Toneel: melodrama van Molière en Tsjechov

De poppenkast die leven heet

‹De mensenhater› van Molière uit 1666 en ‹Een meeuw› van Tsjechov uit 1896 zijn twee melodrama’s over oprechtheid. De regisseurs Dirk Tanghe en Theu Boermans hebben de stukken ingrijpend herlezen.

Mooi om Theu Boermans weer eens toneel te zien spelen. De regisseur in een hoofdrol in zijn eigen voorstelling, Tsjechovs Een meeuw. Met dat stuk is Boermans zijn Grote Loopbaan als regisseur begonnen, in 1988, toen hij met een klas van de toneelschool uit Arnhem een rauw verbouwde versie van Tsjechovs partituur serveerde, Möwe geheten. Dat was ook de start van het gezelschap waarmee hij het Nederlandse toneellandschap stormenderwijs veroverde: De Trust, nu opgegaan in De Theatercompagnie. Vijftien jaar verder speelt Boermans de gearriveerde schrijver Trigorin, die in de sleutelscène van het tweede bedrijf staat tegenover de fladderende bakvis Nina, die een beroemd actrice wil worden en die aan de beroemde schrijver de sleutel tot het beroemd-zijn wil ontfutselen.

De scène is een godswonder van Tsjechov-vernuft: kijk maar, er staat niet wat er staat, zie maar, onder dit gespeelde leven zit een ander leven. Nina wordt hier gespeeld door Halina Reijn, de jonge actrice die van Theu Boermans haar kansen kreeg op grote rollen, eerst Ophelia, daarna Lulu, nu Nina, straks (bij Ivo van Hove) Irina (ook Tsjechov). De scène in het tweede bedrijf is van een betoverende schoonheid. Niet zozeer door Reijn, die hier te temerig is — zij krijgt haar grote «aria» pas twee bedrijven later. Briljant is de scène vooral door Boermans. Bertolt Brecht zei ooit: «De ideale acteur is de regisseur die hardop denkt, die voorstellen doet.» Dat doet Boermans hier. Hij demonstreert hoe een personage hardop denkt, twijfelt over zoiets vluchtigs als succes. Ondertussen worden Nina en Trigorin bij wijze van spreken achter hun eigen rug om verliefd.

Een meeuw is Tsjechovs generatiestuk over kunstenaars en hun poging een oprechte verhouding tot het ware leven aan te gaan. De plot van het stuk is als een formatie trekvogels: je weet nooit precies wie de richting aangeeft. Vier personages zetten de toon. Arkadina is een gearriveerde actrice. Hier gespeeld door Sylvia Poorta (of het ironie is weet ik niet, maar haar cv in het persbericht van De Theatercompagnie telt zes pagina’s). Arkadina denkt dat het leven bestaat uit Grote Rollen, het echte leven is ze een beetje verleerd. Ze leeft samen met Trigorin, een wandelende romanfabriek die de krassende pen steeds in de aanslag heeft. Verder is hij nogal banaal — hij houdt vooral van vissen en gezelschapsspelletjes. Zijn tegenpool is Treplev, die ook wel Kostja wordt genoemd. Als het stuk begint is hij net met schrijven begonnen, hij schreeuwt om «nieuwe vormen» en haat de arrivé Trigorin. Daar krijgt hij extra reden voor als de grote liefde van zijn leven, Nina, een argeloos buurmeisje, steractrice in zijn hulpeloze avant-gardetoneel, precies in de armen van diezelfde Trigorin tuimelt. De anderen in het stuk zijn toeschouwers. Daaronder de sarcastische huisarts van de familie, Dorn — met een patent op een loopbaan als fantasieloze rokkenjager. En de jonge vrouw Macha, die op de beroemde openingsvraag van het stuk («Waarom loopt u altijd in het zwart?») het al even beroemde antwoord geeft: «Ik ben in de rouw om mijn leven. Ik ben ongelukkig.»

Tsjechov verspilt weinig tijd aan het schetsen van de verhoudingen. Het eerste bedrijf is de wereldpremière van een toneeltekst van Treplev (een solo voor zijn lief Nina) in de tuin van het landgoed van Arkadina, die de vertoning met een mengeling van walging, spot en jaloezie gadeslaat. In de twee volgende bedrijven worden Trigorin en Nina verliefd, Arkadi na verzet zich met verve, maar vergeefs, en Treplev doet een zelfmoordpoging, ook vergeefs. Het vierde bedrijf speelt zich twee jaar later af. Trigorin en Arkadina zijn weer bij elkaar, Nina heeft een kind van Trigorin gekregen, maar dat is dood. Nina is wat ze altijd wilde worden: actrice. Maar ze is niet de actrice die ze wilde worden: ze speelt in de provincie voor boeren die in haar kont knijpen. En Treplev is gaan schrijven, hij is zelfs een beetje bekend, maar wat hij schrijft vindt-ie niks. Na nog één hopeloze confrontatie met Nina zorgt hij ervoor dat zijn tweede zelfmoordpoging wél lukt.

