Het midden komt in het nauw

De polder in crisis

Voor het eerst verwacht de middenklasse dat haar kinderen het in de toekomst minder zullen hebben in plaats van beter. Het midden wordt rancuneus en wil behouden wat het heeft. De politiek voegt zich naar die veranderde moraal.

De toespraak die Barack Obama in december afstak in Osawatomie, Kansas, is een sleutelrede in zijn presidentschap. Hij zette al zijn retorische gaven in om te schetsen hoe de Amerikaanse droom dreigde te ontaarden in een broken dream. Het vooruitgangsgeloof in de VS wankelt en dat kan volgens Obama onvermoede gevolgen hebben, niet alleen economisch maar ook moreel. In het dagelijks bestaan is het idee dat de toekomst je toelacht een niet te onderschatten drijvende kracht. Er gaat iets goed mis in de psyche van de natie als die verwachting niet meer uitkomt. ‘De sporten van de maatschappelijke ladder zijn verder en verder uit elkaar geraakt, waardoor de middenklasse is gekrompen’, zei de president. ‘Voor de middenklasse is dit het moment van erop of eronder.’ De politiek filosoof Francis Fukuyama karakteriseerde het fenomeen als volgt: ‘Amerikanen profiteren nog wel van goedkope mobieltjes en kleding en van Facebook, maar in toenemende mate kunnen zij zich geen eigen huis meer permitteren, geen zorgverzekering, geen comfortabel pensioen.’ (zie zijn essay elders in dit nummer)

Volgens Obama is de crisis van de middenklasse het grote maatschappelijke drama van deze tijd. De VS raken uit evenwicht doordat de vooruitgang niet meer vanzelfsprekend is. De tegenstellingen verharden, zowel in de maatschappij als in de politiek. Wereldwijd bezien legt Fukuyama een verband met de opkomst van de middenklasse in tal van landen en de verdrievoudiging van het aantal democratieën sinds 1970. De bange vraag is wat er gebeurt als het midden het in die landen weer benauwd krijgt.

Thema’s als de groeiende ongelijkheid, de wankelende middenklasse en de dreigende armoedeval zijn mede daarom in Amerika dagelijkse kost in de media. In Nederland is dat niet zo. Dat betekent ofwel dat de toestand hier minder ernstig is, ofwel dat de ernst van het fenomeen nog niet wordt onderkend. ‘Een crisis gaat sluipend’, zegt econoom en oud-Robeco-topman Jaap van Duijn. ‘Wanneer had men in het dagelijks leven van de jaren dertig werkelijk door dat het crisis was? In 1932 speelde Louis Armstrong nog gewoon en dansten we in de ballroom. Ondertussen kroop de crisis alle geledingen van de samenleving binnen.’

Lange tijd hebben politiek en samenleving zich gekoesterd in de gedachte dat vooruitgang de maat is en tegenslag tijdelijk. Nu kan het perspectief wel eens kantelen. Zijn de VS met hun groeiende ongelijkheid en dalende levens­standaard voor de middenklasse ons voorland? De officiële statistieken wijzen erop dat het Amerikaanse superkapitalisme drastischer dan de gematigde Europese markteconomie de sociale basis aantast waarop de middenklasse rust. Sinds 1970 stagneert het modale inkomen in de VS, met als gevolg dat mensen in de middenklasse harder moeten werken en meer schulden maken om bij te blijven. ‘Amerika is een winner takes all-economie geworden’, aldus Van Duijn. ‘De rijken wenden zich van de maatschappij af. Zoek het maar uit, zeggen ze, zolang wij maar in de grabbelton kunnen graaien.’

In Nederland geven de officiële cijfers over de inkomensverhoudingen geen beeld van toenemende verschillen. Maar achter de cijfers gaat wel degelijk een wankelende maatschappelijke ladder schuil waarop de middenklasse zich met moeite staande houdt, als dat al lukt. Alles wat in jaren van voorspoed doorgaans tot de zekerheden van het bestaan behoorde, zoals werk, betaalbare zorg, goed onderwijs en een welvaartsvast pensioen, is nu lang niet meer zo vanzelfsprekend. De armoedeval klapt eerder open dan vroeger. Dat geldt te meer nu ook het behoud van inkomen en vermogen minder zeker is en overheidsvoorzieningen allengs schraler worden.

