Afrikaanse migranten in Marokko

De poorten van Fort Europa

Europa is medeschuldig aan de benarde positie van Afrikaanse migranten in Marokko. Door repressie bestendigt Europa de spiraal van criminalisering en marginalisering.

I n het najaar van 2005 kwamen minimaal elf Afrikaanse migranten om het leven en raakten honderden gewond toen zij over de hekken probeerden te klimmen die Marokko van de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla scheiden. Grenswachters schoten met scherp op deze migranten.

Het waren niet de eerste slachtoffers aan de poorten van Fort Europa. Tussen 1997 en 2001 telden mensenrechtenorganisaties 3285 aan gespoelde lichamen van Marokkanen en andere Afrikanen die waren omgekomen tijdens hun pogingen om – meestal per gammel vissersbootje – de Straat van Gibraltar over te steken.

Maar de afkomst van de doden en gewonden vorig najaar illustreerde wel een kentering. Waren het voorheen voornamelijk Marokkanen die de oversteek waagden, sinds 2000 is het aandeel van migranten uit landen ten zuiden van de Sahara sterk toegenomen. Op hun tocht door de woestijn, vanuit Mali en Niger door Algerije en Marokko naar Spanje, zijn zij dikwijls slachtoffer van uitbuiting en mishandeling door corrupte politie en grenswachters. Veel Afrikanen die Europa niet willen of kunnen binnen komen, blijven niettemin liever in de steden van het relatief ontwikkelde en veilige Marokko hangen dan terug te gaan. Marokko is ook een vestigingsland aan het worden. Als «illegale immigrant» leven deze trans-Saharaanse migranten er in voortdurende angst opgepakt te worden. Net als in Europa maken Marokkaanse werkgevers misbruik van hun illegale status door ze voor een habbekrats te laten werken in woningbouw, landbouw, huishouding en soms ook prostitutie. In de bossen rond de Spaanse enclaves hebben berooide en opgejaagde Afrikaanse migranten in de afgelopen jaren intussen vluchtelingenkampen opgezet, in afwachting van een kans om naar Europa over te steken.

Volgens mensenrechtenorganisaties is de situatie van Afrikaanse immigranten in Marokko penibel. Maar Europa zwijgt. Niet zonder reden. Europa is medeplichtig. Europa probeert namelijk al jaren het migratie vraagstuk te «externaliseren» door de aangrenzende landen de rol van grenswachter op te dringen. De directe aanleiding hiervoor is dat het restrictieve immigratiebeleid dat de EU sinds de jaren negentig voert op een mislukking is uitgelopen.

De belangrijkste reden voor de aanhoudende immigratie is simpel: de aanhoudende be hoefte aan goedkope arbeid. Door de voort durende vraag naar deze arbeid leiden een overmatig restrictief immigratiebeleid en het opvoeren van grenscontroles niet zozeer tot minder maar tot meer irreguliere migratie. Om de strengere regels te omzeilen, brengen migranten en smokkelaars een heel arsenaal aan inventieve emigratiemethodes in stelling. Naast de klassieke overtocht per vissersboot wordt steeds vaker gebruik gemaakt van speedboten. Anderen verstoppen zich in auto’s, busjes, vrachtauto’s en containers. Degenen met meer geld reizen op valse of geleende papieren of komen eenvoudig op een toeristenvisum binnen. Bovendien passen de routes zich voortdurend aan. Zo zijn veel migranten uitgeweken naar de Canarische Eilanden, nadat Spanje strenger ging con tro leren bij de Straat van Gibraltar. De steeds professioneler opererende mensensmokkelaars zijn overheden voortdurend te snel af.

De medeplichtigheid van Europa houdt niet alleen verband met de praktische onmogelijkheid alle migratiebewegingen te controleren. Europa heeft zich ook verbonden aan een reeks internationale mensenrechtenverdragen. Daarom mogen asielzoekers, zwangere vrouwen, minderjarigen en niet-identificeerbare personen niet zomaar uit gezet worden. Huwelijksmigratie is nauwelijks tegen te houden vanwege het internationaal erkende recht op gezinsleven. Kortom, alleen politiestaten kunnen migratie grotendeels beheersen. Het komt de EU daarom niet slecht uit dat Noord-Afrikaanse landen het in de regel wat minder nauw nemen.

Hulp van en handel met de EU wordt in het kader van de associatieakkoorden zelfs steeds schaamtelozer verbonden aan de eis dat er onvoorwaardelijk aan de Europese immigratiepolitiek wordt meegewerkt. Zo hebben Tunesië en Marokko na Europese aandrang recent een compleet nieuwe wetgeving in gevoerd die mensensmokkel draconisch bestraft maar de rechten van migranten vrijwel volledig negeert. Ook oefent de Europese Commissie – gesteund door Groot-Brittannië, Denemarken, Nederland, Duitsland en Italië – sinds 2003 druk uit op Noord-Afrikaanse landen om, onder het mom van «opvang in eigen regio», kampen op te zetten waar immigranten worden gescreend en geselecteerd. Daarnaast staan Noord-Afrikaanse landen onder zware Europese pressie om Afrikaanse «illegalen» terug te nemen ongeacht hun nationaliteit, een praktijk die Spanje en Marokko en ook Italië en Libië al enkele malen tot uitvoer hebben gebracht. Blijkbaar wordt voor lief genomen dat hiermee het in het VN-vluchtelingenverdrag opgenomen verbod op uitzetting van vreemdelingen naar landen waar hun mensenrechten niet zijn verzekerd, en passant overboord wordt gezet.