Ogenschijnlijk is Een meeuw melodrama (Van Dale: «overdreven aandoenlijk toneelstuk»). Toneelcriticus Gomperts stelde in 1964 (bij een van de eerste geslaagde Nederlandse opvoeringen van Tsjechovs stuk) al vast dat de personages «het conventionele masker van het melodrama dragen en dat masker volgen, maar daaronder gaat een gecompliceerder waarheid schuil, een Tsjechov-achtige waarheid, van mensen die niet goed weten wat ze moeten doen».

Een meeuw begint bij De Theatercompagnie in die staat van verwarring, in de toestand van volledige verzenuwing die in het toneel «première» heet. Tijn Docter (Treplev) loopt, nerveus aan zijn sigaret trekkend, op de wereldpremière van zijn eigen stuk rond als de pas benoemde directeur van een staatscircus die nog niet eens weet hoe een olifant eruitziet. De technici van de troep doen allemaal mee, daartoe driftig aangevoerd door de landgoed beheerster uit het stuk, Polina (een aangenaam nuchtere rol van Annet Malherbe). Treplevs wereldpremière wordt een (vooral) technisch hoogstandje (alles nep, maar wel mooi nep), waarna de technici de op grote, rijdende panelen geschilderde/gefotografeerde landschaps- en interieurafbeeldingen op en af rijden (mooi werk van Tjallien Walma van der Molen). Ik kwam ogen te kort, het is alsof Theu Boermans in zijn regie voortdurend een carrousel van kunstmatigheden de show laat stelen, waarna de acteurs die speeltuin (de kwadratuur van toneel-in-het-toneel) als het ware moeten heroveren met hun toverkracht op de vierkante millimeter. Dat lukt goed. Maar lang niet altijd.

Om te beginnen: een regisseur die een hoofdrol speelt in zijn eigen enscenering, dat is a hell of a job. Boermans lijkt de greep op zijn materiaal te zijn kwijtgeraakt. Na die ene, hierboven beschreven scène wordt zijn Trigorin illustratief, anekdotisch, ontbeert diepgang; Boermans neemt zijn personage lang niet zo serieus als Tsjechov dat doet. Na die weergaloos mooie openingsbedrijven ontglipt ook een aantal andere personages aan een vaste hand van regisseren. Sylvia Poorta blijft als Arkadina steken in vitterige drakerigheid, ze mist zelfspot. Halina Reijn stijgt pas in het slotbedrijf, in de ontluisterende confrontatie met Treplev (een constant op energie spelende Tijn Docter), boven zichzelf uit — en dat is net even te laat. Merkwaardig genoeg leunt deze enscenering van Een meeuw met name in de tweede helft zwaar op de consistent gespeelde bijrollen. De mooi ingehouden huisarts Dorn van Harry van Rijthoven bijvoorbeeld. Of de aan wodka en zelfhaat verslaafde Macha van Carice van Houten, die van deze kleine rol een monument van acteervernuft maakt, vooral in het feilloze schakelen van spot naar verdriet, van uit drankwalmen ontfutselde inzichten naar intens verdrietige destructie.

Een paar jaar geleden liet regisseur Dirk Tanghe me zijn inspiratiebron zien voor De mensenhater van Molière: een paginagrote krantenadvertentie (het aanbevolen product ben ik vergeten) van een mannetje dat een toneeldoek omhoog houdt en wanhopig in de camera blikt. Niemandsland van de toneel speler: het voortoneel. Daarachter is zíjn wereld (het toneel), daarvoor de massa die hem wil verslinden (het publiek). Het leven als poppenkast: pas op, áchter je — kijk uit, vóór je! Nu, twee jaar verder, heb ik Tanghes versie van Molières De mensenhater gezien. En de wanhopige blik van dat mannetje terugherkend.

Molières mensenhater heet Alceste en hij leeft in een metropool die tot een grachtengordeldorp is teruggebracht: Barend en Van Dorp met poederpruik en kuitenflikker. Iedereen kletst over iedereen, de bijzaken zijn tot existentiële levensvragen verheven, Alcestes vriendin Célimène is de grootste roddeltante van allemaal, vriend Philinte houdt zijn slijmerigheid voor pragmatisme. Alceste is vastbesloten simultaan te schaken tegen de complete rest van deze hypocriete wereld, ook al zullen volstrekt isolement en totale eenzaamheid de prijs zijn die hij daarvoor moet betalen. Daar over ongeveer gaat Molières stuk, geschreven zeven jaar voor zijn vroege dood, op een moment van heftige persoonlijke crisis, zeer vergelijkbaar met die van Alceste. En met die van Dirk Tanghe natuurlijk, de «belletjestrekker» van het grote-mensen-toneel.

