Drie experts over de globalisering

De politiek van de economie

De Duitse Bondsdag stelde als eerste in de wereld een parlementaire enquête in naar de oorzaken en gevolgen van de globalisering van de wereldeconomie. Een mooi initiatief dat navolging verdient? Drie economen, als extern expert betrokken bij het onderzoek, bespreken de betekenis van het onlangs gepubliceerde eindrapport.

Dertien parlementsleden plus dertien experts. Dat moest de samenstelling zijn van de parlementaire enquêtecommissie die de Bondsdag in december 1999 instelde om de oorzaken en gevolgen van economische globalisering te onderzoeken. Alle vijf in het parlement vertegenwoordigde partijen leverden één of enkele leden. Daarnaast mochten zij externe deskundigen benoemen, die als volwaardig lid met stemrecht aan het werk van de commissie zouden deelnemen. Drie maanden later begon de commissie met haar werk, dat in juni 2002 resulteerde in een 620 pagina’s dik slotrapport.

Dit kloeke eindproduct van de commissie bevat uitgebreide analyses over de financiële markten, de goederen- en dienstenmarkten, de arbeidsmarkt, de mondiale kennissamenleving, gender-ongelijkheid, hulpbronnen, duurzame ontwikkeling, de ontwikkeling van de wereldbevolking en global governance.

Soms tot hun eigen verrassing werden Elmar Altvater, Jörg Huffschmid en Brigitte Young gevraagd als extern expert tot de enquêtecommissie toe te treden. Zij zeiden «ja» en dat kostte hen heel wat tijd. «Omdat het werk door het partijspectrum heen gedaan werd, was veel tijd nodig voor vergaderingen om over de verschillende standpunten te onderhandelen», zegt Young. Sommige leden van de commissie reisden bovendien naar Canada, de Verenigde Staten, Mexico, India en Thailand, om in contact te komen met instituties, organisaties, NGO’s, parlementsleden en vertegenwoordigers van regeringen uit andere delen van de wereld. Dat is belangrijk, stelt Altvater «om te voorkomen dat je een eurocentrische of germanocentrische visie ontwikkelt».

Altvater studeerde economie, sociologie en politicologie en is op dit moment hoogleraar politieke economie aan de Vrije Universiteit van Berlijn. Sinds vele jaren publiceert hij artikelen en boeken over verschillende aspecten van globalisering. Hij werd gevraagd door de SPD. Altvater: «Mijn benoeming kan misschien geïnterpreteerd worden als een poging openheid te demonstreren vis-à-vis de gemeenschap van linkse intellectuelen.» Jörg Huffschmid is econoom en werkt als hoog leraar aan de Universiteit van Bremen, waar hij economische politiek en politieke economie doceert, met als onderzoeksspecialismen Europese economische politiek, financiële markten en economische concentratie. Vanwege zijn expertise over financiële markten vroeg de PDS, die bij de laatste parlementsverkiezingen grotendeels uit de Bondsdag is verdwenen, hem als haar deskundige in de commissie.

De enige vrouwelijke expert in de commissie werd evenals Altvater door de SPD gevraagd. Brigitte Young is politiek econoom en studeerde politieke wetenschappen en economie in Amerika, waar zij van 1972 tot 1997 ook doceerde. Sinds 1999 is zij hoogleraar aan de afdeling politieke wetenschappen van de Universiteit van Münster, waar zij zich in haar onderzoek vooral bezighoudt met economische crises en de staat, Europese economie en gender, feministische economie en globalisering. Young: «De uitnodiging om tot de commissie toe te treden heb ik denk ik te danken aan mijn ervaring in de VS, aan het feit dat ik vrouw ben en aan mijn kennis over feministische macro-economie. De meeste Duitse feministen richten zich vrij nauw op arbeid of sociaal beleid, en er zijn maar erg weinig vrouwen met macro-economische expertise.»

De benoeming door partijen was niet geheel vrijblijvend. «Omdat ik door de SPD genomineerd was, moest ik rekening houden met de standpunten van de leiding van de SPD», zegt Young. «Bij het schrijven van het stuk over aandeelhouderswaarde in het hoofdstuk over de financiële markten heb ik bijvoorbeeld geprobeerd zo veel mogelijk te argumenteren tegen shareholder value-kapitalisme. Dat is helaas niet helemaal gelukt en ik had dat deel graag radicaler gezien, maar ik kon daarvoor geen steun vinden binnen mijn eigen partij.»

