De politiek van de levenswandel

Hij theoretiseert over ‘moderniteit en sociale theorie’. En hij adviseert Tony Blair. De socioloog Anthony Giddens is voorbij links en rechts - en schreef daar een boek over. Een gesprek. ‘Zowel de sociaal-democratie als het neoliberalisme horen thuis in een ouder tijdperk.’
Vertaling: Tinke Davids
ANTHONY GIDDENS is niet alleen een van de meest invloedrijke sociologen op het gebied van ‘moderniteit en sociale theorie’; hij was ook een van Tony Blairs adviseurs en schreef mee aan het verkiezingsprogramma van Labour.

Is het toeval dat juist in Groot-Brittannië nu een Labour-regering aan de macht is gekomen die zo'n concept van een politiek ‘na het einde van links en rechts’ in de praktijk gaat brengen?
Giddens: 'Deels heeft dat natuurlijk te maken met het feit dat de Conservatieven hier heel lang aan de macht zijn gebleven. Zoals u weet hadden de Tories hier een neoliberale politiek in de praktijk gebracht die veel consequenter was dan in enig ander Europees land. De Labour Party moest daarom haar politiek aan een strengere herziening onderwerpen dan andere sociaal-democratische partijen van Europa, en ze moest een serieuze confrontatie aangaan met de vraag wat het betekent te leven in een maatschappij die ideologisch sterk markteconomisch georiënteerd is.
Het neoliberalisme van het Thatcher-tijdperk was een reactie op veranderingen als de globalisering en de consequenties daarvan voor het leven van de mensen. Het was echter een reactie vol tegenstrijdigheden, en het hele idee is een mislukking geworden. Nu hebben we behoefte aan iets anders. De tijd van Thatcher had een gunstig klimaat geschapen voor nadenken over de traditionele linkse politiek, en we hebben nu een politiek die volgens mij links noch rechts is.’
Hebben de mensen dus gelijk als ze zeggen dat Tony Blair de erfgenaam van Thatcher is, en niet van de linkse traditie die u pleegt aan te duiden als 'radicale sociale kritiek’?
'Dat is sterk afhankelijk van wat Tony Blair van zijn project gaat maken, want dat bevindt zich immers pas in het beginstadium. Geen mens kan zich eigenlijk voorstellen hoe je zodanig met de globalisering kunt omgaan dat de sociale samenhang en de sociale rechtvaardigheid behouden kunnen blijven. Daar gaat het om, dat is de vraag waarop we allemaal een antwoord zoeken. Natuurlijk heeft Tony Blair nog geen volledig antwoord gevonden. Niemand heeft dat gevonden. Maar het zou onzin zijn te insinueren dat hij domweg neoliberale principes overneemt.
Vaststaat dat sommige traditionele linkse beginselen nog steeds onontbeerlijk zijn - vooral de uitbreiding van de democratie en de strijd tegen de onrechtvaardigheid. Maar tegenwoordig past de politiek niet meer in het oude schema van links en rechts. Veel mensen geven dat ook toe, maar ze nemen het niet echt serieus. Als je het wel serieus neemt, zet je je aan het ontwerp van een politiek die reageert op wereldwijde krachten, en die krachten hebben niets met links of rechts te maken.
Er is geen traditioneel links program dat geschikt is voor deze nieuwe situatie. Men voelt voortdurend de verleiding de dingen in oude categorieën te persen. Volgens mij is dat zinloos. Zowel de sociaal-democratie als het neoliberalisme horen thuis in een ouder tijdperk, en in onze tijd hebben we behoefte aan iets anders.’
IN 'BEYOND Left and Right’ beschrijft u het nieuwe tijdperk als een periode van meer vrijheid en democratie. Maar de meest ingrijpende maatregelen van de regering-Blair, bijvoorbeeld op het terrein van de jeugdcriminaliteit of de bijstand, maken toch duidelijk een autoritaire indruk. Men geeft bijstandsmoeders te verstaan dat hun levenswijze aan een 'revisie’ zal worden onderworpen. Hoe is dat te rijmen met een meer open, meer democratische maatschappij?
'Ik denk dat de Labour Party op dit punt heel voorzichtig moet zijn. Er is volgens mij een tendens tot flirten met moreel autoritarisme. Persoonlijk wijs ik zoiets volstrekt af. Als modernisering inhoudt dat je je moet oriënteren op een globale wereld, dan betekent dat ook dat je in moreel opzicht een kosmopolitisch standpunt inneemt. In deze context kun je geen traditionele moraal meer opleggen. En als men dat toch doet, dan is dat gevaarlijk; het creëert spanningen, het is onaanvaardbaar en niet democratisch. Daarom vind ik het van belang dat Labour niet die kant uitgaat.