Ergens in de openingsscène van Tanghes Mensenhater playbackt een Jan Klaassen-poppenkastpop uit een gleuf in het imposante voorgordijn Jacques Brels Ne me quitte pas. Hóe dat gebeurt zal ik niet verklappen, maar ik deed het bijna in mijn broek van het lachen. Het bleek een opmaat voor een briljante realisering van Tanghes «concept». Het imposante voordoek blijft nagenoeg de hele voorstelling dicht. De spelers krijgen een voortoneel van twee meter diepte en tien meter lengte als gevangenis. En een tape met voorgeprogrammeerd applaus en gelach als straf. Daar moeten ze het mee doen. De dames verschijnen in kosmopolitische hoepelrokken, met daaronder nauwelijks verborgen beaderde benen in Zeeman-ondergoed. Hun gestiek bóven de hoepelarchitectuur doet nog het meest denken aan een kruising tussen een mislukte uitvoering van Het Zwanenmeer en de mechanische wuifbeweging van Máxima.

De heren, die regelmatig ónder de gebeeldhouwde hoepels duiken — ze hebben daar niets te zoeken, en wat ze er wél te zoeken hebben, dat wil je als toeschouwer niet weten — zijn gehuld in veel te nauwe, onappetijtelijke pakjes. Iedereen — met uitzondering van Alceste — spreekt de (door Laurens Spoor briljant vertaalde) berijmde Molière-regels alsof heel Nederland één groot, gekwadrateerd Amstelveen is geworden (waar ik de voorstelling trouwens ook zag). Behalve kouwe kak krijgen de teksten door middel van een uiterst ingenieuze geluidsversterking een tot op de grens van het ridicule opgetrokken galm mee, waardoor ze letterlijk hol worden: Molière als anti-opera, holle vaten klinken het hardst.

Het is allemaal briljant uitgevoerd, met Thomas de Bres als brullend boos jongetje in het centrum, prachtig consequent geacteerd, de misantroop die liever staand ten onder gaat dan op zijn knieën te leven — een wedstrijd die hij wel moét verliezen. Wat hem in de tranentrekkende slotscène dan ook overkomt: begeleid door een jankliedje uit het repertoire van Nederpop, het langzaam zakkende voordoek, daarachter wéér een voordoek. Alceste eindigt naakt in boeddhahouding. Tranen in de ogen. Zijn marteling is niet voorbij.

Op de première duurde de voorstelling vier uur. De acteurs hebben hem zelf in de maand erna teruggebracht tot tweeëneenhalf uur. Dat moet een hele klus zijn geweest. En dat kan ook nooit helemaal lukken. Bij sommigen, zoals Maike Meijer (Célimène), of de twee markiesjes (Jeroen van Venrooy en Robin van der Velden) zie je dat: ze houden af en toe geen maat en schieten fataal uit de bocht. De uitvoering van het concept verwordt van kunst tot een doorzichtig en behoorlijk flauw kunstje. Anderen, zoals Stijn Westenend (als Alcestes vriend Philinte) lukt die maatvoering veel beter.

Over het geheel mist De mensenhater de vaste hand van een dirigent-regisseur die in de slotfase accenten plaatst. Misschien moet de Paardenkathedraal het publiek in de toekomst eerlijker informeren over de gevolgde werkwijze. Concept: Dirk Tanghe. Regie: de acteurs. Of misschien moet Dirk Tanghe eens echt gaan regisseren en zich niet ontpoppen als de Hitchcock van het Nederlandse toneel: de master of suspense vond de fase achter de tekentafel ook oneindig veel interessanter dan het filmen zelf.

En uiteindelijk moet ik me natuurlijk nergens mee bemoeien. Het eindresultaat, martelend tot stand gekomen of niet, staat als een huis. De mensenhater is een hommage aan Molière, waar de Franse maestro vanuit de toneelhemel schaterend en jankend naar zal hebben gekeken. Toptoneel!

Een meeuw speelt tot 11 mei in het Compagnie theater aan de Amsterdamse Kloveniersburgwal. Reserveren: 020-5205320.

Tournee volgend seizoen.

De mensenhater speelt tot en met 12 juni overal in Nederland en Vlaanderen. Inlichtingen:

www.paardenkathedraal.nl of 030-2711414