Hierbij wordt er voetstoots vanuit gegaan dat het uitsluitend om «economische» migranten gaat. Europa sluit zo de ogen voor het feit dat een substantieel deel van de Afrikaanse migranten politieke vluchtelingen zijn uit landen als Congo, Sierra Leone, Liberia en Ivoorkust. Door hen over een kam te scheren met «illegalen» wordt de bescherming van deze vluchtelingen ondermijnd. Amnesty International bevestigde in juni 2005 dat Spanje regelmatig vluchtelingen illegaal uitzet zonder hen de kans te geven asiel aan te vragen. Bij recente uitzettingen bevonden zich zelfs door de UNHCR erkende vluchtelingen.

Het is veelzeggend dat uitgerekend Libië het enige Noord-Afrikaanse land is dat in ruil voor rehabilitatie als beste jongetje van de klas onvoorwaardelijk meewerkt aan de uitzettingspolitiek. Berlusconi en Kadafi werken sinds het afsluiten van een akkoord in 2004 eendrachtig samen. In ruil voor financiële steun en levering van militair materieel zet Libië teruggestuurde migranten over haar buitengrenzen. Italië helpt Libië ook om detentiekampen voor illegale migranten op te zetten. Dat Libië het VN-vluchtelingenverdrag niet eens heeft ondertekend is blijkbaar geen bezwaar. Veel vluchtelingen worden na aankomst geboeid en met legervliegtuigen teruggevlogen naar Libië. Niemand heeft zicht op wat er daarna met ze gebeurt. Zo deporteerde Italië in oktober 2004 ongeveer duizend migranten vanaf het interneringskamp op het eiland Lampedusa zonder pardon naar Libië, dat ze weer doorstuurde naar Egypte en Nigeria. De Europese Commissie zweeg ondanks protesten van mensenrechtenorganisaties.

De drama’s in Ceuta en Melilla hebben de stilte verbroken en Europa met de neus op de gevolgen van zijn eigen beleid gedrukt. Dat hierbij vooral met het beschuldigende vingertje naar Marokko wordt gewezen is onterecht. Europa klopt zichzelf op de humanitair superieure borst. Maar de Marokkaanse autoriteiten stellen terecht dat ze de migratie naar, door en uit hun land niet kunnen tegenhouden. Migratie is geen kraan die naar gelieven open en dicht gedraaid kan worden. Het is simpelweg onmogelijk de duizenden kilometers lange kusten en de uitgestrekte woestijn te bewaken. Gedwongen uitzetten werkt eveneens niet of nauwelijks. Afrikanen die over de grens met Algerije gezet worden keren binnen een paar dagen weer terug. Veel Afrikanen die na de drama’s bij de Spaanse enclaves naar hun land werden teruggevlogen zijn weer onderweg naar Marokko.

Met uitzondering van Libië, dat alle mensenrechten aan zijn laars lapt, lijken Noord-Afrikaanse landen ook om andere redenen huiveriger te worden om het vuile werk voor Europa op te knappen.

De recente drama’s hebben Marokko in verlegenheid gebracht. Zo’n smet op het mensenrechtenblazoen past steeds minder bij het zich schoorvoetend democratiserende Marokko. Gedwongen deportaties kunnen Marokko’s diplomatieke relaties met Afrikaanse landen bovendien schade toebrengen. Het is veel zeggend dat Marokko geweigerd heeft in eigen land «doorgangs- en selectiekampen» op te zetten. Ook het maatschappelijk middenveld begint zich te roeren. Zo is in de Marokkaanse stad Kkouribga de Association des Victimes des Amies et Familles des Victimes de l’Immigration Clandestine (AFVIC) opgericht naar aanleiding van de massale verdrinkingsdood van een groep illegale migranten uit deze stad. De laatste jaren ontpopt de AFVIC zich als verdediger van de rechten van de trans-Saharaanse immigranten en verleent hun onder de afkeurende blik van de Marokkaanse overheid actieve steun.

De onvermijdelijke conclusie is dat deze migratie niet tegen te gaan is. De frappante maar tevens navrante overeenkomst met het drugsvraagstuk dringt zich op. Zolang de vraag naar arbeid blijft bestaan, is het voornaamste effect van repressie een stijgende prijs van «smokkeldiensten» en een navenante profes sionalisering en criminalisering van migratie. Daarom is de «strijd tegen illegale immigratie» – zoals het in beleidskringen genoemd wordt – net als de war on drugs niet alleen per definitie verloren maar vergroot ze paradoxaal genoeg ook de negatieve effecten ervan.

