De polderlach

Toen ik vorige week – het was zo’n lenteavond waar het woord ‘zwoel’ het alleenrecht op heeft – over een stampvol plein met terrassen liep, moest ik plotseling aan de Tsjechische componist Léos Janácek denken.

Die bleef wel eens midden op een markt of bij een café stilstaan, omdat hij geraakt werd door een gesprekje dat hij opving. Meteen greep hij een notitieboekje, niet om de woorden te noteren, want het ging Janácek niet om de inhoud. Het ging hem om de melodie. Razendsnel krabbelde hij de vijf lijnen van een notenbalk en tekende daarin de ‘spraakmelodie’.

Midden op dat plein, rond middennacht, kreeg ik ook de aanvechting om zoiets te doen. Het waren geen gesprekken die ik om me heen hoorde, maar lachsalvo’s. Aan steeds weer andere tafeltjes schoten steeds weer andere groepjes drinkers in steeds weer een andere lach.

Ik weet niet of het wetenschappelijk onderzocht is, maar mijn indruk is dat alleen Nederlanders op die manier kunnen lachen. Andere volkeren lachen natuurlijk ook wel eens – denk aan de Britten en de Ieren, met hun grote pullen schuimloos bier – maar daar is het verloop toch net iets anders. Kenmerkend aan ons lachen is dat na elke golf het eventjes relatief kalm is: blijkbaar is iemand een verhaal aan het vertellen dat naar een nieuwe pointe toewerkt, die de hele tafel toehoorders vervolgens opneemt in een belonende, bevrijdende schaterlach. Hoor je dit vanaf een terras ergens in een toeristenstad opstijgen, dan weet je onmiddellijk dat het Nederlanders zijn.

Misschien, bedacht ik die avond, is het een typische ‘poldermodellach’. Alle gesprekspartners aan de tafeltjes zijn in principe gelijkwaardig, en daarom mogen ze één voor één hun anekdote, grap of verhaal vertellen waar de anderen naar luisteren, en als officiële bevestiging van hun gelijkwaardigheid en het gehoord-zijn van hun stem lacht iedereen alsof ze zojuist onder hun oksels zijn gekieteld.

Janácek schreef over zijn spraakmelodieën dat hij zo’n ‘melodische curve’ wilde noteren, omdat die ‘als bij toverslag onmiddellijk aantoont hoe iemand zich in een bepaalde fase van zijn bestaan bevindt’. Zo is het ook met de lach: aan de lach herkent men het beestje. Bij elke levensfase en bij elke levensovertuiging hoort een unieke lachmelodie. En terwijl ik op dat plein stond – ik deed zelfs mijn ogen even dicht om nog beter de afzonderlijke partijen uit dit orkest te isoleren – pakte ik mijn opschrijfboekje, waarin ik nu teruglees:

Je hoort het ’s avonds opstijgen uit tuinen met nagloeiende barbecues

De blaffende baslach van mannen in T-shirts en driekwartbroeken. Het hoge, jodelende hinniklachen van de vrouwen van in de dertig. De trage, door decennia van sigarettenrook krakerig-hese schuddenbuiklach van gerimpelde oudjes. De joviaal-ironische managerslach van de ongeneeslijke corpsballen. De nette-dames-lach in twee tonen: eerst het hikkende opstapje, dan de lange uithaal, een octaaf hoger, een naar o neigende a waar – o la là – iets ondeugends in ligt en waarbij, gierend, alle lucht uit de longen ontsnapt. De eerstejaars-studentenlach die nog heel sterk lijkt op de gnuivende nerdslach van baard-in-de-keeljongens die in treincoupés videogames en cartoons bespreken met chips en redbull erbij. Het onbekommerde klater-tjilpen van meisjes van negentien.

Je hoort het ’s avonds opstijgen uit tuinen met nagloeiende barbecues. Je hoort het aan het strand boven het bulderen van de branding uit. Ik hoorde het laatst ook, tijdens een picknick in de speeltuin met alle ouders die hun kinderen in dezelfde klas hebben als ik. Dat is het sociale spel op het hoogste niveau, waarbij volwassenen ineens nieuwe contacten moeten aangaan die als vrij belangrijk worden gezien, want het gaat om het veilige netwerk rond de nakomelingen.

Ik heb eens gelezen over een onderzoek op een bowlingbaan. Als iemand een beslissende worp heeft gedaan waarbij alle kegels om zijn gekieperd (daar bestaan vast vaktermen voor, die ik niet ken, dus u moet me daar een beetje mee helpen) dan beginnen ze pas triomfantelijk te lachen als ze zich omdraaien en terug naar hun groepje lopen. Dus niet meteen na die strike die alle pins laat rondtollen op de lane (dank u). Nee, pas als de werper terug is van het jachtterrein en zijn makkers zijn overwinningsstatus bevestigen, dan pas verschijnt de lach op het gezicht van de winnaar. Lachen is dus niet zozeer een spontane uiting van inwendig plezier, het treedt alleen in interactie met een groep op.

Ik sloeg mijn notitieboekje dicht, en liep verder. Dat was het: aan al die tafeltjes werden bowlingwedstrijden gehouden, waarbij steeds iemand een bal over de baan mocht werpen, en zich daarna omdraaide naar de groep.

Honderden meters verder hoor ik nog steeds de golfslag van de polderlach.