Volgende week zondag vindt in het Amsterdamse Wertheimpark de jaarlijkse Nationale Holocaust Herdenking plaats. De plechtigheid rond het Spiegelmonument van Jan Wolkers vormt zonder twijfel het belangrijkste herdenkingsmoment in Nederland, na – uiteraard – de Dodenherdenking op 4 mei. Dat belang wordt onderstreept door het politieke en diplomatieke gewicht van de mannen en vrouwen op de eerste rijen, de aanwezigheid van vele duizenden mensen en, vooral, de televisiecamera’s.

En dat gebeurt niet alleen in Nederland. Op of rond 27 januari, de dag waarop in 1945 Auschwitz werd bevrijd door het Rode Leger, is Holocaust Remembrance Day en wordt over de hele wereld stilgestaan bij de nazistische moord op miljoenen joden, Roma en Sinti, Russische krijgsgevangenen, psychiatrische patiënten, gehandicapten en andere groepen die door de daders als minderwaardig werden beschouwd. Een belangrijk moment, dat alle aandacht krijgt. Alsof het nooit anders is geweest.

Toch hoeven we niet ver terug in de tijd om vast te stellen dat wat zo vanzelfsprekend lijkt een betrekkelijk recent verschijnsel is. Holocaust Remembrance Day bestaat nauwelijks twintig jaar. Nog in de vroege jaren negentig trok de Auschwitz-herdenking in Amsterdam, die toen nog plaatsvond op begraafplaats De Nieuwe Ooster, doorgaans niet meer dan een paar honderd mensen, onder wie de burgemeester, soms ook een minister, heel af en toe een ambassadeur. De berichten in de media waren bescheiden en ingetogen, al waren dat er al meer dan de jaren daarvoor.

In de eerste decennia na de oorlog was de publieke aandacht voor de nazistische vernietigingspolitiek beperkt. Er was nog geen sprake van zoiets als ‘de holocaust’, niet als historische gebeurtenis en zelfs niet als term, behalve in de VS, van waaruit het begrip in 1978 naar de rest van de wereld overwaaide. Sindsdien is de taal van de herinnering geleidelijk universeel geworden: van Argentinië, Zuid-Afrika en Japan tot Rusland, Servië en Hongarije, overal bevinden zich holocaustmusea en -monumenten. De lijst van hoogwaardigheidsbekleders die Auschwitz en andere plaatsen van terreur hebben bezocht is onuitputtelijk; officiële plechtigheden in speciale herdenkingsjaren worden steevast bijgewoond door presidenten, regeringsleiders en vorsten.

De ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van de holocaust – we ontkomen niet aan de term – als een global memory roept veel vragen op, waar het gaat om het ontstaan ervan, de politieke en culturele betekenissen die in deze constructie besloten liggen, inclusief de rituele erkenning door politici van uiteenlopende pluimage, van Rutte, Trump en Modi tot Poetin, Erdogan en Netanyahu. En dan gaat het nog niet over de vraag hoe deze herinneringscultuur zich verhoudt tot de historische gebeurtenissen waarnaar die verwijst.

Voor een goed begrip van de aard van de huidige herinneringscultuur bieden de twee documenten waarmee 27 januari werd uitgeroepen tot Internationale Herdenkingsdag voor de holocaust een bruikbaar startpunt. De holocaust, aldus artikel 1 van de Verklaring van Stockholm, in 2000 getekend door 46 landen, ‘heeft de grondslagen van de beschaving op de proef gesteld; het ongekende karakter van de holocaust zal voor altijd een universele betekenis houden’. Het andere document, een besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties uit 2005, bestempelt de holocaust, gedefinieerd als de moord op joden en andere leden van minderheden, als een unieke gebeurtenis, die ‘voor alle volken voor altijd’ een waarschuwing moet zijn tegen de gevaren van haat, racisme en vooroordelen. Met deze beschrijving van de holocaust in termen van intolerantie, ophitsing en geweld tegen personen of gemeenschappen op basis van etniciteit of geloof sluit de VN-verklaring direct aan bij het Genocideverdrag van 1948.

