Wat wil de PvdA?

De politiek van het mindere kwaad

De nieuwe PvdA is niet links, niet rechts, maar centristisch. Puttend uit de politieke filosofie van John Rawls en het Britse voorbeeld van Blue Labour probeert zij boven de partijen te staan. Tevergeefs.

Wat is er toch aan de hand met de ideologische veren van de pvda? Na te zijn afgeschud onder Kok zouden ze er nu door Samsom en Spekman weer opgeplakt zijn. Dat klinkt niet als een solide constructie. Een andere lezing, zoals verwoord door Paul Kalma, is dat de pvda nog steeds het aanzien heeft van een geplukte kip. Het is een pragmatische partij zonder inspiratie, zonder visie, zonder ideologie.

Aan beide perspectieven mankeert iets. Ze gaan ervan uit dat de pvda óf sociaal-democratisch óf geheel post-ideologisch is. Er is nog een andere optie. Die houdt in dat de pvda sinds de jaren negentig geen sociaal-democratische partij meer is. Als principieel ‘centristische’ partij stelt ze haar ideologie samen uit verschillende elementen, net als de Democraten in de Verenigde Staten en Labour in Groot-Brittannië.

Veelzeggend zijn de overeenkomsten tussen de voorbije Amerikaanse en Nederlandse verkiezingsstrijd. Een mogelijke overwinning van het andere kamp werd geschetst in inktzwarte, apocalyptische tinten. Volgens filmheld Chuck Norris zou na een herverkiezing van Obama duizend jaar duisternis invallen. Het Democratische kamp voorspelde een terugkeer naar het stenen tijdperk als Romney zou winnen. In Nederland betoogde de vvd dat we onder socialistische leiding zouden afglijden naar een soort Griekenland aan de Noordzee. De pvda voerde campagne als antigif voor ‘rechts rotbeleid’ van de vvd.

De verbetenheid in de campagnes is opmerkelijk. Het concrete beleid van de kemphanen verschilt veel minder dan de retoriek doet vermoeden. Waar komt dat door? Het is niet de rechterzijde die een beweging naar het midden heeft gemaakt. Zowel het Republikeinse als het vvd-establishment staat al jaren onder druk om een scherpere koers te varen. De oorzaak ligt vooral bij het progressieve kamp. Dat is sterk naar rechts opgeschoven. Elk geloof in de verwerkelijking van een progressieve agenda lijkt opgegeven. In 2008 was een stem op Obama nog een stem tegen de inperking van het lobbycircuit en de schendingen van burgerrechten onder Bush, en vóór het reguleren van de financiële sector en bestrijding van de oplopende sociale ongelijkheid. Dit jaar was een stem voor Obama vooral een stem tegen Romney. De politiek van hoop en verandering waarmee Obama het Witte Huis veroverde, is ingeruild voor een politiek van het mindere kwaad. Met een vriend als Obama, constateren progressieve critici cynisch, heb je vijanden nodig om nog enigszins het idee van vriendschap overeind te houden.

Bij de pvda is het niet veel anders. De sociaal-democratische visie op de crisis, gebaseerd op het dictum van Keynes – the boom, not the slump, is the time for austerity – is verlaten. De verontwaardiging over het ‘kapot bezuinigen van de economie’ is ingeslikt. En dat net nu de economische cijfers die kritiek onderstrepen. Van de agenda van daadwerkelijke sociale veranderingen rest enkel nog de belofte om de scherpste kantjes van het beleid van de tegenstander af te vijlen. Wat Bart Tromp in de jaren negentig de kern van de sociaal-democratische agenda noemde – versterking van het publieke domein en het in stand houden van een brede verzorgingsstaat (ook al zou dat ingrepen vergen) – lijkt vergeten.

De centristische politiek waartoe de pvda zich heeft bekeerd, komt mooi tot uiting in de nieuwe partijslogan. ‘Sterk Sociaal’, heette het eerst nog stellig. Inmiddels getuigt het motto van een relatieve politiek: ‘Sterker Socialer’. De pvda presenteert zich niet langer als links. Zij is enkel minder rechts dan rechts. De partij is, kortom, trouw gebleven aan de revolutie van de Derde Weg, die een politiek voorbij links en rechts beloofde.

Een goed voorbeeld van dit type politiek is de toespraak die Lodewijk Asscher, inmiddels vice-premier, eind oktober hield in Amsterdam. Het was de zogenaamde Preek van de Leek, gehouden op een vrij belangrijk moment, vlak voor de vaststelling van het regeerakkoord. De zaal zat vol met journalisten, en niet zonder reden. De verwachting was dat hier een strategische lijn zou worden uitgezet. Asscher stelde niet teleur. Door Vrij Nederland werd de preek prompt uitgeroepen tot de ideologische basis van het nieuwe kabinet.