Van Duijn publiceerde recent het boek De schuldenberg. ‘Er is in Nederland veel geleende welvaart’, zegt hij. ‘In Amerika hebben we hetzelfde zien gebeuren. Iedereen kreeg een creditcard, tot de hond aan toe. Inmiddels zijn Nederlanders wereldrecordhouder gezinsschulden. Nergens ter wereld hebben gezinnen relatief zo veel geleend als in Nederland. Sinds 2003 geven we hier ieder jaar meer uit dan we aan inkomen binnenkrijgen. De consumptie is dus hoger dan het beschikbaar inkomen. Dramatischer geformuleerd lenen we steeds meer van de toekomst om onze individuele welvaart van nu te behouden. De toekomst zoekt het maar uit. Veel welvaart is dus kunstmatig, gekocht met geleend geld, ten koste van enorme inspanningen om dat niveau vast te houden.’

In de Nederlandse samenleving en ook in de politiek zit volgens Van Duijn een enorme krampachtigheid, gericht op het behoud van wat we hebben: ‘Dat moeten we een keer los­laten en we moeten erkennen dat we boven onze stand hebben geleefd. Voor dat pijnlijke aanpassingsproces staan we nu. We gaan aan de andere kant van de heuvel naar beneden.’

De middenklasse heeft het dus ook in Nederland benauwd. ‘De gemoedsrust van een redelijke zekerheid in het bestaan is aan het verdwijnen’, zegt Peter van Lieshout, lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regerings­beleid (wrr). ‘En dat heeft een verstarrend effect op politiek en samenleving. Onrust remt de verandering en vernieuwing. In een turbulente tijd klamp je je vast aan de zekerheden van nu, voorzover ze er nog zijn, en doe je geen langetermijninvesteringen.’ In deze omstandigheden zullen mensen die hun plek in de middenklasse hebben bevochten bovendien geneigd zijn hun positie steviger af te schermen. Mede onder hun druk is de politiek terughoudend in de aanpassing en modernisering van regelingen die hun bescherming bieden, de hypotheekrenteaftrek voorop. Daardoor wordt het beklimmen van de maatschappelijke ladder voor anderen moeilijker. De wrr constateerde dat proces al vóór het uitbreken van de schuldencrisis, in het rapport De verzorgingsstaat herwogen (2006), waarvan Van Lieshout co-auteur was. In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog was de tegenstelling tussen arm en rijk de meest urgente. Nu zijn het de spanningen tussen gevestigden en nieuwkomers die conflictueus dreigen te worden, ofwel tussen jong en oud, allochtoon en autochtoon, hoger- en lageropgeleiden.

De crisis van de middenklasse is ook de crisis van de klasse die evenwicht en cohesie in de samenleving brengt. Vanouds is zij de drijvende kracht van de maatschappij, niet alleen economisch maar ook moreel. Het economische belang van een goed functionerende middenklasse is evident. Door de omstandig­heden, waartoe doorgaans een eigen huis en een gezin behoren, moet zij goed presteren om het bereikte levenspeil te behouden en mogelijk te verbeteren. Dat werkt als een katalysator voor economische groei. De middenklasse genereert op deze wijze bovendien een ethiek van de vooruitgang. Om vooruit te komen, is het noodzakelijk door te zetten, jezelf voortdurend verder te ontwikkelen in vaardigheden en intellect, je behoeften te temperen en je eigenbelang te bemiddelen met dat van anderen. Dat zijn vormende krachten van deugden die als het morele kapitaal van de samenleving worden beschouwd, zoals wijsheid, rechtvaardigheid en zelfbeheersing.

Volgens politicologe Margo Trappenburg is het verschil met de rijke toplaag dat het welzijn van de middenklasse in hoge mate afhangt van het welzijn van het land en de kwaliteit van de publieke voorzieningen. Trappenburg: ‘De elite hoeft zich niet te interesseren voor de publieke zaak, want zij heeft die publieke zaak niet nodig. Hun kinderen hoeven niet naar de kinderdagverblijven en de gewone naschoolse opvang, want zij huren een of twee gediplomeerde nanny’s voor hun kroost. Ze hoeven niet te tobben over de kwaliteit van Nederlandse verpleeg­huizen, want hun ouders kunnen hun laatste dagen slijten in luxe particuliere verpleeg- of verzorgingshuizen. Ze hoeven niet in de bus en kennen de frustratie niet als de NS de aansluitende trein voor je neus laten wegrijden.’

