Heerlijke nieuwe wereld: Peter Sloterdijk

‘De politiek is een reparatiebedrijf geworden’

We moeten ophouden met de oplossingen voor de crisis buiten onszelf te zoeken, vindt filosoof Peter Sloterdijk. Hoezo, het komt niet op mij aan? ‘Dat antwoord is wat mij betreft verboden.’

Stel je een instrument voor om politiek-moreel gedrag mee te ontleden. ‘Zoals de natuurkundige een bundel stralen ontbindt’, opperde schrijver, journalist en avonturier Arthur Koestler in een essay dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog publiceerde. Het zou een spectrum opleveren met twee polen. Aan de ene kant, die van het infrarood, staat de Volkscommissaris. ‘Hij gelooft dat alle kwalen der mensheid, hardlijvigheid en het oedipuscomplex incluis, kunnen en zullen genezen door Revolutie’, aldus Koestler. Dat hogere doel rechtvaardigt elk middel, ook geweld en verraad. De commissaris, van Spartacus tot de bolsjewieken, vestigt kortom zijn hoop op ‘Verandering van Buitenaf’. Lijnrecht daartegenover ‘zit de yogi neergehurkt, wegsmeltend in het ultraviolet’. Dit type à la Gandhi is ervan overtuigd dat alleen de middelen van belang zijn. Verandering komt van binnenuit, door individuele inspanning.

De slingerbeweging tussen deze twee polen trekt zijn sporen door de hele geschiedenis. Beide wegen achtte Koestler problematisch. ‘De ene helling leidt naar de Inquisitie en de Processen, de andere naar lijdelijke onderwerping aan bajonetten en plundering, naar dorpen zonder riolering, besmette kraambedden en ontstoken ogen.’ Toch was ook Koestler op het moment van schrijven, zoals zoveel intellectuelen uit zijn tijd, bezig met wat hij een ‘pelgrimstocht’ noemde van het infrarood naar de ultraviolette pool. De oud-communist, actief betrokken bij de Spaanse Burgeroorlog, ontwikkelde zich tot een fervent anticommunist. En yogi, uiteraard.

Het is geen geheim tot welke pool de Duitse filosoof Peter Sloterdijk zich voelt aangetrokken. ‘Beide zijn revolutionaire standpunten’, stelt hij. ‘Maar de commissaris eist eerst een totale omwenteling van de bestaande verhoudingen, voordat er iets zinvols in de levens van mensen kan veranderen. De yogi is daarentegen degene die zegt: de revolutie vindt plaats in mijn eigen bestaan. In de eerste persoon, en wel hier en nu. Hij breekt radicaal met de wereld doordat hij onder een andere wet leeft.’

Het is een overblijfsel van zijn tijd in India eind jaren zeventig, verklaart hij. Dat spirituele avontuur liet diepe sporen na in zijn denken. Bij publieke optredens droeg hij het oranje gewaad van de Bhagwan. ‘Onder de indruk van die Indiase ervaring heb ik toen een subjectivering van het revolutionaire motief voorgesteld. Dat terwijl in Europa de beweging van ’68 meer zag in de ethiek van de commissaris. Overigens was er ook toen een kleine yogische uitzondering, een scheur in de tijdgeest: hedonistisch links. Dat waren degenen die niet wilden wachten op de revolutie maar er nú mee aan de slag wilden. Ze namen zelf de rol van proefpersoon op zich.’

We bevinden ons op de derde verdieping van een plek in Amsterdam die, op het eerste gezicht, de woonkamer van mijn oma kon zijn. Overal donker hout en die typische kleur – van de bank, de lampenkap, de muur – waarvan je niet weet of het nou bruin, groen of geel is. Het verschil zit ’m in de volle boekenkasten en de schilderijen aan de muur. Dit is het atelier van Gisèle d’Ailly van Waterschoot van der Gracht, de onlangs op hoge leeftijd overleden kunstenares. Zij was tevens beschermvrouw van het in dit pand gevestigde kunstencentrum Castrum Peregrini.

In de Tweede Wereldoorlog was hier een hechte groep joodse studenten ondergedoken. Nu zit Peter Sloterdijk op de canapé, zijn linkerarm om de leuning geklemd. Naast hem kijkt een hoog raam uit op de Herengracht. Op uitnodiging van Castrum Peregrini is hij even in Nederland. Het gesprek gaat over yogi’s, over de huidige crisis en over de actualiteit van het werk waarmee hij dertig jaar geleden zijn faam vestigde in filosofenland: Kritik der zynischen Vernunft. Deze dagen verschijnt er een herziene Nederlandse vertaling van bij uitgeverij Boom: Kritiek van de cynische rede.