Het is onmogelijk alle aanbevelingen uit het rapport weer te geven of zelfs maar samen te vatten, maar wat zijn volgens de deskundigen zelf de belangrijkste conclusies en aanbevelingen uit de enquête? Elmar Altvater vindt die vraag moeilijk te beantwoorden: «De betekenis van het werk van de commissie hangt af van het onderwerp waar je naar kijkt. Met betrekking tot de financiële markten is de aanbeveling om een Tobin-tax op valutatransacties in te stellen van groot belang. Maar ook voorstellen om het witwassen van geld te bestrijden en de Bretton Woods-instellingen IMF en Wereldbank te hervormen, zijn van grote betekenis.» Voor Brigitte Young is de belangrijkste boodschap van de commissie dat politiek vorm kan worden gegeven aan globalisering: «We hebben een krachtige boodschap aan de Duitse regering afgegeven dat de politiek de hedendaagse mondiale onbalans tussen de macht van het wereldwijde kapitaal en de burgers van de wereld in evenwicht moet brengen.» Jörg Huffschmid wijst er in dat kader op dat de meerderheid van de commissie in haar eindrapport ondubbelzinnig stelt dat globalisering problematische kanten heeft, die in de publieke discussie worden onderschat: «De commissie beveelt met kracht aan om globalisering in te bedden in een democratisch politiek kader: de ruimte voor mondiale publieke goederen moet herwonnen worden. Een ander belangrijk thema dat in het rapport regelmatig terugkeert, is de democratisering van internationale instituties, hoewel naar mijn mening niet voldoende wordt duidelijk gemaakt dat dit wordt tegengehouden door machtsrelaties die sterke politieke actie vereisen.»

Globalisering is volgens de commissie dus geen fataliteit, maar kan veranderd worden. Op de vraag waar dat uit blijkt, wijst Huffschmid op de mogelijkheden iets te doen tegen de destabiliserende dynamiek van de mondiale financiële markten: «Met maatregelen van een Tobin-tax tot kapitaalcontroles (die overigens alleen de PDS een geschikt instrument vindt), met nieuwe en betere kapitaaleisen, en met economisch beleid dat prioriteit geeft aan volledige werkgelegenheid en duurzame groei is het mogelijk hier een rem op te zetten.» Young noemt een aantal andere mogelijkheden om anders te globaliseren: «We kunnen interveniëren in de huidige GATS-onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) om onderwijs, gezondheidszorg en andere sociale en publieke voorzieningen en diensten uit te sluiten van liberalisering en privatisering, en te verklaren tot ‹publiek goed› of ‹mondiaal goed›. We kunnen de bestaande financiële architectuur democratiseren, om te beginnen door de ontwikkelingslanden een groter gewicht te geven in het IMF. We kunnen de complete schuldenannulering van de allerarmste landen (HIPC-landen) tot stand brengen. En in plaats van op ‹militaire veiligheid› kunnen we ons gaan richten op ‹menselijke veiligheid›.»

Als hoogleraar globalisering in Tilburg had Ruud Lubbers de mond vol over global governance, en in het rapport van de commissie wordt hier ook veel aandacht aan besteed. Maar wat is dat eigenlijk? Volgens Altvater volgt de commissie op dit punt «de fameuze boektitel van Ronsenau en Czempiel Governance Without Government. Global governance is een uiting van het multilateralisme na 1989, een transformatie van internationale relaties door private actoren (zoals multinationals), internationale organisaties, en NGO’s in processen van mondiale besluitvorming te betrekken: niet alleen regeringen handelen als politieke subjecten in de mondiale politieke arena.» Voor Young gaat het bij global governance «niet alleen om de inschakeling van machtige politieke en economische belangen, maar ook om milieugroepen, vrouwenorganisaties en feministische groepen, en bewegingen van armen. Een bottom-up-benadering dus, die staat tegenover de traditionele top-down-benadering van de traditionele staatsstructuren.»

Global governance is dus niet hetzelfde als een wereldregering, stelt de commissie. Maar waarom eigenlijk niet? «Omdat voor de nabije toekomst geen geloofwaardige democratische basis voor een wereldregering aanwezig is», zegt Huffschmid, «en er is ook geen enkele aanwijzing dat nationale staten een mondiale regering zouden accepteren.» Bovendien, vult Altvater aan, kan onder de huidige verhoudingen een wereldregering alleen maar door de VS gedomineerd worden «en dat is niet aantrekkelijk. Een wereldregering gebaseerd op de gelijkwaardigheid van naties en een evenwichtige machtsverdeling is op dit moment uiteraard een utopie.» De belangrijkste taak is daarom «niet institutioneel (een wereldregering), maar een radicale democratisering van de bestaande instituties en een verandering van de politieke oriëntatie van de dominante landen», concludeert Huffschmid.

In het eindrapport van de commissie wordt opvallend veel aandacht besteed aan de specifieke positie van vrouwen in de globaliserende economie. Het was, zegt Altvater, «natuurlijk niet verrassend dat sommige leden van de commissie twijfelden aan het nut om een gender-perspectief op globalisering te formuleren. Maar toen de Bondsdag besloot tot de instelling van de commissie werd expliciet opdracht gegeven om speciale aandacht te geven aan de gender-aspecten van globalisering.» Volgens Huffschmid tolereerde de CDU de aandacht die werd besteed aan gender-problemen «tandenknarsend», maar in de meeste werkgroepen was het ook aan de inzet van «slechts heel weinig commissieleden te danken dat specifieke passages over gender in de hoofdstukken werden opgenomen». Brigitte Young speelde daarin een cruciale rol, want zij was binnen de commissie verantwoordelijk voor het gender-perspectief door de verschillende werkgroepen en hoofdstukken heen.

