De politiek denkt niet, maar organiseert

‘Voor ideevorming moet je niet zijn bij de mensen die de macht hebben. Mensen die macht hebben, staan nu eenmaal niet open voor ideeen.’ Het was een schokkende uitspraak, tijdens het Balie-debat over het voorstel van de PvdA'ers Kalma, De Beus en Scheffer voor een hechtere samenwerking van progressieve partijen. Schokkend omdat het machthebbers ontheft van de plicht inhoudelijk iets te melden te hebben. En extra schokkend omdat de uitspraak niet kwam van moegestreden visionairen, maar van PvdA- voorzitter Rottenberg en D66-senator Glastra van Loon. Ze hadden het dus over zichzelf. ‘Probeer je idee maar elders te slijten, want wij zitten te dicht bij de macht om er open voor te staan’, was de mededeling.

Rottenberg ging zelfs nog verder. Voor creatieve oplossingen voor bijvoorbeeld het milieuprobleem moet je niet bij partijen zijn; die oplossingen kunnen alleen buiten de gevestigde kaders ontstaan. De zaal kon die uitspraak op dat moment overigens alleen maar beamen. Want als er in de uren ervoor iets duidelijk was geworden, dan was het wel dat partijpolitiek een verrot bedrijf is, waar rancune, aftroeverij en cynisme hoogtij vieren. De heren PvdA'ers op het podium vlogen elkaar bijna letterlijk naar de keel. Niet vanwege inhoudelijke meningsverschillen, maar uit wederzijdse frustratie.
Frustratie die wel te begrijpen is. Je zal maar een partijprogramma hebben geschreven waar de betreffende partij tijdens de verkiezingen mooi weer mee speelt, om zich er vervolgens, nota bene als grootste regeringsfractie, weinig tot niets van aan te trekken. Het is die frustratie die Kalma, De Beus en Scheffer dreef tot het schrijven van hun samenwerkingsoproep. Rottenberg, op zijn beurt, had een paar weken daarvoor zijn nek al uitgestoken tegenover Kok en Wallage door Kalma te steunen bij een ander rapport. Hij kon zich zulke steun niet nog een keer veroorloven. En was dus plotseling tegen progressieve samenwerking, terwijl hij nog niet zo lang geleden zelfs voor een fusie van progressieve partijen was. Zo werkt dat in de politiek.
De oproep van het illustere trio is inmiddels allerwegen neergesabeld. En terecht. Niet omdat progressieve samenwerking in de jaren zeventig al is geprobeerd en toen mislukte - stel je voor dat alles wat ooit al eens geprobeerd is, niet meer zou mogen. Nee, terecht omdat een gezamenlijk ‘miniprogramma’ van D66, PvdA en GroenLinks de verkeerde oplossing is voor een terecht gesignaleerd probleem. Het probleem namelijk dat er in Nederland geen sprake (meer) is van zoiets als een progressieve politiek, van progressieve machtsvorming. Dat is een nogal zure, maar daarom niet minder ware constatering op een moment dat PvdA en D66 notabene de meerderheid vormen in het kabinet, en GroenLinks een zeer constructieve oppositie voert.
De meest voor de hand liggende progressieve samenwerking is die tussen de kamerleden van genoemde drie partijen. Waarom gebeurt dat niet? Omdat ze als de dood zijn om als blok beschouwd te worden. Omdat D66, maar ook grote delen van de PvdA, beslist niet links gevonden wil worden. Omdat het soms beter samenwerken is met heel andere partijen. Omdat partijen zich juist willen onderscheiden van hun naaste concurrenten.
En daar zit precies het probleem met de voorstellen van Kalma c.s. Want als er in de huidige praktijk niets van progressieve machtsvorming terechtkomt, waarom zou het dan opeens wel lukken als je officieel om de tafel gaat zitten? Het probleem is niet het gebrek aan samenwerkingskanalen, maar het gebrek aan zelfvertrouwen, visie en guts bij progressief Nederland in het algemeen en de PvdA in het bijzonder. De dominantie die de PvdA in de jaren zestig en zeventig had in het publieke debat was niet zozeer te danken aan haar electorale positie, doch aan haar ideeengoed, zo constateerde de politicoloog Philip van Praag onlangs nog.
Juist ter versterking van dat ideeengoed zijn de afgelopen jaren pogingen gedaan tot samenwerking van de drie wetenschappelijke bureaus en de bijbehorende tijdschriften. Niks hoogdravends, gewoon af en toe de onderwerpen op elkaar afstemmen. Maar zelfs daar kwam niets van terecht. Het is overigens de vraag of zo'n samenwerking enige impact zou hebben op de dagelijkse politiek, als je ziet hoe weinig de partijen zich aantrekken van de ideeen van hun eigen wetenschappelijke bureaus.
De timing van de voorstellen van Kalma c.s. mag op z'n minst dubieus heten. Na een jarenlange eenzijdige nadruk binnen de PvdA op organisatorische vernieuwing, lijkt sinds kort eindelijk weer de nadruk te komen op het inhoudelijke debat. Nota bene mede dank zij het onlangs gepubliceerde De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit, van Paul Kalma. En dan brengt diezelfde Kalma het debat opnieuw op het organisatorische. Nee, zeggen de drie heren, het gaat ons wel degelijk om de inhoud. Maar wie een inhoudelijk debat denkt aan te zwengelen door voorstellen tot samenwerking tussen partijen, heeft weinig politiek-strategisch inzicht.
Inzicht dat ook lijkt te ontbreken waar het gaat om de mogelijke electorale consequenties van hun voorstellen. Dat de drie PvdA-ideologen niet in de eerste plaats uit zijn op electoraal gewin siert ze, zeker omdat samenwerking vaak louter vanuit die optiek wordt beoordeeld. Maar om helemaal lak te hebben aan de electorale consequenties gaat wel erg ver. Wat blijft er over van de beooogde progressieve kracht als de helft van de D66- kiezers wegloopt naar de VVD en de helft van GroenLinks naar de SP?
Wat blijft staan is de teleurstelling van Kalma, De Beus en Scheffer in de koers van hun partij. En hoe men ook denkt over het voorstel dat daaruit voortkwam, het zou de PvdA goed doen als ze die teleurstelling uiterst serieus nam. Al was het maar omdat ideologen een kostbaar bezit zijn in een tijd waarin de meeste denkers zich liever niet identificeren met partijpolitiek. Kalma liet in een interview al eens doorschemeren dat als er na tien jaar (dat wil zeggen in 1996) nog steeds niets is terechtgekomen van de beooogde vernieuwing van de PvdA, hij en zijn collega-ideologen (Koen Koch, Bart Tromp) zich maar eens moeten bezinnen op hun positie. Dan is de scheiding tussen denkers en politici compleet.