‘Dat is toch eigenlijk verbazingwekkend’, merkt hij quasi-bescheiden op. ‘Dat je zelf nog in leven bent terwijl zo’n historisch boek opnieuw uitgegeven wordt. Je wordt eigenlijk te oud om de tijdgeest werkelijk te beschrijven. Te oud, omdat de verandering van de tijdgeest sneller gaat dan de biografieën. Als ik met leeftijdgenoten spreek, heb ik het gevoel dat ik met levende fossielen van doen heb. Soms besef ik dan tot mijn schrik dat ik er zelf ook een ben.’

‘Een boek van jeugdige overmoed’, zo noemt Sloterdijk zijn eerste filosofische bestseller relativerend. Hij buigt zich voorover en werpt met zijn ijsblauwe ogen een ondeugende blik over zijn bril heen – het teken dat er een drieste formulering of filosofische kwinkslag aan zit te komen. ‘Weet u, de blijmoedigheid van toen is enigszins gedempt, het lachen is een zeldzamere verschijning geworden. Er is een met de leeftijd samenhangende verduistering van het levensgevoel opgetreden, zoals ook tapijten in de loop der decennia donkerder worden. Die verduistering leidt ertoe dat categorieën als “verantwoordelijkheid”, “ernst”, “beroep” en “opleiding” meer betekenis voor mij hebben gekregen dan als jong mens.’ Waarop hij met een glimlach verzucht: ‘Ach, rijping is niet het slechtst denkbare wat iemand in dertig jaar tijd kan overkomen.’

Niet dat Sloterdijk zich van zijn vroege werk wil distantiëren. ‘Ik heb met dat boek mijn bevrijding van bepaalde tradities gevierd. Een Amerikaan heeft die eens betiteld als “maso-kriticisme”. Dat moet u zien tegen de achtergrond van de Duitse geschiedenis. Van een deels Lutherse, deels Calvinistische zondentheologie. Kijk, in de jaren tachtig heerste nog een laatmarxistische sfeer. Daar draait mijn boek zich uit. Het staat niet meer in de traditie van het onmachtige vasthouden aan maatschappijverandering. Het gaat ervan uit dat de verandering al heeft plaatsgevonden. Dat was natuurlijk onderdeel van mijn India-import. Die sfeer van herwonnen vrijheid proef je, volgens mij ook nog na dertig jaar. Met dat eerste feest verbind ik nog een tweede: het literaire, retorische element dat inbreekt in het academische discours.’

Inderdaad leest Kritiek van de cynische rede dertig jaar na dato nog altijd als een heerlijke, hondsbrutale klaroenstoot, vol branie en bij vlagen hilarisch. Geheel in de traditie van de vroege Frankfurter Schule toont Sloterdijk zich bezorgd om wat er van de Verlichting geworden is. Het waren de jaren tachtig. Er heerste crisis en massawerkloosheid, het besef groeide dat het vreselijk fout ging met het milieu en als klap op de vuurpijl dreigden de twee supermachten de planeet te vernietigen met hun kernraketten.

Maar de jonge Sloterdijk verbond daar radicaal andere conclusies aan dan zijn voorgangers. Het probleem was niet dat de mensen verblind waren door massamedia, Hollywood en ideologie. Van domweg niet beter weten was geen sprake. Integendeel, schreef Sloterdijk: ‘Wij zijn van alles op de hoogte, wij zijn apathisch.’ Dat was de kern van het moderne cynisme. Jawel, we weten donders goed dat met één druk op de knop de wereld vernietigd kan worden – maar wat kan ik daaraan doen?

Sloterdijk noemde die mengeling van cynisme en ogenschijnlijk realisme een vorm van ‘verlicht vals bewustzijn’. ‘Want ze weten wat ze doen, en ze doen het toch’, zo vatte hij het samen. Dat cynisme hield de mensen op de sleutelposities in de maatschappij, van de parlementen en de faculteiten tot de directies van bedrijven, al lang in zijn greep. Het uitte zich in de knipogen die uitgedeeld worden tijdens discussies, in het ‘noodlottig wijze lachje’ dat ‘de lippen van de ingewijden omspeelt’. ‘Ze weten wat ze doen’, schreef Sloterdijk, ‘maar ze doen het omdat de dwang van de dingen en de wil tot zelfbehoud op korte termijn dezelfde taal spreken en hun vertellen dat het zo moet. Anders zouden anderen het wel doen, en misschien minder goed.’

