De politiek moet helemaal niets

De enige levensbeschouwing die volgens mij min of meer de luiheid wil bevorderen is het taoïsme. Ik heb daarvan nooit een studie gemaakt, maar zodra ik iets daarvan of daarover lees, is het in de trant van: volg de weg, bega het pad dat zich aandient, de enige juiste handeling is het volgen van de stroom van de rivier, et cetera, et cetera.

Altijd grappig, en altijd aantrekkelijk – en je begrijpt meteen waarom het taoïsme in China ontstond en ook verboden werd. Des duivels oorkussen ontkracht het marxisme en het maoïsme; goedbeschouwd ontkracht het elke maatschappelijke verandering.
Daarom ook dat politici, waar ook ter wereld, de indruk willen wekken dat ze keihard werken. Het verkiezingsadagium van Balkenende ‘Ik ben trots op wat wij tot stand hebben gebracht’ kun je overal van elke premier horen.
Maar wat de politici, inclusief onze voormalige premier, dan eigenlijk tot stand hebben gebracht, zijn vaak zaken waar juist de politiek niet over gaat: economische groei, of het verlies aan groei binnen de perken gehouden, werkgelegenheid geschapen of de werkloosheid binnende perken gehouden ten opzichte van andere landen; het ‘reframen’ van verlies en het in de zon zetten van winst lijkt bijkans de enige politieke uitdaging geworden.
Geen politicus zal zeggen: ‘Ik ben voor een luie overheidsbemoeienis. Kiezers, ik meen dat ik u en dit land het meeste recht doe door blijk te geven van mijn inertie.’
En toch zou dat de beste attitude van politici kunnen zijn. Natuurlijk: laissez-faire en ‘ongebreideld kapitalisme’, ook wel ‘een te ver doorgevoerd liberalisme’, heeft kwade kanten – en ik beweer ook niet dat politici helemaal niets moeten doen, ze moeten alleen ‘inert’ zijn.
Niet te veel haast maken, en dat ook propageren. De houding van: ‘We zullen er mettertijd naar kijken, en als het dan nog speelt zullen we er iets aan doen.’
Goedbeschouwd gebeurt dit al: de laatste regering ging eerst eens honderd dagen het land in om te zien wat er moest gebeuren. Bleven er tweehonderd dagen over. Daar gingen de zomervakanties en de andere recessen vanaf, bleven er nog zo’n honderd dagen over, inclusief papadagen. Daarin moesten de besluiten van dat jaar worden genomen, werkbezoeken afgelegd en Kamerdebatten worden gevoerd benevens de zogenoemde ‘spoeddebatten’.
Echt hard gewerkt werd er dus niet. En toen er wat moest worden gedaan, kwamen we terecht in een mondiale crisis waardoor alles weer anders werd en dus ook anders moest. De plannen konden, zo heet het dan, weer de prullenbak in.
Een luie regering kan de boel beter in de gaten houden. Met ‘de boel’ bedoel ik natuurlijk de waan van alle dag. Oké, banken verkopen vergiftigde hypotheken, we doen dan even niets… banken gaan failliet, er worden geen salarissen uitgekeerd, maar dat duurt hoogstens een maand, dan zijn de besmette banken weg en krijgen wij ons geld van een andere bank. Natuurlijk, sommigen verliezen miljoenen… Jammer dan. Ik bedoel: is dat heel erg?
Ik meen van niet.
Nog zoiets: de meesten van ons – ik toevallig niet – hebben ons leven lang voor het pensioen gespaard. Dat pensioen kan alleen maar groeien als al dat geld wordt belegd in aandelen. Nu zakken die aandelen: weg groot gedeelte van het pensioen. Dat gaan we nu merken.
Kan de politiek daar iets aan doen? Nee.
Of beter: ze kunnen wél iets doen.
Helemaal niets.
Lui zijn.