In het begin van zijn preek stelde Asscher: ‘Ik geloof niet in tina.’ Voor de niet-ingewijden: tina is een afkorting van There Is No Alternative, een gevleugelde uitspraak van Margaret Thatcher waarmee zij het neoliberalisme en het marktmechanisme heilig verklaarde. Van dat geloof nam Asscher in zijn preek de nodige afstand.

Tot zo ver niets opzienbarends. Afstand doen van het neoliberalisme en de Derde Weg lijkt inmiddels bijna een soort zuiveringsritueel. Sommigen, zoals Wouter Bos, nemen niet eens de moeite om dat op geloofwaardige wijze te doen. Kort nadat hij afscheid had genomen van het neoliberalisme ontpopte hij zich als partner bij kpmg tot een groot voorstander van marktwerking in de zorg.

Bij Lodewijk Asscher is echter iets anders gaande. Hij formuleerde in zijn preek wel degelijk een duidelijk alternatief voor het marktmechanisme. Dat komt alleen uit onverwachte hoek. Zijn preek was een overwegend liberaal-conservatief pleidooi, waarin op belangrijke punten gebroken werd met de sociaal-democratische traditie.

De kern van Asschers betoog is te herleiden tot twee elementen die logischerwijs uit elkaar voortvloeien. Het eerste is een herformulering van het solidariteitsbegrip. Het tweede is de aankondiging van een terugtredende overheid. De sociale gevolgen daarvan moeten opgevangen worden door de goede werken van de burgers.

Laten we bij het solidariteitsbegrip beginnen. Stel, we zijn gesluierd door onwetendheid. We weten niet of we arm of rijk zijn, of we een begunstigde of ondergeschikte positie innemen. Wat voor maatschappij zou dan onze voorkeur hebben?

Dit gedachtenexperiment van de liberale rechtsfilosoof John Rawls stelde Asscher centraal in zijn herformulering van het solidariteitsbegrip. Rawls’ filosofie borduurt in feite voort op de ‘categorische imperatief’ van Kant. Kant gebruikte dat beroemde begrip om te stellen dat er een universele morele leidraad is: namelijk op die wijze te handelen, zoals je wenst dat iedereen zou handelen. Net als Kant veronderstelt Rawls dat er een ruimte is vanwaar belangeloos gedacht kan worden, een universele rationaliteit. De rawlsiaanse blinddoek is een voorwaarde voor het betreden van deze ruimte. Het voorkomt dat mensen vanuit hun eigen belangen en maatschappelijke positie denken.

De linkse kritiek op een dergelijke liberale positie ligt voor de hand. De vrij droge en misschien wat botte reactie, van Karl Marx tot Pierre Bourdieu en Chantal Mouffe, is dat zo’n buitenpositie simpelweg niet bestaat. Het bewustzijn van individuen, volgens de klassieke formulering van Marx, wordt bepaald door hun ‘maatschappelijk zijn’, oftewel door de sociale verhoudingen. Dit gaat meestal vergezeld van het inzicht dat de bovenliggende partij over meer middelen beschikt om haar bewustzijn leidend te maken.

Een dergelijke, wat paranoïde kijk op de wereld wordt onderschreven door een aantal nieuwe studies over de inkomensverdeling in de Verenigde Staten. In een fascinerend onderzoek heeft de gedragseconoom Dan Ariely geprobeerd Rawls’ sluier van onwetendheid te operationaliseren. De uitkomsten waren onthutsend. Ariely vroeg 5522 respondenten naar wat zij als de ideale welvaartsverdeling zien, als zij hun eigen maatschappelijke positie en belangen buiten beschouwing zouden laten. Wat blijkt? Ruim 93 procent van de Democraten en ruim negentig procent van de Republikeinen heeft een voorkeur voor een model met een gelijkere welvaartsverdeling dan Zweden.

De studie eindigde met de enigszins naïeve aanbeveling dat politici beter uit kunnen gaan van de filosofie van Rawls in plaats van hun gangbare ideologie. Dan zou de door bijna iedereen gewenste rationele optie, een gelijkere samenleving, binnen handbereik komen te liggen. Het grappige is dat deze studie tegelijkertijd de relevantie van Rawls én van de linkse kritiek op hem aantoont. Want wat is de werkelijke betekenis van deze utopische denkwereld? Als het erop aankomt worden mensen zó beïnvloed door hun omgeving dat zij stemmen op partijen die een veel ongelijkere samenleving nastreven.