De traditionele ideologiekritiek, zoals die van de Frankfurter Schule, stond hier machteloos tegenover. Haar kritische potentieel was gestagneerd. In plaats van haar tandeloze ‘nee’ stelde Sloterdijk dan ook iets heel anders voor. Hij formuleerde het doel van een optimistische ‘filosofie van het ja’. Het bleek in de decennia daarna een vruchtbare voedingsbodem die tientallen succesvolle boeken, een eigen tv-programma en wereldwijde bekendheid opleverde. >

Medium sloterdijk illustratie op maat

De parallellen tussen toen en nu liggen voor de hand. Net als dertig jaar geleden domineren ­crisis, werkloosheid en nakende planetaire rampen het nieuws. Misschien nog wel meer dan in de jaren tachtig reageren we daarop met schouderophalen. Ja, de financiële sector is een gevaar, de bankencrisis een schandaal en de klimaat­verandering een bedreiging van jewelste – maar wat doe je eraan? Het zal onze tijd wel duren. Inderdaad, cynisme.

‘Dat was een momentopname die blijkbaar nog altijd van toepassing is’, beaamt Sloterdijk. ‘Dat er een verband is tussen Verlichting en apathie. Dat het weten helemaal geen empowerment is voor politiek of ethisch handelen, maar dat het een nieuwe vorm van ongelukkig bewustzijn kweekt.’

Zelf zegt de Duitser er trouwens weinig van te merken, van die crisis. ‘We hebben het er de hele tijd over, maar voor de meeste mensen vindt de crisis niet werkelijk plaats. Natuurlijk, in het zuiden van Europa wel. Maar in de kernlanden van de welvarende wereld is de crisis meer aanwezig in de vorm van een discours dan een belevenis. Dat komt doordat we verhinderen dat de crisis haar werking ontvouwt. Denk aan het sociale vangnet. Denk ook aan het groeiende politiek gemotiveerde krediet. De economie wordt, in veel grotere mate dan Marx ooit voor mogelijk kon houden, een politieke economie. Dat geldt van staatsschulden tot bankenredding.’

De schuldencrisis heeft Sloterdijk naar eigen zeggen gedwongen zich nog radicaler te bezinnen op de aard van moderne, maatschappelijke processen: ‘De manier waarop de economie zich tegenwoordig voortbeweegt, heeft steeds meer weg van een permanente val naar voren. De klassieke, vormgevende en scheppende politiek is daarmee verleden tijd. Politiek komt neer op het treffen van regulerende maatregelen tijdens het vallen. Anno 2013 is de politiek een enorm reparatiebedrijf geworden. Bent u wel eens in Berlijn bij de Love Parade geweest? De dagen erna zijn de straten in een vuilnisbelt veranderd. De politiek is als het opruimcommando dat na het feest de boel schoon mag vegen. De eerste hulp, die achter de wereldgebeurtenissen aan holt.’

Het failliete Berlijn laat nog iets zien: de moderne staat heeft zelfs te weinig financiële middelen om de rotzooi fatsoenlijk op te ruimen.

Lachend: ‘Dat klopt. Niet voor niets vindt dat evenement niet langer plaats in de hoofdstad.’

Van de reparerende staat verwacht Sloterdijk weinig heil. Het antwoord op de crisis moet ergens anders vandaan komen. In zijn in 2009 verschenen Du musst dein Leben ändern gaf Sloterdijk aan waarheen het volgens hem moest. Het boek leest als een praktische invulling van de al in 1983 aangekondigde optimistische ‘filosofie van het ja’. Je moet je leven veranderen is een enthousiast pleidooi voor het menselijke streven naar excellentie. Mens-zijn, dat is bij Sloterdijk: jezelf verbeteren. Dat doen we door te oefenen. Al eeuwenlang, zo laat Sloterdijk zien. Wat zijn de georganiseerde religies anders dan verfijnde oefensystemen? Waar komt sport op neer? En kunst?

Het probleem is dat de autoriteiten die de mensen van oudsher tot oefenen aanzetten, snel aan invloed verliezen. Wie of wat kan in zo’n situatie nog het streven naar uitmuntendheid van de mensen stimuleren? Aan het einde van het boek formuleert Sloterdijk het onverwachte antwoord: ‘De enige autoriteit die vandaag de dag mag zeggen: “Je moet je leven veranderen!” is de globale crisis, waarvan sinds enige tijd iedereen ziet dat zij begonnen is haar apostelen erop uit te sturen. Zij beschikt over autoriteit omdat ze zich op iets onvoorstelbaars beroept, waarvan zij de voorafspiegeling is – de globale catastrofe.’

Het zijn de klimaatverandering en andere fiasco’s die de 21ste-eeuwse burger met de neus op de feiten drukken en dwingen zichzelf te veranderen. Dat klink buitengewoon praktisch. Getuige de populariteit van uiteenlopende fenomenen als zelfhulpboeken, coaching en ethisch consumeren zijn we bovendien al massaal begonnen te oefenen. Met alle macht proberen we ons leven te veranderen.