Door met nog meer repressie te reageren, bestendigen beleidsmakers de spiraal van repressie-criminalisering-marginalisering. Dit lijkt niet erg rationeel. Niet alleen smokkelaars maar ook malafide werkgevers hebben daarbij namelijk een belang omdat het illegale migranten nog kwetsbaarder voor uitbuiting maakt.

Dankzij de nieuwe onderklasse van illegalen worden bijvoorbeeld grote delen van de Europese landbouwsector draaiende gehouden, worden er huizen gebouwd en kantoren schoongehouden. Zonder illegale huishoudsters en kindermeisjes zouden veel Spaanse en Italiaanse vrouwen niet kunnen werken.

De standaardanalyse luidt dat de oorzaken van migratie voortvloeien uit de enorme verschillen in welvaart tussen Afrika en Europa. Politici en ontwikkelingsorganisaties presenteren ontwikkeling van herkomstlanden door hulp en/of handel daarom vaak als het effectiefste middel om migratie tegen te houden.

Ondanks de ogenschijnlijke logica is dit een onnauwkeurige analyse. Er is overvloedig bewijs te vinden in de wetenschappelijke migratieliteratuur dat sociale en economische ontwikkeling (in de vorm van betere infra structuur, betere opleiding en stijgende inkomens) aanvankelijk juist gepaard gaat met toenemende aspiraties en mogelijkheden om te migreren. Het is geen toeval dat Afrikaanse immigranten in Marokko vaak hoog opgeleid zijn. Pas op langere termijn, en na decennia van economische groei, zal de emigratie afnemen en immigratie toenemen. In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, is ontwikkelingshulp of handel dus allesbehalve een medicijn tegen migratie.

Bovendien stelt de Europese ontwikkelingshulp in feite weinig voor. De Europese retorica is zelfs ongeloofwaardig gezien het handelsprotectionisme. Niet alleen de 45 miljard euro aan landbouwsubsidies (meer dan veertig procent van het EU-budget) maar ook het regel matig dumpen van overschotten brengt aanzienlijke schade toe aan de Afrikaanse econo mieën. Omdat Marokko zijn goedkope, zon gerijpte tomaten niet onbeperkt naar Europa mag exporteren, komen goedkope «illegalen» deze tomaten dus in Europa plukken.

Wat moet er dan wel gebeuren? Ten eerste wordt het hoog tijd de migratie tot haar juiste proporties terug te brengen. Het apo calyptische beeld dat hordes Afrikanen het Europese continent gaan overspoelen is onjuist. Deze watertaal – met metaforen als «migratie stromen», «vloedgolven» en «indammen» – is ver bezijden de omvang van deze migratie. Het totale aantal illegale migratiepogingen vanuit Marokko naar Europa bedraagt hooguit enkele tienduizenden per jaar. Op een totale EU-populatie van 475 miljoen en een Afrikaanse bevolking van 906 miljoen is het woord «druppels» gepaster dan «massale stromen». De migratie neemt niet eens toe. Het is eerder de samen stelling – minder Noord-Afrikanen, meer sub-Saharaanse migranten – die is veranderd.

Politici bedienen zich veelvuldig van dergelijke beeldspraak omdat ze veronderstellen zo tegemoet te komen aan de angsten onder hun kiezers. Het cruciale probleem is dat ze zelf daarmee elke zinnige discussie over een op feiten gestoeld immigratiebeleid verlammen. Een restrictief beleid mag dan wel tegemoet komen aan publieke angsten voor een «aan zuigende werking» en een «vloedgolf» mi granten, het getuigt van een gebrekkig inzicht in de ontwikkelingsgerelateerde oorzaken van migratie.

Ten tweede zou moeten worden erkend dat er in bepaalde sectoren aan zowel de boven- als de onderkant van de arbeidsmarkt een vraag naar migranten is en zal blijven bestaan. Het huidige beleid ontkent dat en moedigt permanente vestiging paradoxaal genoeg juist aan. Het drukt zo veel migranten in de illegaliteit, waarna zij gedwongen zijn om beneden hun capaciteiten te werken, zoals asielzoekers door ellenlange procedures tot jarenlang stilzitten worden veroordeeld. Dit is schadelijk voor de economie, de sociale cohesie en het welzijn van migranten zelf.

Beter zou het zijn om de moed op te brengen de angst te doorbreken en de grenzen te openen voor vraaggestuurde migratie waarbij bijvoorbeeld wordt geselecteerd op opleiding en, naar gelang de behoefte, gericht tijdelijke arbeidsvergunningen worden verstrekt zonder de ogen ervoor te sluiten dat een substantieel deel van «tijdelijke» migranten permanent zal blijven. De samenleving vaart wel bij zichtbare, werkende en belasting betalende migranten.

De immigratiedrama’s in Marokko hebben aangetoond dat de critici die tien jaar geleden beweerden dat het pleidooi voor «opvang in eigen regio» een alibi zou worden om vluchtelingen aan hun lot over te laten gelijk hebben gekregen. Het steenrijke Europa heeft niet het recht de migratie af te wentelen op buurstaten die niet tot opvang in staat zijn.