Interview met Gabriël van den Brink

‘De politieke elite vervult de verwachtingen niet’

Zijn nieuwste boek Moderniteit als opgave kan gelezen worden als een opdracht aan de politiek. Volgens Gabriël van den Brink, hoogleraar bestuurskunde, hebben politici geen antwoord op de veranderde rol van de politiek en de verwachtingen van de burgers.

‘Wat de burger van nu van de politiek verwacht, past niet meer op wat de politieke elite kan of doet. Dat is een probleem waar we nog niet zomaar uit zijn.

Volgens mij zijn veel burgers wel degelijk geïnteresseerd in de publieke zaak en democratie. Ze hebben behoefte aan gezaghebbende gesprekspartners, maar vinden die niet langer in het politieke midden. Daar wordt te veel gezwabberd. Ik zie weinig richting. Niet bij pvda-leider Wouter Bos, niet bij Balkenende en het cda, niet bij GroenLinks. En bij de vvd zijn ze helemaal de weg kwijt.

Ik heb het niet over gezag zoals dat in de jaren dertig gold, iets wat van bovenaf wordt opgelegd. De burgers van nu willen bestuurders zoals Opstelten, Cohen of Leers. Die hebben door hun optreden gezag verworven. Dat heeft niet te maken met de effectiviteit van hun bestuur, maar omdat ze het gesprek met de burgerij aangaan.

Dat we andere verwachtingen van de politiek hebben dan pakweg dertig jaar geleden komt ook doordat de politiek een andere rol vervult. Het antwoord op existentiële vragen zochten mensen, in de loop van de tijd gezien, eerst in de sacrale sfeer en daarna in de sociaal-politieke sfeer. Je zou kunnen zeggen dat de mens zijn idealen eerst in het hiernamaals projecteerde, en daarna in een betere maatschappij hier op aarde. Vandaar de totalitaire pretenties die de politiek soms had.

Maar sinds begin jaren tachtig is deze fascinatie voor de staat, voor de macht aan het verminderen. De mens anno 2007 wil idealen in zijn eigen leven waarmaken: hij wil zichzelf ontplooien, met passie ergens voor gaan, een gezond lichaam ontwikkelen et cetera. Ik noem dat het vitale.

Dat Pim Fortuyn het zo goed deed, heeft onder meer hiermee te maken. Hij scoorde hoog als het ging om vitaliteit en daarnaast zagen mensen in hem een gesprekspartner. Bovendien voldeed hij aan nog iets anders. In de politiek speelt ook de logica van de mythologie een rol. De Grieken keken naar de goden op de Olympus, wij hebben de televisie waarop we graag zien hoe machthebbers met elkaar omspringen. Fortuyn had charisma, hij deed het goed op de tv.

De idealen in de moderne tijd liggen op een alledaags niveau. Het is niet de hoofdtaak van de overheid die idealen waar te maken voor de individuele burger; dat moeten de mensen vooral ook zelf doen. Maar omdat we zo druk zijn en in verwarring over wat juist is, hebben we daar wel hulp bij nodig.

De vraag is dan of het de staat moet zijn die die hulp biedt. Ik denk dat de staat wel iets kan doen, maar dan moet de politieke elite haar materialistische mensbeeld loslaten. Ik vind dat de politieke elite de oren te veel heeft laten hangen naar de economische ideologie. Het is niet waar dat het bij menselijk handelen alleen om het najagen van eigen belangen gaat. Het is een misvatting te denken dat je het gedrag van mensen kunt veranderen met louter fiscale maatregelen. De politiek moet dat onderkennen. Kijk naar het onderwijs. Dat hele terrein is, met name door pvda-politici, opgevat als een productiebedrijf. Een pvda-minister als Jo Ritzen was daar goed in: die had het altijd over instroom en uitstroom. Als je het onderwijs daartoe reduceert, krijg je vanzelf een zesjescultuur.