De gedachte van de holocaust als een unieke historische gebeurtenis is diep verankerd in de hedendaagse herinneringscultuur. Die uitzonderlijkheid zou niet alleen liggen in het bureaucratische en industriële karakter van de massamoord, maar ook en vooral in de bedoelingen van de daders en de onschuld van de slachtoffers: zij moesten worden uitgeroeid om wie zij waren. Om die reden zou de holocaust, als ‘universeel symbool van het kwaad’ (Yehuda Bauer), onvergelijkbaar zijn met iedere andere misdaad in de geschiedenis van de mensheid. Hiermee had niet alleen Duitsland een zware morele schuld op zich geladen, maar ook alle andere landen die werkloos hadden toegelaten, of zelfs bevorderd, dat joodse en andere medeburgers werden weggevoerd en vermoord.

De huidige herinneringscultuur rond de holocaust laat zich vanuit een politiek-antropologisch perspectief typeren als een civil religion: een ‘burgerlijke godsdienst’ met een herkenbare terminologie, beeldtaal, rituelen en taboes, zelfs wetgeving. Deze burgerlijke godsdienst, zo schreef Jan Oegema twintig jaar geleden al eens, vertoont een opmerkelijke verwantschap met ‘echte’ religies, met een eigen mensbeeld en moraal, bedevaartplaatsen, heiligen, mystici en martelaren, verboden en geboden – maar dan zonder een god en minder georganiseerd. En net als andere religies kent ook deze haar bigotterie, dweperij, platte uitingen en commerciële kitsch.

Ten slotte is er de aanspraak op universaliteit, zoals blijkt uit de inspanningen van de VN om wereldwijd educatieve programma’s op te zetten. Wereldleiders tonen zich bij hun bezoek aan de plaatsen van terreur zonder uitzondering nederig; sprekend over de onvoorstelbaarheid van het kwaad belijden ze hun geloof, met de plechtige gelofte van ‘nooit weer’. De herdenkingscultuur rond de holocaust heeft, kortom, óók politieke dimensies en implicaties. Dat is niet zo vreemd, want herinneringen weerspiegelen in de eerste plaats hoe we ons tot het verleden verhouden; ze hebben niet zozeer betrekking op de historische gebeurtenissen, maar op de betekenis daarvan voor het heden.

Ondertussen lijkt deze ‘holocaustcultuur’ soms mijlenver verwijderd van de historische verschrikkingen zelf. Sterker nog, volgens de Amerikaanse historicus Peter Novick zijn de herinneringen daaraan systematisch ontdaan van hun historische context, waarmee de nazistische massamoord voortleeft als ‘een heilig mysterie’, dat ‘uniek’, ‘onvoorstelbaar’ en ‘onverklaarbaar’ (Elie Wiesel) zou zijn. Botter gezegd: de ingewikkelde geschiedenis van de nazistische terreur en de gevolgen ervan is in de hedendaagse herinneringscultuur verschrompeld tot een niet-zelden obligate vermaning over haat en tolerantie, racisme en religieuze minderheden, geïllustreerd met dramatische speelfilms en verhalen van overlevenden.

De huidige herinneringscultuur rond de nazistische vernietigingspolitiek staat niet alleen ver af van de complexe geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, maar ook van de manier waarop die verschrikkingen de eerste decennia na de oorlog werden herdacht. Om te beginnen ontbraken in de toenmalige herinneringscultuur slachtoffercategorieën die nu deel uitmaken van het holocaustvertoog, zoals de honderdduizenden slachtoffers van de nazistische ‘euthanasie’-politiek, de Roma en Sinti, sovjetkrijgsgevangenen en homoseksuelen.

Het thema ‘Auschwitz als breuk in de westerse beschaving’ vond ook zijn weg naar de hedendaagse herinneringscultuur

Voor het lot van de joodse slachtoffers van de naziterreur was daarentegen al wel ruimte in de vroege herinneringscultuur, maar deze was wel ideologisch ingeperkt. De vermoorde joden werden in de eerste plaats herdacht naar hun nationaliteit, zoals nog kan worden afgelezen aan de oudere gedenktekens in de voormalige kampen. Ook in Nederland gebeurde dat: de jodenvervolging fungeerde in het nationale geschiedbeeld vooral als illustratie van de Duitse perversiteit en als exemplificatie van het leed dat het Nederlandse volk had getroffen – zoals de Februaristaking symbool stond voor de morele standvastigheid van de natie. De jodenvervolging werd ingeweven in een nationalistisch vertoog van onderdrukking en verzet.