Dat wil echter niet zeggen dat bepaalde projecten die de nadruk leggen op eigen verantwoordelijkheid of op het belang van communautaire organisatie, niet zinvol zijn. Zoiets staat voor mij niet zonder meer gelijk aan autoritarisme. In een meer actieve maatschappij, waar de mensen meer in vrijheid leven en minder door conventie en traditie gebonden worden, moet men ook nieuwe verplichtingen creëren, van individuele dan wel collectieve aard. Daarbij horen dingen als verantwoordelijkheid voor behoorlijke wegen, voor bescherming van vrouwen tegen geweld, voor ecologische maatregelen, enzovoort.
Leven in vrijheid wil zeggen dat je actief je eigen leven kunt regelen. Dat houdt echter ook verantwoordelijkheid voor anderen in, zowel in persoonlijke relaties, vriendschappen, als in de context van organisaties of van de staat. Het gaat erom staat en regering te herdefiniëren als terrein van wederzijdse verantwoordelijkheid, waar ook burgers bepaalde plichten hebben. Ik ben er sterk voor dat men een nieuw burgerschapscontract formuleert, een contract waarin niet alleen rechten, maar ook plichten worden vastgelegd, en dat ook erkent dat die verplichtingen voor een groot deel vrijwillig moeten worden aangegaan.’
DIT IS WAT u ook wel noemt 'de politiek van de levenswandel’. Dat is wel een vérstrekkende herdefinitie van de relatie tussen staat en privé-sfeer. Zou men niet kunnen zeggen dat de scheiding van deze twee terreinen een goede zaak was, aangezien ze de mensen beschermde tegen overmatig ingrijpen door staat, deskundigen en politiek? Houdt de opheffing van die scheiding geen gevaren in?
'Er zal natuurlijk altijd onderscheid zijn tussen de formele politieke mechanismen van staat en regering enerzijds en de sfeer van de burgermaatschappij, het dagelijks leven anderzijds. Dat wil echter niet zeggen dat je de sfeer buiten de regering geheel los kunt zien van wat regeringen doen. Dat zou een radicaal rechts standpunt zijn. Een politiek links van het midden zou zeggen dat die dingen toch al bezig zijn te gebeuren; een verzorgingsstaat betekent immers voortdurende staatsinterventies in het persoonlijk leven van mensen. Het gaat erom dergelijke zaken democratisch en controleerbaar te regelen, en dat de mensen de middelen krijgen om althans een deel van hun leven actief vorm te geven. Als men bijvoorbeeld de kinderbijslag wil herzien, dan kan men er óf een bureaucratisch mechanisme van maken, waarmee arme mensen iets wordt opgedrongen, óf men kan ze de kans geven hun leven zelf gestalte te geven, door ze middelen ter beschikking te stellen - niet alleen financiële maar ook andere, die hen bijvoorbeeld helpen communicatieve vaardigheden te ontwikkelen.
Dat alles is volgens mij hoogst belangrijk. Daarom hanteer ik ook het begrip “emotionele democratie” of “democratie van de gevoelens”. Daaronder versta ik de democratisering van de wereld van de gevoelens en van de civiele maatschappij. De regering behoort in haar oude sfeer te blijven, maar moet tegelijkertijd proberen overal de beginselen van democratie, van communicatie, van respect voor anderen en van verantwoordelijkheid te ondersteunen.’
VOLGENS U is de globalisering de reden dat we een nieuwe politiek nodig hebben. Met dat begrip worden wel ontwikkelingen op de meest uiteenlopende terreinen - van economie tot politiek en staat tot de cultuur van het dagelijks leven - samengepakt in één enkele kreet, die er niet echt toe bijdraagt de relaties tussen al die dingen te verhelderen. De internationalisering van de markteconomie bijvoorbeeld zou wel eens niet dezelfde oorzaken kunnen hebben als de crisis van de politiek, die meer te maken heeft met de ineenstorting van de oude ideologieën.
'Zó kan men dat zeer beslist niet formuleren. De crisis van de oude ideologieën verwijst naar de veranderde verhoudingen in een steeds meer geglobaliseerde wereld, waarin informaticatechnologieën een sleutelrol spelen en waarin ook het dagelijks leven sterk verandert - ook bijvoorbeeld de relaties tussen de seksen. Dergelijke dingen staan bepaald niet los van elkaar.
Het begrip globalisering is natuurlijk controversieel en lastig. Dat komt voor een deel doordat het zo snel door iedereen is overgenomen. Er is nu een groot debat gaande, met aan de ene kant de mensen die we aanduiden als globaliseringssceptici, mensen die uiteindelijk zeggen: er is niets nieuws onder de zon, en met globalisering hebben we altijd al te maken gehad. Aan de andere kant staan de mensen, vooral in de economische journalistiek, die denken dat de globalisering zo ver strekt dat we al heel spoedig het einde van de nationale staat zullen beleven. Geen van beide standpunten beschouw ik als juist. Globalisering is een gecompliceerde zaak, en geen simpel theorema.
