: Diederix ontdoet voorwerpen van hun oorspronkelijke functie en plaatst ze in een nieuw geordende realiteit, die bijna abstract lijkt.
Haar eerste museale solotentoonstelling in Museum Jan Cunen bestaat uit dertig foto’s vanaf 2000. Door de zorgvuldigheid in compositie en de aandacht voor kleur en materiaal kun je het best spreken van moderne stillevens. ‘Wat mij altijd opvalt, is vuilnis’, zegt Diederix op een video in de laatste tentoonstellingsruimte. Een plastic zak bijvoorbeeld vindt ze niet lelijk, maar juist mooi. Ze heeft er een verzameling van. Het materiaal is bijna doorzichtig en het bestaat in een soort tussenwereld, want in het gebruik merken mensen het bijna niet op.
Cloud (2003) laat een groepje plastic zakken zien dat boven de zee in de lucht zweeft, zo licht als een wolk. Op Azalea (2003) zien we een struik met roze bloemen waarin gekleurde plastic zakken hangen, waardoor ze op bloemen gaan lijken. Diederix maakt ons bewust van de spullen om ons heen en levert ook kritiek op de consumptiemaatschappij. Maar ze is geen politicus of milieuactivist die met de vinger ogenschijnlijke schuldigen aanwijst. Haar werkwijze is subtieler. Ze gebruikt haar verbeelding, waarmee ze ons allen aanspreekt. Ze speelt met de voorwerpen die wij achterlaten en laat ze vloeken met de natuur. Het levert poëtische beelden op, die positief aandoen. ‘Dat wij dit hebben kunnen maken.’ Deze verwondering, over bijvoorbeeld een fles of een schaar, typeert Diederix. Ze toont een kinderlijke vindingrijkheid en een onbevangen kijk op onze tijd. En dat in een periode waarin we in het Westen worstelen met onze materiële overdaad, die we op geen enkele manier meer kunnen goedpraten.
Voor de beeldende kunst is afval geen nieuw fenomeen. Het wordt al lange tijd gebruikt, sinds het begin van de twintigste eeuw. Diederix past in een traditie die begon met dada en het surrealisme, maar hoe zij omgaat met haar materiaal is geheel eigentijds. Door de vrolijke kleuren heeft het werk een glossy, meisjesachtig karakter. Tegelijkertijd dreigt er iets, omdat de voorwerpen zo gestileerd en uit de menselijke context zijn gehaald. Deze sfeer komt tot stand zonder gebruik van digitale manipulatie. Illusies worden op een andere manier gewekt. Als ze boterbloemen wil laten zweven, zoals in Buttercups (2007), dan bouwt Diederix een mobiel van draadjes die je bijna niet kunt zien. Het moet echt zijn. Niet glad. Soms is het zelfs een beetje onhandig en terloops.
Wie van deze fotografie houdt, zou ook eens naar het werk van Paulien Oltheten (1982) kunnen kijken. Zij heeft ook oog voor het kleine en het licht absurde op straat, in de stad en de natuur. In ruimere zin vertonen de foto’s van Diederix overeenkomsten met het werk van Mark Manders (1968). Ook hij creëert een wat naïef aandoend universum waarvan de bouwstenen uit het alledaagse leven afkomstig zijn. Potloden, lucifers, potjes en bolletjes wol. Maar waar Manders een hermetisch afgesloten wereld bewoont (mannelijk), bereist Diederix verscheidene culturen (vrouwelijk). Bijna elk werk is in een ander land gemaakt. Dat geeft aan haar oeuvre een exotisch karakter. Reizen is voor haar een manier van leven. Bijna altijd is ze onderweg. Ze reist niet voor de plekken zelf, maar om te kijken en te fotograferen. Vaak is het land niet expliciet aanwezig, maar slechts op de achtergrond. Zoals op Jasmin Chair (2004). In een donkere tuin zweven twee plastic stoelen boven de grond, waarvan er eentje is beplakt met geelwitte jasmijnbloemetjes. Op de achtergrond kun je nog net de silhouetten van palmbomen ontwaren.
Elke plek heeft een invloed op haar, toch is het karakter van haar werk consistent. Dat komt door de afstand die ze tot haar onderwerp bewaart. Zelf komt ze niet in haar foto’s voor. Ze kijkt liever en dat is ook wat de toeschouwer doet: haar foto’s met plezier bekijken. Lichtzinnig werk als dit gedijt het best als het bij elkaar hangt. Dan krijgt het iets meer gewicht. Want haar werk oogt fragiel. Toch is het niet kwetsbaar, daarvoor is het te eigenwijs. En de kunstenares zelf oogt op de video te dromerig en ijverig om werkelijk aangeraakt te worden door het leven.