Ook in andere landen werd de geschiedenis van de vervolging ingepast in heersende ideologische kaders. Zo lag de nadruk in de communistische herdenkingscultuur in Oost-Europa op thema’s als martelaarschap, solidariteit en verzet tegen het fascisme als ‘laatste stuiptrekking van het kapitalisme’. Dat is, bijvoorbeeld, de boodschap van Ostatni Etap (De laatste halte), de eerste speelfilm over Auschwitz, van de Poolse cineaste Wanda Jakubowska, uitgebracht in 1948, ter plekke gedraaid met honderden oud-gevangenen als figuranten. Hoofdthema is de solidariteit van joden en niet-joden, van alle nationaliteiten. Een vergelijkbare boodschap spreekt uit het befaamde Getto-monument van Nathan Rapoport in Warschau en het heroïsche monument bij Babi Jar in Oekraïne, waar eind september 1941 in twee dagen tijd 33.771 joden uit Kyiv en omgeving waren omgebracht.

De nationalisering of ideologisering van het lot van slachtoffers had tot gevolg dat er in de publieke ruimte ook geen plaats was voor afzonderlijke herdenkingen, behalve voor groepen die actief voor het hogere doel hadden gestreden, zoals militairen en verzetsstrijders. In Nederland, bijvoorbeeld, bevinden alle vroege gedenktekens voor vermoorde joden zich vrijwel zonder uitzondering op begraafplaatsen en in besloten ruimten. En wat voor monumenten geldt, geldt ook voor de herinneringen van de overlevenden: die bleven – al dan niet omgeven door stilte – vooral in de privé-sfeer en de eigen gemeenschap. Overigens is precies daaruit de traditie van de jaarlijkse Auschwitz-herdenkingen voortgekomen: die begonnen als bijeenkomsten van overlevenden, met een sociaal en cultureel programma. Oud-gevangenen van andere kampen deden trouwens hetzelfde, zowel in Nederland als elders.

Ook de geschiedschrijving had weinig oog voor deze thema’s, laat staan dat er sprake was van een samenhangend beeld, waarin de behandeling van joden, Sinti en Roma, sovjetkrijgsgevangenen en geestelijk en lichamelijk gehandicapten in samenhang werd beschreven. Vrijwel overal richtten historici hun aandacht in de eerste plaats op politieke en militaire ontwikkelingen en op het nazisme als totalitaire stroming, waarbij de jodenvervolging werd opgevat als een abnormaliteit, een uitvloeisel van het uitzinnige antisemitisme van de harde kern van de nazi’s – waarmee dit hoofdstuk min of meer ‘uit de geschiedenis’ werd geschreven. Letterlijk: in het standaardwerk Europe Since 1815 van de Brits-Amerikaanse historicus Gordon Craig uit 1961, bijvoorbeeld, zal men vergeefs zoeken naar het thema van de vervolging en vernietiging. Zelfs de belangrijkste Duitse studies over het Derde Rijk uit de jaren zestig en zeventig besteedden er niet meer dan een paar pagina’s aan.

President Poetin van Rusland plaats een kaars op het Auschwitz Monument tijdens de 60-jarige herdenking van de bevrijding van het concentratiekamp, Auschwitz, Polen, 27 januari 2005 © Robin Utrecht / ANP

Al met al was er de eerste decennia na de oorlog dus weinig wat wees op het ontstaan van een herinneringscultuur zoals we die vandaag kennen – op het eerste gezicht althans. Want geruime tijd voordat de beslissende doorbraak in de ontwikkeling van de holocaustcultuur plaatsvond, rond het einde van de jaren zeventig, was het zaad daarvan al op verschillende plaatsen, meestal los van elkaar, gezaaid.

Zo was daar het uitzinnige, wereldwijde succes van de Amerikaanse toneelbewerking en verfilming van de dagboeken van Anne Frank in de tweede helft van de jaren vijftig. De scenarioschrijvers hadden Anne, met medewerking van haar vader, Otto Frank, gekneed tot een nobel en onschuldig slachtoffer dat vastberaden bleef geloven in de goedheid van de mensen, terwijl de context van de tijd en de gruwelijkheden van de vernietiging buiten beeld werden gehouden. Dramatisering, decontextualisering, universalisering, popularisering – in het vroege succes van het personage Anne Frank zijn de contouren van de huidige herinneringscultuur al volledig te herkennen. Niet voor niets groeiden Anne en het Achterhuis uit tot de meest sprekende iconen van de holocaust.