Het geeft volgens de socioloog Godfried Engbersen dan ook te denken dat de middenklasse de publieke zaak de rug toekeert: ‘Je ziet dat hun vertrouwen in de publieke instituties wegebt. Het naoorlogse vooruitgangsoptimisme ging gepaard met een groot vertrouwen in de instituties die sociale stijging mogelijk maakten, in de sfeer van onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg. De middenklasse profiteerde daar massaal van. Daarom was ze bereid er belasting voor te betalen. De mensen kregen goed onderwijs, ze werden gezonder, hun huisvesting verbeterde. In die jaren was het welbegrepen eigenbelang in balans met het dienen van de publieke zaak. Dat evenwicht is nu weg, door de gefnuikte verwachtingen over de toekomst. De middenklasse trekt zich terug en wordt wantrouwend, wrokkig, rancuneus zelfs. Hun steun voor al de publieke instituties is aan het afnemen. Ze gaan op zoek naar zelfhulp, private oplossingen. Vandaar de vlucht in de privé-klinieken en -scholen.’

Engbersen, co-auteur van onder meer het boek Het cement van de samenleving, wijst op de consequenties die deze tendens heeft voor de publieke moraal. ‘Die moraal van samen­leven en samenwerken bestond bij de gratie van het vooruitgangsgeloof. Men werkte samen en matigde zijn eigen wensen omdat dat loonde. Nu is die ervaring van vooruitgang weggevallen. Het engagement met het publieke en de bijbehorende moraal van altruïsme, matiging en zelfbeheersing is daardoor moeilijker op te brengen. Mensen zoeken het isolement op. Hun vermogen om voorbij het individuele eigenbelang te kijken wordt minder en hun moraal krijgt daarmee trekjes van escapisme, individualisme en egoïsme, van zorgen voor jezelf en beschermen van jezelf. Dat heeft in belangrijke mate sociaal-economische oorzaken. De mensen zitten in een onzekere positie, vooral op de arbeidsmarkt, en dat maakt hen defensiever.’

Deze omslag in het engagement met de publieke zaak heeft zijn weerslag op de instituties die deze zaak behartigen. Engbersen: ‘Al die instituties die ooit de sociale stijging mogelijk maakten verkeren in een crisis, van de woningbouwvereniging tot de school, het ziekenhuis, de vakbeweging. Vroeger had je het vertrouwen dat er een goede leraar voor de klas van je kinderen stond en geen stoethaspel. Dat moet je nu nog maar afwachten. De woningcorporatie was ooit zuinig, eerlijk en degelijk, nu kopen ze voor tweehonderd miljoen een oud cruiseschip in Rotterdam, beleggen ze in allerlei dubieuze avonturen en incasseren de topmannen voor al die onkunde ook nog eens idioot hoge salarissen. Het vertrouwen in al die instituties is wankel of zelfs al verloren gegaan. Mensen drijven af van de publieke zaak, met als gevolg dat zich een spiraal naar beneden in gang zet. Volgens Zygmunt Bauman leven we in een liquid modernity, een vloeibare moderniteit. Daarin zijn allerlei instituties die vroeger stabiliteit aan de samenleving gaven gefragmenteerd geraakt, de politiek niet in de laatste plaats. Daar heerst onvermogen om een politiek project voor de langere termijn te formuleren, waar mensen zich achter kunnen scharen. Het is nu een politiek van korte sprintjes, in de hoop dat je dan ergens komt. Dan is het niet zo gek als een langetermijnproject bij uitstek als milieu en duurzaamheid er bekaaid van afkomt.’