ELSPETH DIEDERIX is in Kenia geboren, waar haar vader werkte als geoloog. Net als hij heeft ze interesse voor de natuur. Ze studeerde vanaf haar negentiende aan de Rietveld Academie en vervolgens aan de Rijksacademie. Voordat ze fotografeerde, maakte ze sculpturen en schilderijen. Beide invloeden zijn in haar foto’s terug te zien. De ensembles zijn samengesteld als een sculptuur en ze legt deze op een schilderachtige wijze vast. Ieder werk heeft een houten omlijsting en hangt op ooghoogte aan de muur, waardoor het in formele zin nog meer op een schilderij gaat lijken.
Op de Rijksacademie leerde ze Maura Biava kennen, met wie ze in 2002 het project Doride/Ultramarine is gestart: foto’s die uitsluitend onder water zijn gemaakt. Samen reisden ze naar tropische zeeën, zoals de Rode Zee bij Egypte, voor de heldere, diepblauwe kleur. Van deze serie is er een aantal foto’s in de tentoonstelling opgenomen. Die werken hebben een geheel eigen karakter, al is het onmiskenbaar Diederix. Bleu Dress (2002) toont een klassieke jurk die gewichtloos in het water zweeft. Door de vorm, alsof het kledingstuk wordt gedragen door een mens, krijgt de foto een spookachtige lading. Dezelfde sfeer ademt Transparent Still Life (2002). Op een dienblad staan bekers, flessen en bakjes van glas en plastic, zoals ze doorgaans door een ober worden gedragen in een restaurant. Ze hangen daar heel stil, onder water. Op de achtergrond wat luchtbellen. Er is geen mens te bekennen.
Niet elke foto op de tentoonstelling is even bijzonder. Een foto van een tl-buis die ’s nachts in hoog gras ligt en fel licht verspreidt, is een leuke vondst maar ook vrijblijvend. Hetzelfde geldt voor een roze geschilderde motorfiets, waarmee Diederix met haar vriend door India heeft gereden. De verwijzing door het museum naar Magritte’s pijp die geen pijp is (want is de motorfiets nog wel een motorfiets nu je er niet meer op kunt rijden?) is wat vergezocht.
Er is een tentoonstellingsruimte met een ‘behang’ van honderden kleine voorstudies. Dit biedt inzicht in de manier van werken en leven van Diederix. Maar ook verbreekt het de verstilling van haar echte werk. Het lijkt wel een verzameling vakantiefoto’s. Je hoopt als toeschouwer toch dat de wereld achter de kunst net zo sterk tot de verbeelding spreekt als de werken zelf doen. Dat het één pakket is en de kunstwerken een soort postkaarten zijn uit een betere wereld. Een plek die toch wél blijkt te bestaan. Maar hier zien we opeens zon, slippers en een vrouw die altijd in het gezelschap is van haar vriend. Alsof ze alleen maar plaatsen aandoet waar het goed toeven is. Dat maakt het werk minder noodzakelijk en haalt het mysterieuze eraf. Bij een andere kunstenaar zou hetzelfde zijn gebeurd: door de magie van het werk valt de realiteit nu eenmaal tegen.

DE MEEST RECENTE foto’s uit 2008 zijn het resultaat van een werkverblijf in het Europees Keramisch Werk Centrum (EKWC) in Den Bosch. Ze verschillen van het andere werk. We zien bijvoorbeeld een maquette van twee muurtjes, opgetrokken uit klei, waarboven een zwarte rookwolk hangt. De kleuren zijn somber en het materiaal is zwaar. Een andere foto laat een van klei gemaakt cassettebandje zien dat schuin tegen de muur staat. Hierin toont zich opnieuw Diederix’ achtergrond van beeldhouwer.
Er zijn ook enkele portretten in de tentoonstelling opgenomen. Het is opvallend dat je de gezichten van de mensen nooit goed kunt zien. Ze gaan schuil achter een gele drinkbeker of achter een rode zak die tegen de wang is gewaaid. Dat is eigenlijk wel prettig. De mens is zo druk bezig om de hele wereld te bedekken met zijn aanwezigheid, het is een opluchting als je tegenover een foto staat waarin onze hoogmoed in twijfel wordt getrokken. Door een plastic zak.
Haar schetsboeken, waarvan er een aantal in een vitrine ligt, tonen aan hoe nauwkeurig Diederix ieder werk voorbereidt. Ze kan goed tekenen. Het zijn eigenlijk kunstwerkjes op zich. Na de schetsfase maakt ze veel foto’s waarvan ze de beste uitkiest. Ze is zo kritisch dat er soms maar zes werken per jaar goed genoeg zijn. Dit spreekt het vakantiegevoel dat je kreeg bij het zien van het ‘behang’ weer tegen. Het maakt Elspeth Diederix ongrijpbaar en interessant.

Elspeth Diederix. Museum Jan Cunen, Oss, t/m 28 juni