De filosofie van Rawls is echter een instrument dat op verschillende wijzen ingezet kan worden. Soms op wijzen waar John Rawls zelf grote problemen mee zou hebben. In Nederland was het de pvda-econoom Paul de Beer die de filosofie van Rawls in de jaren negentig gebruikte om voor een modernisering van het sociaal-democratische gedachtegoed te pleiten. De rol van de staat in het egaliseren van de inkomensverdeling moest beperkt worden. Ook de keynesiaanse nadruk op overheids­investeringen in crisistijd werd losgelaten. Het enige wat de overheid vanuit dit rawlsiaanse perspectief zou moeten doen, is zorg dragen voor een zo goed mogelijk minimuminkomen. Daarmee plaatste Paul de Beer zich op één lijn met de politiek van New Labour. Onder leiding van Tony Blair kreeg de markt meer ruimte en groeide de inkomensongelijkheid. Zoals Blair het in 2010 verwoordde in een interview met Wouter Bos: ‘Het interesseert me niet hoeveel iemand verdient, zolang ik kinderarmoede maar kan bestrijden.’

Zo werd de politieke filosofie van Rawls de grondslag voor de door de Derde Weg bepleite synthese tussen markt en staat. Op dezelfde manier lijkt zij nu het fundament te kunnen vormen voor de nieuwe regering van pvda en vvd. In een interview met Trouw in november zinspeelde Paul de Beer al op die mogelijkheid. En het zal wel geen toeval zijn dat ook in Asschers preek Rawls prominent figureerde.

Enige originaliteit kan Asscher daarbij niet worden ontzegd. Voor hem is het gedachten-experiment van Rawls vooral een persoonlijke opgave. Waar het om gaat, is dat we ons kunnen verplaatsen in de mensen die het minder hebben. ‘Verplaats je in anderen, bekommer je om anderen’, zo preekt Asscher. ‘Wees niet onverschillig en accepteer het onacceptabele niet. Er is altijd een alternatief! Begin nabij, het hoeft niet de armoede in de Derde Wereld te zijn, het hoeft niet meteen de vrede in het Midden-Oosten te zijn. Ook jouw Lazarus ligt waarschijnlijk gewoon voor je deur, woont naast je, heeft kinderen op de school van jouw kinderen, winkelt in dezelfde supermarkt.’

Asschers alternatief voor het neoliberalisme van Thatcher is een bijna christelijke visie op het zelfzorgend vermogen van de burger. Dit is een opvallende breuk met de sociaal-democratische traditie. Volgens de socioloog Kees Schuyt maakt het solidariteitsbegrip de kern uit van de verzorgingsstaat. Bij Lodewijk Asscher is het juist het recept voor haar verdere desintegratie. De burger moet volgens Asscher niet langer naar de overheid kijken, maar de dingen zelf ter hand nemen: ‘Wees niet onverschillig. Jij kunt een verschil maken. Doe dat dan ook. Verwacht niet dat een ander het oplost. Een politicus, een held of een godheid. Je kan niet van de politiek verwachten dat zij alles oplost. Je verwachtingen zijn dan niet reëel én je houdt ook op je af te vragen welke rol je zelf kunt spelen.’

De reden die Asscher hiervoor geeft, is dat de verzorgingsstaat verder ingekrompen moet worden. En passant bekritiseert Asscher de neiging ‘het bestaande met hand en tand te verdedigen’ en vast te houden aan verworven rechten. Alweer wordt hier afstand genomen van de sociaal-democratische positie, verwoord door Nobelprijs winnende prominenten als Paul Krugman, Joseph Stiglitz en Jeffrey Sachs. Zij stellen dat in tijden van crisis de overheid juist extra dient te investeren en sociale voorzieningen in stand moet houden. Dit om te voorkomen dat de effectieve vraag instort en de crisis zich verder verdiept, zoals in Nederland is gebeurd.

Wat de vice-premier in zijn preek aan het kanaliseren was, zijn de door hem bewonderde ideeën van Maurice Glasman. Glasman is een Labour-baron en een controversieel denker. Na zijn oproepen tot het sluiten van de Britse grenzen en het opnemen van de islamofobe voetbalhooligans van de English Defence League (edl) in de rangen van Labour, is Glasman in ongenade gevallen. Zijn invloedrijke positie als naaste adviseur van Ed Miliband heeft hij verloren. Maar zijn ideeën leven voort. Onder de noemer Blue Labour heeft Glasman een eigen variant ontwikkeld op de Big Society-formule van de regerende Conservatieven. Beide Britse partijen grijpen daarbij terug op een christelijk geïnspireerd gemeenschapsdenken. De teneur van deze theorieën is dat zowel de staat als de markt als ordeningsprincipe tekortkomingen kent. Als nieuwe toevoeging wordt daarom de gemeenschap naar voren geschoven, niet op de laatste plaats om de sociale kosten van een terugtredende overheid op te vangen. Burgers moeten zelf initiatief nemen, de bibliotheek gaan runnen of het bloemenperk bijhouden, zodat de overheid verder kan snijden in het budget.