Jaap van Duijn: ‘Het kabinet-Rutte heeft gedurende zijn gehele bestaan de lange termijn geminacht. Er is geen minister voor milieu meer. Milieu is bijvangst of eerder nog een onprettige bijkomstigheid. Midden-Delfland gaat eraan, dat is heel vervelend, maar de containers moeten vervoerd worden. Dat is puur welvaartsegoïsme. Ontwikkelingshulp? Daar doen we alleen aan als we eraan verdienen, anders heeft het geen nut. Welvaartsegoïsme. De euro? De enige reden waarom werkgeversvoorzitter Wientjes vreest voor de ineenstorting van de euro is dat ons bedrijfsleven dan minder kan exporteren naar Zuid-Europa. Het lot van de Grieken interesseert hem niks, zolang Nederland maar naar Griekenland kan exporteren. Welvaartsegoïsme.’

Peter van Lieshout kan zich in deze waarneming vinden. Anno 2012 wordt de politiek beheerst door de vraag hoe de materiële welvaart van nu vast te houden, waardoor onderwerpen van de langere termijn in de niet-materiële sfeer in het verdomhoekje zitten. ‘Het valt mij iedere keer weer op’, zegt hij, ‘dat het hele thema van de duurzaamheid uit het politieke en maatschappelijke debat lijkt te zijn verdwenen, van links tot rechts. Partijen vertellen het verhaal van de betere wereld niet meer. Rentmeesterschap? Bij het cda zul je dat woord niet meer horen. Ook de pvda zwijgt erover, om het over de vvd maar niet te hebben. Er is geen politieke ruimte voor een betoog nu ergens van af te zien om het later beter te krijgen. De politiek voegt zich daarmee naar de veranderde moraal van de middenklasse. Heerste daar ooit het idee dat je je behoort te matigen in je behoeften om het in de toekomst beter te hebben, nu gaat het om houden wat je hebt. Je ziet dan ook dat het politieke systeem inboet aan vermogen om dingen op te lossen. In het systeem is geen strategisch, belangen overstijgend beleid meer mogelijk. Het langjarig perspectief is geweken. In de polder is het niet anders. Het poldermodel werkt niet meer. De vakbeweging? Verkeert in totale verwarring. De Sociaal-Economische Raad? Krijgt al jaren weinig voor elkaar. Tot een paar jaar geleden stond Alexander Rinnooy Kan nummer 1 op de lijst van invloedrijkste Nederlanders. Nu is hij als voorzitter van de ser gedesillusioneerd vertrokken. De polder in crisis, de politiek in crisis, de middenklasse in crisis. Het is moeilijk dat alles af te schilderen als incidenten.’

In alle Europese landen met een sociale markteconomie bloeide na de oorlog de middenklasse dankzij een belangenruil tussen werkgevers en werknemers en dankzij een oriëntatie op de lange termijn. In Nederland kreeg deze verzoening van kapitaal en arbeid haar beslag in het poldermodel. Voor het eerst is de algemene verwachting onder de middenklasse nu dat de kinderen het in de toekomst minder zullen hebben in plaats van beter, als gevolg van de verslechterde kansen op werk, sociale zekerheid, goede zorg en onderwijs. Onzekerheid is het toekomstperspectief. Wie degradeert moet sterk in de schoenen staan om niet anderen de schuld te geven. In dat licht is het niet verwonderlijk dat de onvrede zich meer en meer richt tegen de vreemdelingen en de elite, de klassieke prooien van elke rancuneleer. In plaats van de naoorlogse verzoening volgt nu de polarisatie. Het midden komt in het nauw. Dat uit zich politiek in de groei van de flankpartijen, maatschappelijk in de spanningen tussen bevolkings­groepen, sociaal-economisch in het vastlopen van het poldermodel.

In de VS noemde Robert Reich, minister van Arbeid onder president Clinton, het wrang dat de regering in de afgelopen veertig jaar zo weinig weerwerk heeft geboden aan de degradatie van de middenklasse. Ten onrechte heeft zij volgens hem nagelaten de economische groei aan te wenden voor beter openbaar onderwijs, een breder sociaal vangnet, een volksverzekering tegen ziektekosten, een betere infrastructuur, een hoger minimumloon. De Amerikaanse regering deed juist het tegenovergestelde, schreef Reich in The New York Times: ‘Zij dereguleerde en privatiseerde, zij bezuinigde op de infras­tructuur, zij belastte de gezinnen met hogere kosten voor onderwijs, zij versplinterde de sociale zekerheid, zij stelde de ondernemingen in staat de vakbonden het bestaan onmogelijk te maken. En zij stond toe dat de financiële sector de baas van het bedrijfsleven werd en niet de dienaar, zoals het hoort.’