Aan de andere kant van het culturele spectrum worstelden intellectuelen en kunstenaars – Adorno en Horkheimer, Celan, Resnais, Levinas – met de vraag welke betekenis aan Auschwitz moest worden toegekend, waarbij Auschwitz fungeerde als metafoor voor de ultieme barbarij waartoe de mensheid in staat bleek te zijn, onvoorstelbare wreedheden die deden twijfelen aan de houdbaarheid van gangbare opvattingen over moraal en rede. Ook dat thema – Auschwitz als breuk in de westerse beschaving – zou zijn weg vinden naar de hedendaagse herinneringscultuur. En dat geldt bijvoorbeeld ook voor de nieuwe esthetische vormen in de film, literatuur en monumentale kunst die tijdens de kortstondige Poolse Lente in de jaren na 1956 tot ontwikkeling kwamen.

Van een geheel andere orde waren de ontwikkelingen in de VS, waar de aandacht voor de nazistische vervolging vanaf de jaren zestig sterk groeide, aanvankelijk vooral binnen de grote Amerikaanse joodse gemeenschap. Peter Novick verklaarde die opbloeiende belangstelling in een samenspel van sociologische, politieke en culturele factoren. Zo bestond er binnen de joodse gemeenschap een toenemende behoefte aan een herkenbare ‘etnische’ identiteit en een – ongegronde – vrees voor herlevend antisemitisme. Daarnaast probeerde de leiding van de joodse organisaties tijdens en na de Zesdaagse Oorlog steun voor Israël te mobiliseren. Uiteindelijk kreeg het thema meer aandacht in de Amerikaanse film, media en kunsten, waarin van oudsher veel joden werkzaam waren.

Maar dat is uiteraard niet het hele verhaal. De herinnering aan de holocaust werd ook ingezet ter legitimatie van de Amerikaanse rol op het wereldtoneel, een rol die door de oorlog in Vietnam beschadigd was. De holocaust leverde onmisbare grondstof voor de idee van de Tweede Wereldoorlog als The Good War – een oorlog waarover moreel geen discussie mogelijk is. Die symbiose zou uiteindelijk materieel vorm krijgen op The Mall in Washington, met het megalomane National World War II Memorial en, vijfhonderd meter verderop, het United States Holocaust Memorial Museum, moeder van alle holocaustmusea. Het eerste beeld dat de museumbezoeker zag was een foto van de bevrijding van een kamp door Amerikaanse militairen, om te eindigen in een ruimte opgebouwd met stenen uit Jeruzalem.

Ook Nederland neemt in de genealogie van de hedendaagse holocaustcultuur een bijzondere positie in. Want hoewel de nazistische vervolging de eerste decennia na de oorlog ondergeschikt werd gemaakt aan het nationale verhaal van onderdrukking en verzet kreeg de jodenvervolging, mede dankzij het werk van Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser, al vroeg een markante plaats in het geschiedbeeld. Vooral de publicatie van Pressers monumentale Ondergang in 1965 had een verpletterende uitwerking; niet alleen vanwege de hartverscheurende gebeurtenissen die erin werden beschreven, maar ook omdat Presser expliciet de passiviteit en medewerking van de niet-joodse bevolking benoemde. Daarmee bracht hij een majeure klap toe aan het zelfgenoegzame, nationalistische beeld van de bezettingsjaren. De tijd was er ook rijp voor. Zo had het proces tegen Adolf Eichmann, de architect van de deportaties, een paar jaar eerder in Jeruzalem, de wereld de ogen geopend voor de enormiteit en de impact van de nazistische vervolging.

In de eerste decennia na de oorlog was de publieke aandacht voor de nazistische vernietigingspolitiek beperkt

Het was dat inzicht waarop Pressers werk voortbouwde. Nederland was een van de eerste landen waar de nazistische vervolging, ook van andere groepen, nadrukkelijk een rol speelde in de politieke en culturele clashes van de jaren zestig. De herziening van het geschiedbeeld leidde tot tientallen nieuwe gedenktekens, expliciet gewijd aan de jodenvervolging, voortkomend uit breder gedragen initiatieven en geplaatst in de publieke ruimte, maar leidde ook, bijvoorbeeld, tot regelingen en voorzieningen voor vervolgingsslachtoffers. Ten slotte werd eind jaren zeventig op het Museumplein een ‘zigeunermonument’ onthuld – het eerste in zijn soort in Europa.