Dat denken in markttermen heeft enorme gevolgen gehad, niet alleen in het onderwijs, maar ook in de zorg, bij de politie, bij de NS. Het is gedoemd te mislukken. Het is van een dommigheid geweest, daar zijn geen woorden voor. Werk, scholing, dat alles moet een betekenis hebben voor de mens. Het moet zinvol zijn. Dat is het hele geheim.

De staat kan burgers, onderwijzers, politieagenten, verpleegkundigen bij die zingeving helpen door ze de ruimte te geven. Ik heb het dan niet zozeer over de nationale overheid, want die is niet zo machtig, maar over de lokale overheden. Een gemeente is in Nederland nog altijd machtiger dan een buurt of een school.’

‘Ik ben het ideologisch wel met dit kabinet eens waar het gaat om het benadrukken van dat woordje samen. Mijn grote vraag is echter: hoe komen we voorbij de retorica? Hoe kan het worden omgezet in concreet handelen?

Bij dat “samen” mag je niet vervallen in nostalgie naar de solidariteit uit de jaren zeventig of het dorpshuis uit de jaren vijftig. Het moet gaan om concrete mensen en vervlochten zijn met de realiteit van het leven anno nu.

Het gaat ook niet zozeer om beleidsvorming, juist niet. Want wat is beleid? Beleid is papier, dat is slappe hap. Daar zijn we goed in in Nederland, maar ik geloof er niet meer in.

Je moet kijken naar praktijken waar de overheid en de burger elkaar tegenkomen. Dat gebeurt vooral op straat, in de school, in het ziekenhuis. Het zijn de politieagenten, onderwijzers en verpleegkundigen die een belangrijke rol spelen in de publieke sector. Zij hebben een publieke, normatieve taak. Het is een misvatting dat je met vrijheid, blijheid kunt volstaan, zoals veel babyboomers gedacht hebben. Grenzen worden niet vanzelf ontdekt.

Een juf die in de klas niet optreedt tegen een jongetje dat een ander uitscheldt, maar zegt: ach, dat gaat zo ook in de samenleving, die neemt haar werk niet serieus. Met alleen een beter salaris en een betere opleiding voor docenten, zoals nu wordt voorgesteld, krijg je nog geen mensen voor de klas die een kind goed kunnen aansturen.

Minister-president Balkenende heeft met zijn normen en waarden wel een reclameslogan, maar hij heeft er geen goed verhaal bij. Bovendien moet de politieke elite dat normatieve ook zelf laten zien. Op dat gebied is het armoe troef. Je ziet het in het debat over de vrijheid van meningsuiting. De politieke elite heeft moeite met het vinden van een balans tussen enerzijds de vrijheid je uit te spreken in een zoektocht naar de waarheid en anderzijds het ruimte laten aan andersdenkenden. Het lukt haar niet de harde waarheid te zeggen zonder dat anderen daar aanstoot aan nemen. Daardoor verloopt het debat op schrille toon. Blijkbaar schiet het morele en intellectuele gehalte van de politieke elite in dat opzicht te kort.

Volgens mij is daarvoor een tweetal oorzaken. Ten eerste is het kanaal waarin politici gerekruteerd worden te smal. Dat komt doordat er nog maar weinig mensen lid zijn van een politieke partij. Daarnaast zijn politici te vaak neutrale bestuurders, technici die op de winkel passen. Oud-premier Wim Kok is daar een voorbeeld van. Alleen onder zo’n bestuurder kon de pvda in één kabinet zitten met de vvd: ze pasten samen op de winkel.

Dat kunnen we wel in Nederland, op de winkel passen. Maar het gaat erom waar je naartoe wil en waarom. Politici moeten ook een verhaal hebben. En dan kom ik bij de eerste zin van mijn boek: wie zijn wij eigenlijk? Daarover zijn we in Nederland in de war. Eigenlijk is de vraag eenvoudig: waartoe zijn wij op aarde? Voor het antwoord op die vraag heeft de burger politici nodig die een gesprek met hem of haar aangaan.’

Gabriël van den Brink, Moderniteit als opgave. SUN, 315 blz., € 29,50