Toch steken die goedbedoelde individuele pogingen schamel af tegen de omvang van de problemen. Leuk hoor, die pogingen om CO2-neutraal te leven. Maar wat haalt het uit als de multinational verderop het duizendvoudige aan schadelijke stoffen blijft uitstoten? En hoe moet mijn individuele gedrag iets veranderen aan de misstanden in de financiële sector?

Desgevraagd begint Sloterdijk tastend een antwoord te formuleren, om zich direct te hernemen. ‘Dat mag u zo niet vragen!’ stelt hij ferm. ‘Ik ben het niet die zich tot u wendt. Dat is de catastrofe. Het komt op ieders antwoord aan. Anders kom je weer uit bij die andere vorm van het ongelukkige bewustzijn: het komt niet op mij aan. Die reactie is wat mij betreft verboden. Uit het existentialisme in de variant van Sartre heb ik de gedachte overgenomen dat de mens een wezen zonder smoesjes is. Dat is de regel aller regels. Je moet zo leven dat je achteraf geen excuses nodig hebt. En die multinational waar u over spreekt, die moet het op zijn manier begrijpen.’

Het is de kern van de vele academische relletjes waar Sloterdijk door de jaren heen in verzeild raakte, zoals naar aanleiding van de lezing die hij eens hield in het Beierse slot Elmau onder de titel ‘Regels voor het mensenpark’. Sloterdijk is een mensenverbeteraar. Er is niets waar hij zo’n hekel aan heeft als de door Nietzsche geschetste ‘laatste mens’ die enkel leeft voor zijn natje, zijn droogje en een pleziertje op z’n tijd. Daar zet Sloterdijk het ideaal tegenover van de trotse, zelfbewuste, ‘thymotische’ burger. Om dat te bewerkstelligen, stelt Sloterdijk in zijn werk een soort beschavingsoffensief voor.

Zijn talrijke critici vatten dat anders op. Sloterdijk is in de loop van de tijd beschuldigd van cryptofascisme, van natte dromen over eugenetica en klassenstrijd van bovenaf. Met zijn hardnekkige weigering om het structurele karakter van sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid onder ogen te zien, zou hij meer thuishoren bij de neoliberale fdp dan bij de sociaal-democratie, die hij zelf zegt aan te hangen.

‘Maar dat is absurd!’ roept Sloterdijk uit. Het is volgens hem veelzeggend dat zulke beschuldigingen meestal door sociologen geuit worden. ‘De auteurs die mij de afgelopen dertig jaren hebben aangevallen, waren vrijwel altijd van zulke theoretiserende sociaal werkers. Deze mensen leven in het systeem van de sociologische totale smoes. Ze geven zichzelf een goed geweten, door andere mensen de toegang te weigeren tot ethische problemen. De sociologie is een gruwelijke demoraliseringsmachine. Zij maakt altijd begrijpelijk waarom mensen dit of dat doen, en niet datgene wat ze zouden moeten doen. Het is één reusachtig systeem van uitvluchten. Wie met iets zinvols wil beginnen, moet dat denken de rug toekeren.’

Wat hem terugbrengt op het onderscheid tussen de yogi en de volkscommissaris. Zó, en niet als een kwestie van links of rechts, progressief of neoliberaal moet zijn werk begrepen worden. Alleen de weg van de yogi kan ons uit de crisis leiden, denkt Sloterdijk. ‘De commissaris is de mens die in de totale uitvlucht leeft: we moeten eerst de revolutie voltooid hebben, voordat we kunnen denken aan het veranderen van individuele levens. Maar we weten uit ervaring dat die volgorde niet klopt. Als je met revolutionair geweld begint, komen de toestanden die je wilde bereiken er nooit.’


Serie: Heerlijke nieuwe wereld?

De wereld bevindt zich op een snijvlak. De alomtegenwoordige crisis – niet alleen in de economie, maar ook in de politiek en het milieu – doet vermoeden dat er een tijdperk is afgesloten. ‘Niets wordt meer als vroeger’, betogen politici van links tot rechts. Maar hoe wordt het dan wel? Hoe moeten we de huidige crises begrijpen, wat kunnen we verwachten van de stormachtige technologische ontwikkelingen, wat betekent dit voor ons mensbeeld, en waar gloort er hoop?

In een serie interviews met De Groene Amsterdammer buigen de meest toonaangevende denkers van het moment, uit binnen- en buitenland, zich over deze vragen – en komen al tastend tot een antwoord: hoe ziet die heerlijke nieuwe wereld eruit?