De relatief vroege bekendheid met de geschiedenis van de nazistische vervolging zou kunnen verklaren waarom in Nederland minder heftig werd gereageerd op de uitzending van de Amerikaanse televisieserie Holocaust, die in 1978 en 1979 wereldwijd honderden miljoenen kijkers wist te trekken. De miniserie, gemodelleerd naar het toen sterk opkomende genre van de soapserie, voert de kijker aan de hand van de verschillende personages langs vrijwel alle belangrijke episodes van de nazistische terreur, zoals de Kristallnacht, de moord op psychiatrische patiënten, de getto’s en deportaties, de massamoorden in Oost-Europa, en tot slot de vernietigingskampen, inclusief de gaskamers.

De serie sloeg in als een bom, in de VS, maar ook in andere landen, te beginnen in West-Duitsland, waar de serie in januari 1979 werd uitgezonden. De omroep werd bedolven onder duizenden brieven en meer dan dertigduizend telefonische reacties, die overigens werden afgehandeld door een panel van historici. Die voelden zich op hun beurt overvallen door de woedende vragen van kijkers, ‘hoe dit ooit had kunnen gebeuren’ en ‘waarom deze geschiedenis hun niet eerder was verteld’. In december van dat jaar riep het Gesellschaft für deutsche Sprache ‘holocaust’ uit tot het ‘woord van het jaar’.

De Amerikaanse serie blijkt, terugkijkend, een sleutelrol te hebben gespeeld in de wording van de hedendaagse herinneringscultuur, alleen al omdat daarmee wereldwijd een handzaam concept werd geïntroduceerd. We kunnen het ook anders stellen: de term holocaust bleek conceptueel gezien niet alleen elastisch en ook sponsachtig, in staat zeer uiteenlopende ontwikkelingen te absorberen, politiek, cultureel, filosofisch, historisch – een proces dat overigens gepaard ging met soms heftige discussies over welke groepen wel of niet tot de slachtoffers van de holocaust mochten worden gerekend. Het ‘succes’ van het concept wordt onderstreept door het feit dat andere benamingen goeddeels zijn verdwenen, behalve de Hebreeuwse term ‘shoah’. Het gebruik van die term is evenwel sterk verbonden met een specifiek joods perspectief en daarmee minder wijdverbreid, met uitzondering van Frankrijk, mede dankzij de imposante documentaire van Claude Lanzmann.

Hoe dat absorptieproces rond het concept holocaust sedert het einde van de jaren zeventig precies verliep en vervolgens rond de eeuwwisseling uitmondde in de huidige herinneringscultuur, zou een afzonderlijk essay vergen. Een van de moeilijkheden daarbij is dat verschillende processen nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar ook beïnvloeden. Een goed voorbeeld daarvan is de erosie van de grote ideologische verhalen en de opkomst van het postmodernisme. Auschwitz speelde daarin een sleutelrol, als symbool van het failliet van die moderne ideologieën, als breuk in de westerse beschaving, een aardbeving waarbij – in de woorden van de Franse filosoof Jean-François Lyotard – niet alleen levens, gebouwen en voorwerpen, maar ook de meetinstrumenten verloren waren gegaan. Met deze metafoor deden andere noties hun intrede in het debat, zoals de uniciteit, onbevattelijkheid en onvoorstelbaarheid van de Endlösung – noties die, niet zelden in mystificerende zin, een plek hebben gekregen in het huidige holocaustdiscours. Tegelijk viel met de teloorgang van de vertrouwde ‘meetinstrumenten’ een bijzondere rol toe aan de individuele overlevenden: zij zouden als enigen toegang kunnen geven tot de ervaring.

De centrale rol die de getuigen kregen toebedeeld sloot naadloos aan bij een bredere ontwikkeling in de samenleving, inclusief de media en de geschiedwetenschap, waarbij verhalen van gevestigde groepen en instellingen ruimte moesten maken voor de stem van de gewone man of vrouw. Daarmee kwam een niet-aflatende stroom van getuigenissen op gang, in publicaties en de media, maar ook in allerlei projecten, te beginnen met dat van Steven Spielberg. Nauw verbonden met deze individualisering was de opkomst van wat Jolande Withuis zo treffend heeft aangeduid als een ‘slachtoffercultuur’.