Dit beleid is in Engeland niet onomstreden. Critici zien er een cynische truc in om verdere bezuinigingen te kunnen verkopen als een vorm van empowerment van het maatschappelijk middenveld. Weer anderen wijzen op de problematische impact van het nieuwe beleid op kansarme groepen en vrouwen. Zij moeten in toenemende mate weer de traditionele mantelzorg op zich nemen. Het is dit beleid dat nu ook in Nederland naar voren wordt geschoven onder de vrolijke noemer ‘doe-democratie’.

De Derde Weg was een synthese tussen de sociaal-democratie en het neoliberalisme. De door Rawls geïnspireerde koers die Lodewijk Asscher voorstelt, is een nieuwe synthese. Daarbij wordt een conservatief gemeenschapsdenken als nieuw ingrediënt toegevoegd aan de eerdere synthese.

De pvda smeedt haar ideologie dus samen uit tegengestelde denksystemen, om zo een meta-ideologie te vormen. We zien hier de rawlsiaanse buitenpositie weer terugkomen: het idee dat er boven de partijen uitgestegen kan worden, en de belofte van een technocratische, universele rationaliteit.

Deze techniek staat internationaal bekend als triangulation. De belangrijkste adviseur van Bill Clinton, Dick Morris, introduceerde de term om de strategie voor zijn herverkiezing te beschrijven. Op advies van Morris omarmde Clinton cruciale beleidspunten van zijn tegenstanders. Zo verklaarde hij op fameuze wijze in zijn State of the Union Address uit 1996, dat de tijd van big government voorbij was.

Triangulation werkt als volgt. Stel je een driehoek voor waarbij de onderste uiteinden de posities van links en rechts voorstellen. De kunst is om je in de bovenste punt van de driehoek te manoeuvreren en zo boven de partijen uit te stijgen. Voorbij links en rechts dus. Door posities van de tegenstander in de eigen ideologie te verwerken, isoleer je jezelf voor kritiek op deze punten en neem je de tegenstander de wind uit de zeilen. Het is deze strategie – inmiddels bipartisanship geheten – die Obama structureel toepast, en die Labour al sinds Blair aanwendt onder de noemer van het ‘radicale midden’.

Het is een vorm van denken die de pvda zich volledig eigen heeft gemaakt. Samsom won er de verkiezingen mee. Hij plaatste zich boven de partijen, als het redelijk formulerende alternatief tussen links (sp) en rechts (vvd) in. Sam­soms claim to fame – zijn straatcoach-avontuur – was gebaseerd op een vergelijkbare strategie. Omarm de rechts-populistische nadruk op de superioriteit van de inzichten van de man op straat ten opzichte van de vervreemde beleidsmakers en sociale wetenschappers, en positioneer jezelf op vernuftige wijze in het midden van de twee kampen in het integratiedebat.

Op hetzelfde type driehoeksdenken zijn de economische analyses van de pvda gebaseerd. Neem het advies van Flip de Kam, hoogleraar economie en belangrijk partij-adviseur, in de pvda-publicatie Een linkse begroting. De Kam schetst twee kampen in de economie: de zogenoemde monetaristen die pleiten voor harde bezuinigingen, en de neo-keynesianen, die juist een expansief beleid voorstaan. Na uitgebreid zijn beklag te doen over het gebrek aan objectieve macro-economische wetenschap houdt De Kam netjes het midden aan. Zie hier de intellectuele verwatering van de pvda.

Dit type centrisme, zo heeft Paul Krugman gesteld, is feitelijk een irrationele vorm van denken. Het gaat ervan uit dat objectiviteit voortkomt uit het slaan van bruggen tussen tegengestelde denksystemen, zonder de interne consistentie van die systemen te doorgronden.

‘Als je alleen buiten wil spelen met mooi weer, dan word je nooit een goede voetballer’, stelde Asscher in zijn preek, verwijzend naar de noodzaak van verantwoordelijkheid nemen in crisistijd. Een waarheid als een koe. Maar een voetballer die zich boven de partijen stelt, zonder tegenstanders, heeft evenmin goede vooruitzichten.

Het probleem van de formule van het mindere kwaad, zoals Hannah Arendt stelde, is tenslotte dat men al snel vergeet dat het nog steeds een kwaad betreft.