Men kan het, denk ik, als volgt omschrijven. We leven tegenwoordig in een maatschappij waarin het handelen grote afstanden omvat, zodat de consequenties van ons handelen ook steeds verder reiken. Zelfs kleine beslissingen in het dagelijks leven, zoals de aankoop van een bepaald kledingstuk, hebben effect op de wereldwijde economie. Het gaat niet meer om een plaatselijke beslissing. En zo gaat het ook wanneer een afspraak van een handjevol financiële speculanten ertoe leidt dat het geld in uw portemonnee opeens minder waard is. Dat is globalisering: een complexe, dialectische relatie tussen lokale, regionale en ruimere systemen, waardoor de architectuur van de wereld zodanig verandert dat we eigenlijk niet weten waarheen dat zal leiden.
Daarom is het begrip “risico” zo belangrijk. We hebben hier een nieuwe historische grens bereikt, waar de risico’s niet meer op grond van vroegere historische ervaringen in categorieën ondergebracht kunnen worden. Er zijn veel onbekende grootheden in deze nieuwe risico-omgeving, zowel positieve als negatieve. Ulrich Beck heeft in zijn vroege geschriften risico slechts als iets negatiefs gezien. Dat was volgens mij onjuist. Men kan risico ook als iets positiefs zien, wanneer men besluit tot een investering bijvoorbeeld, of misschien ook tot een persoonlijke relatie. Risico wordt pas een relevante categorie in geval van actieve beslissingen over het eigen leven. Hoe meer traditie en natuur er wordt vernietigd, hoe meer we de wereld op zo'n actieve manier tegemoet treden. En des te belangrijker wordt het begrip “risico” voor ons denken en handelen.’
OOK HET BEGRIP neoliberalisme speelt tegenwoordig een belangrijke rol, ook in uw boek. Men doelt daarmee op een hardnekkige versie van de zogeheten 'zuivere markteconomie’, iets heel anders dus dan het project waarvoor u of de Labour Party staat. De politiek van Labour, en wellicht geldt dat voor meer Europese sociaal-democratische partijen, is echter in alle opzichten pro-markteconomie. Alleen voegt men er nog een dimensie aan toe die meer gericht is op sociale integratie en normen en waarden. Per saldo komt dat toch neer op: de mensen worden meer dan ooit uitgeleverd aan de wisselvalligheden van een ongecontroleerde marktsituatie, maar daarnaast ontstaan nieuwe vormen van regulatie en controle van hun individuele leven.
'Tja, ik geloof dat we allemaal proberen tot een zekere verstandhouding te komen met een wereldwijde ondernemerscultuur. Vooral diegenen onder ons die links van het midden staan, hadden niet altijd verwacht dat de wereld zich op die manier zou ontwikkelen. We leven per slot van rekening - op het moment tenminste - in een ondernemersbeschaving, en dat kan men niet zonder meer negeren. Daar moet men mee leren leven. Het neoliberalisme is een verkeerde theorie over die beschaving. Het is weliswaar juist dat men markten een centrale rol moet toewijzen, maar de gedachte dat het leven als een markt is, kan alleen maar als dom worden aangemerkt. En het is al even dom als men weigert in te zien dat markten tegenstrijdige resultaten opleveren.
Het gaat erom dat we erin slagen een nieuwe relatie tussen staat en economie te vinden - een relatie die erkent dat de sleutel tot welvaart bestaat uit het succes van ondernemers. Dat kan niemand tegenspreken. De vraag is onder welke voorwaarden die welstand wordt gecreëerd, wat voor gevolgen dat heeft voor de verdeling van de welvaart en hoe men bepaalde consequenties, bijvoorbeeld toenemende ongelijkheid, onder controle kan houden, en hoe men omgaat met de vrijheden die door de markt worden geschapen.
Het neoliberalisme heeft voor dat soort dingen nooit een bevredigende verklaring gegeven. Maar dat geldt ook voor de sociaal-democratie, die gegrondvest was in heel gevestigde levensgewoonten. De sociaal-democratie hoorde thuis in een wereld waarin traditie en natuur nog grotendeels intact waren, en waar bijvoorbeeld mannen en vrouwen nog wisten wat er van hen werd verwacht. Dat was de grondslag van de verzorgingsstaat, maar dat soort dingen hebben we niet meer. Zowel het neoliberalisme als de sociaal-democratie is verouderd, en waar het nu om gaat, dat is dat we iets nieuws creëren, iets wat beter past bij de wereld van heden.’