De politiek van de illusie

Terrorisme kan tot onverwachte politieke wendingen leiden.

Medium groene commentaar illusie 1

De geschiedenisles over de Eerste Wereldoorlog begint in de regel met het pistoolschot dat Gavrilo Princip loste in Sarajevo, 28 juni 1914, waarmee aartshertog Franz Ferdinand werd gedood en de lont in kruitvat Europa gestoken. De aanslag op de Twin Towers op 11 september 2001 gaf hier te lande de Lijst Pim Fortuyn als politieke nieuwkomer wind in de zeilen. George W. Bush werd oorlogsleider van een war on terror. Dit weekend beleefden de Verenigde Staten de meest dodelijke schietpartij ooit in dat land. In Orlando, Florida, schoot Omar Mateen in een homodiscotheek 49 bezoekers dood alvorens zelf door politievuur om het leven te komen. En ook nu zal het geweld politiek naijlen.

Donald Trump meldde zich na de aanslag op Twitter met begrip voor de digitale felicitaties die hij ontving omdat zijn gelijk over radicaal islamitisch terrorisme zou zijn bewezen. Het was een doortrapte manoeuvre van de man die vrijwel zeker de Republikeinse presidentskandidaat wordt: electoraal punten scoren over de rug van de slachtoffers is onkies, maar op deze manier kon dat toch een beetje.

Maar wat betekent ‘being right on radical islamic terrorism’, zoals Trump tweette? Dat het een bedreiging voor samenlevingen vormt? Dat het moet worden bestreden? In dat geval is zijn gelijk weinig waard. Die overtuiging deelt hij met vrijwel het hele politieke spectrum. Of doelde Trump op zijn wens om alle islamieten toegang tot de Verenigde Staten te ontzeggen? Iedereen die twee keer nadenkt weet dat een aanslag als die in Orlando daarmee niet wordt voorkomen. Omar Mateen werd geboren in de VS, radicaliseerde waarschijnlijk in de digitale wereld, kon zijn vuurwapens in de winkel kopen en wist ze met dodelijke precisie te hanteren omdat hij wapentraining had gehad als beveiliger. Deze bedreiging kwam niet van buitenaf.

Trump walste over deze gecompliceerde werkelijkheid heen en koos voor de tactiek van de volksmenner: angst en woede aangrijpen om flink op de trom te slaan, maar tegelijk vaag genoeg blijven over wat je nu precies zegt zodat het gerammel van je betoog niet al te duidelijk doorklinkt.

In Nederland gebeurde hetzelfde. Geert Wilders greep het bloedbad aan om zijn boodschap te herhalen dat hij Nederland wil ‘de-islamiseren’. Hoe die fantasie gestalte moet krijgen, blijft onduidelijk. Wil hij alle moslims uit Nederland deporteren? Moskeeën sluiten? Laten patrouilleren om islamitische predikers op te pakken? Hoe groot de pvv ook wordt, ook deze partij zal tegen de grenzen van de rechtsstaat aan lopen. Het succes van Wilders in de peilingen, net als dat van Trump, berust vooral op een electoraat met de ‘bereidheid het onmogelijke te proberen’.

Die woorden komen van de politiek-filosoof Eric Hoffer, en worden geciteerd door Andrew Sullivan in zijn essay verderop in deze Groene. Amerika beleeft volgens Sullivan een ‘Weimar-moment’, dankzij een politieke elite die het volk van zich heeft vervreemd. Daarmee is het tij gunstig voor een dictatoriale figuur als Donald Trump, die een aloude tactiek gebruikt: het aanwijzen van een vijand binnen de samenleving, het aanwakkeren van de angst voor die vijand en vervolgens doen geloven dat hij die vijand uit de samenleving zal verwijderen.

Het geweld in Orlando voedt deze politiek van de illusie. Het leed van de aanslagen is bovenal de familie en vrienden van de slachtoffers aangedaan, maar tegelijk pleegde Omar Mateen een aanslag op het politieke debat. Het gesprek over hoe home grown radicalisme de kop in te drukken wordt overstemd door rechts-populistische politici die opnieuw een kans krijgen om hun schijnoplossingen voor te stellen als reëel politiek antwoord op de bedreiging van islamitische jonge mannen die zich tegen hun eigen samenleving keren.