In Nederland verwondert Van Duijn zich over hetzelfde: ‘Het kabinet-Rutte stond erbij en keek ernaar hoe de maatschappij desintegreert en de individualisering steeds verder doorschiet. Het is goed dat het is gevallen, want dit kabinet minacht het gezamenlijke belang. Het beschermt de individuele geneugten zoveel mogelijk ten koste van de publieke taken. Wat zijn de eerste slachtoffers als er maatregelen moeten worden genomen ten behoeve van welvaartsbehoud? De natuur, het milieu, de kunsten, de ontwikkelingssamenwerking. Tegen beter weten in probeert het kabinet de private welvaart van de kiezers zo lang mogelijk in stand te houden, hoewel dat moeilijker en moeilijker gaat. Daarvoor wordt ons collectieve goed steeds verder uitgekleed. De private rijkdom wordt dus gekocht met publieke armoede. Dat interesseert ze geen ene fluit. Ik vind dit moreel het meest twijfelachtige kabinet van na de oorlog. Het is zo fout als het maar zijn kan. Dus het is goed dat er verkiezingen komen. Dit kabinet was slecht voor Nederland.’

Het beeld dat zich opnieuw opdringt is dat van een maatschappelijke ladder waaraan steeds meer sporten ontbreken, mede als gevolg van de bezuinigingen op de publieke sector. Het kabinet heeft in de anderhalf jaar van zijn bestaan eerder aan afbraak dan aan opbouw van de maatschappelijke ladder gedaan, naar het oordeel van de gesprekspartners van De Groene Amsterdammer. In een gesproken column adviseerde Margo Trappenburg daarom al eerder de collectieve voorzieningen op een niveau te houden waarop ook de middenklasse er gebruik van kan maken, om een uittocht uit deze klasse te voorkomen. Nu gebeurt het tegenovergestelde. Dat heeft een negatief effect op het vooruitgangsgeloof, een van de drijvende krachten van de samenleving, en ook op de publieke moraal.

Engbersen meent niettemin dat er nog altijd een voedingsbodem aanwezig is voor een publieke moraal die cohesie en stabiliteit in de maatschappij brengt: ‘Wat hoopgevend is, zeker bij jongere generaties en bij migranten, is dat arbeidsethos en ondernemerschap terugkeren. Het bruist en het borrelt overal, ook in het vrijwilligerswerk. Ik ben tegenwoordig bestuurslid van het Oranjefonds en elke keer sta ik weer versteld wat er allemaal in Nederland gebeurt. Burgers die als “maatje” kwetsbare mensen helpen, kunstenaars die creatief nieuwe inkomsten­bronnen zoeken, bedrijven die maatschappelijke-verantwoordelijkheidsprojecten opzetten. Bij die bedrijven zijn dat serieuze initiatieven, geen schaamlapjes. Ik neem ook een tegenbeweging waar die het publieke centraal stelt, het gezamenlijke belang, het delen. Een gunstig teken is de vlucht die de vorming van nieuwe coöperaties heeft genomen. Er zijn dus duizenden initiatieven in de samenleving. Eén tendens is die van de afsluiting, het escapisme, maar tegelijkertijd zie ik een zonnige zijde in al die nieuwe vormen van samenwerking.’

Engbersen bevestigt het beeld dat op deze wijze de maatschappelijke ladder van onderop wordt opgebouwd. ‘Inderdaad. En die beweging van onderop vind je vooral bij jonge mensen. Zij weten niet beter dan dat je ook voor jezelf zorgt als je een gezamenlijk doel nastreeft. Dat is het welbegrepen eigenbelang, het begrip dat het in je eigenbelang kan zijn niet het onderste uit de kan te willen, behoeften uit te stellen, je belangen te middelen met die van anderen. Dat welbegrepen eigenbelang is cruciaal. Elk systeem dat we ontwikkelen dat louter een moreel beroep doet op de middenklasse zal mislukken. Mensen moeten het idee hebben dat ze er zelf ook beter van worden als ze ergens aan bijdragen. De partij die in staat is dat te formuleren in een eigentijds verhaal zal beloond worden.’