Zo zijn er talloze ontwikkelingen die de herinneringscultuur hebben gevoed en gevormd, zoals de heftige maatschappelijke en wetenschappelijke debatten in het kader van de Duitse Vergangenheitsbewältigung in de jaren tachtig en negentig, de internationale beweging rond rechtsherstel en restitutie van joodse tegoeden en geroofde kunst en – uiteraard – het einde van de Koude Oorlog, die de bevolking en de overheden in Centraal- en Oost-Europa dwong zich rekenschap te geven van een uiterst complex en getroebleerd verleden. Daarbij bleek een volmondige erkenning van de holocaust te fungeren als toetssteen voor het democratisch gehalte van deze landen – lees: aspirant-leden van de EU.

Hoe deze holocaustcultuur zich sinds de jaren tachtig heeft ontwikkeld en uiteindelijk het karakter van een global memory heeft gekregen, laat zich op tal van manieren uitlezen, te beginnen met de enorme aandacht in de vorm van publicaties, herdenkingen, films en documentaires, politieke affaires en wetten die holocaustontkenning en bagatellisering moeten bestrijden. Dan zijn er de eerdergenoemde politieke verklaringen, zoals de Verklaring van Stockholm van 2000 en het VN-besluit van 2005.

Maar de tastbaarste uitdrukking is misschien wel de enorme toename van het aantal musea en monumenten. In Nederland alleen al werden tussen 1980 en 2020 ten minste 272 gedenktekens voor de jodenvervolging opgericht, vrijwel allemaal in de openbare ruimte; dat is nog buiten de Stolpersteine gerekend, waarvan er overigens al bijna honderdduizend zijn gelegd, verspreid – zij het zeer ongelijk – over dertig Europese landen, inclusief Rusland. Tot slot lijkt Nederland zich met het nieuwe ‘Nationaal Holocaust Namenmonument’ en het ‘Nationaal Holocaust Museum’ definitief te hebben gevoegd naar het globale herinneringsdiscours.

De ontwikkeling van de holocaustcultuur is steeds gepaard gegaan met heftige polemieken, te beginnen in de VS. Daarbij vielen kwalificaties als ‘een slap mengsel van historische en morele noties’ (Rosenfeld), ‘transcendente retoriek’ en ‘impliciete sacralisering van de horror’ (Novick), een ‘holocaustindustrie’, gericht op zowel commerciële als politieke exploitatie – het laatste om critici van Israël de mond te kunnen snoeren (Finkelstein). Scherpe woorden, maar dat heeft de wervende kracht van dit herinneringsvertoog niet aangetast, integendeel. De ontwikkeling van de holocaust tot een global memory heeft sindsdien alleen maar verder doorgezet.

Niettemin lijkt de weerstand tegen het heersende herinneringsdiscours rond de holocaust weer aan te zwellen. Daarbij gaat het enerzijds om de wijze waarop de voorstelling van de holocaust als tijdloos symbool van het unieke, absolute en onvoorstelbare kwaad politiek wordt ingezet en anderzijds om de impliciete miskenning van andere vormen van massaal extreem geweld, bijvoorbeeld van politieke tegenstanders, het bombarderen van burgerdoelen of – in historisch perspectief – het koloniale geweld, dat niet zelden genocidale trekken had.

Critici vragen zich af hoe deze misdaden zich tot elkaar verhouden en wat de huidige opvatting van de holocaust als de ultieme crime of crimes, als de meest ‘zuivere’ genocide, eigenlijk rechtvaardigt – de onschuld van de slachtoffers, de veronderstelde doelloosheid van de massamoord? Moeilijke, pijnlijke vragen, die vorig jaar in Duitsland leidden tot bittere polemieken na de publicatie van een essay van de Australische historicus Dirk Moses met de veelzeggende titel Der Katechismus der Deutschen, waarin precies dit soort vragen worden opgeworpen.

Bij alle kritiek is er één bezwaar dat telkens terugkomt: het gebrek aan historische context, dat een werkelijk begrip van de gebeurtenissen en de oorzaken daarvan in de weg staat. ‘De holocaust creëert zijn eigen verhaal, alsof het buiten de gebeurtenissen van de oorlog valt’, schreef de altijd scherpzinnige historicus Dan Diner al eens. Wat resteert is een slachtofferdiscours, waarmee de holocaust behoort tot het domein van moraal en politiek. Geen wonder dat hedendaagse politieke leiders er geen been in zien om, tegenover het absolute kwaad, vrome woorden te spreken bij herdenkingen, om vervolgens burgerdoelen te bombarderen, hele bevolkingsgroepen in kampen op te sluiten of tot tweederangsburgers te degraderen.