Young schreef ook het speciale hoofdstuk over gender. «We hadden een publieke hoorzitting over gender en globalisering met zeven bekende feministische experts en economen uit de hele wereld, die door 270 vrouwen en mannen werd bezocht», zegt zij. «Geen enkele andere bijeenkomst van de commissie trok zo veel aandacht. Als gevolg van deze onverwachte publieke interesse besloot de voorzitter van de enquête commissie, Ernst Ulrich von Weizsäcker, dat in het eindrapport van de commissie een speciaal hoofdstuk over gender zou worden opgenomen.»

Dit hoofdstuk werd uiteindelijk gesteund door het hele politieke spectrum. Dat is opmerkelijk. Want wie kan zich voorstellen dat in ons parlement kamerbreed wordt uitgesproken dat het een probleem is dat economische theorieën en statistieken «voor een groot deel gender-blind» zijn? Het kost Brigitte Young echter weinig moeite hier voorbeelden van te geven: «Als je kijkt naar de indicatoren die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voorstelt om internationale ontwikkelingsdoelen te monitoren, dan ontbreken indicatoren om de vooruitgang in gender-gelijkheid te meten. De indicatoren om de vooruitgang bij het reduceren van armoede te meten, laten niet zien in hoeverre armoede gefeminiseerd is, dus of vrouwen bovenproportioneel vertegenwoordigd zijn onder de armen. En er zijn geen indicatoren voor de gender-balans in besluitvorming of voor gender-gelijkheid op de arbeidsmarkt.»

De commissie ondervond dat «statistieken en betrouwbare data over veel onderwerpen onvoldoende zijn of niet bestaan», zegt Elmar Altvater: «Dit tekort is in het bijzonder opvallend met betrekking tot gender-aspecten, bijvoorbeeld als we kijken naar de informele sector. De data zijn meestal niet betrouwbaar, en op toevallige wijze en slechts sporadisch verzameld. Vragen om transparantie is daarom onvoldoende, en het formuleren van beleidsaanbevelingen wordt hierdoor belemmerd. De commissie dringt daarom in verschillende aanbevelingen aan op een verbetering van de statistische documentatie.»

De overstromingen in Oost-Duitsland, vervolgens de dreiging dat de VS een nieuwe oorlog tegen Irak zouden beginnen, en tot slot de Duitse verkiezingen — dat zijn volgens Brigitte Young de redenen waarom de aandacht in de media voor het eindrapport van de commissie grotendeels beperkt is gebleven tot 28 juni, de dag waarop het parlement het boekwerk besprak. «Het rapport is gearchiveerd en toegevoegd aan het materiaal van de Bondsdag, dus we kunnen het als referentie gebruiken en er seminars over organiseren», stelt Huffschmid, «maar de publieke weerklank is beperkt en de politieke impact zal nog beperkter zijn.» Ook Altvater betreurt de beperkte weerklank die het werk van de commissie tot nu toe heeft gekregen: «Het rapport speelde in de verkiezingsstrijd geen rol, maar is wél geïntroduceerd in wetenschappelijke en politieke gemeenschappen, en we hopen dat op de langere termijn een aantal aanbevelingen een rol zal gaan spelen in de overwegingen van partijen en NGO’s, van parlementen en internationale organisaties.»

Maar er is natuurlijk ook nog het nieuwe regeerakkoord van de SPD en de Groenen. Deze partijen hadden samen de meerderheid in de enquêtecommissie en drukten dus ook een groot stempel op de aanbevelingen. Hebben zij dan in elk geval hun herverkiezing aangegrepen om flink wat aanbevelingen uit het eindrapport in beleid om te zetten? Helaas, dat valt erg tegen. Elmar Altvater: «In het interim-rapport dat we in 2001 publiceerden hadden we aanbevelingen gedaan om het witwassen van geld tegen te gaan, en die zijn na 11 september in snel tempo ingevoerd, dat wil zeggen per 1 januari 2002. Maar in de nieuwe coalitieovereenkomst van de SPD en de Groenen staat verder alleen een intentieverklaring om een studie te laten verrichten naar de haalbaarheid van een Tobin-tax. Dat is minder dan de commissie had gevraagd, maar méér dan we vroeger hadden.»

Huffschmid stelt vast dat de commissie eigenlijk geen reële steun had in de regeringscoalitie: «Slechts heel weinig aanbevelingen zijn overgenomen, en waar dat wel gebeurt, wordt gesproken over studies die verricht moeten gaan worden. De aanbevelingen van de commissie waren echter ook al het resultaat van uitvoerige studies.» De kern van het probleem, zegt Young, is dat de SPD en de Groenen wel aan de macht zijn, maar dat «de vertegenwoordigers van deze partijen in de commissie links staan binnen hun eigen partij. Het zijn belangrijke leden van de linkervleugels binnen deze partijen, maar ze behoren niet tot de partijhiërarchie.»

Het volledige rapport is te vinden op www.bundestag.de/gremien/welt