De poppetjes in de politiek en de media

‘Een klotebaan’, zei ex-staatssecretaris van asielzaken Kosto na afloop van zijn ambtsperiode. Hij kreeg er warempel, op de valreep, iets menselijks door.

Vorige week zei de huidige staatssecretaris, Elisabeth Schmitz, hetzelfde in iets voorzichtiger bewoordingen. Maar zij zegt het tijdens haar ambtsperiode, en dat mag niet, vonden D66 en CDA. Letterlijk zei Schmitz in het weekblad Vrij Nederland dat ze ‘opziet’ tegen de komende twee jaar.
Tamelijk menselijk. Zouden genoemde partijen werkelijk vinden dat een staatssecretaris zoiets niet hoort te zeggen? Of is het slechts de bekende Haagse Pavlov-reactie: als we een bewindspersoon van een andere partij kunnen pakken, dan doen we dat. Een houding die de partijpolitiek natuurlijk nooit vreemd is geweest, maar die de laatste tijd potsierlijke vormen aanneemt.
Zo was de belangrijkste vraag bij de IRT-enquete voor veel politici niet hoe politie en justitie weer op rechtstatelijke poten te krijgen, maar of Sorgdrager het zou overleven. En dat Tommel en Duijvestein radicaal van mening verschillen over het volkshuisvestingsbeleid is niet interessant, interessant is slechts het feit dat ze ruzie hebben en de vraag of de PvdA-fractie het vertrouwen opzegt in Tommel. En als de PvdA-fractie vertrouwen houdt in Tommel, heeft ze dan eigenlijk nog wel vertrouwen in Duijvestein? Enzovoorts, enzoverder.
Dat veel Haagse politici zichzelf blindstaren op dat wat in de volksmond 'de poppetjes’ heet, is jammer en verwerpelijk, maar het kan misschien niet anders. Erger is dat de Haagse journalistiek er in meegaat.
Politiek, zo wordt ons dagelijks via Den Haag Vandaag verteld, gaat niet over het oplossen van problemen, nee, het gaat slechts over mensen die elkaar vliegen proberen af te vangen, en over de vraag of bewindslieden zich al dan niet staande weten te houden.
De Amerikaanse journalist James Fallows schreef onlangs een boek - Breaking the News: How the Media Undermine American Democracy - waarin hij de media ervan beschuldigt burgers cynisch en wantrouwig te maken tegenover de politiek. Een moedig boek, want een journalist die erop wijst dat de boodschapper het wel degelijk gedaan kan hebben, maakt zich niet erg populair bij collega’s. Volgens Follows keert het Amerikaanse publiek zich van de media en van de politiek af, mede als gevolg van de wijze van berichten. Media stellen de politiek voor als wedstrijd tussen sluwe lieden; over datgene wat voor mensen belangrijk is - gezondheid, onderwijs, criminaliteit, milieu - gaat het in ieder geval niet.
Gezien de vele onderzoeken die de afgelopen jaren aantonen dat de politieke interesse van Nederlanders onverminderd groot is, of zelfs toeneemt, en gezien het nog immer stijgende aantal abonnees van serieuze dagbladen is van een zich afwenden in Nederland nog geen sprake. Maar genoemde onderzoeken maken niet voor niets een onderscheid tussen algemene politieke interesse en partijpolitieke ('Haags-politieke’) interesse. En die laatste neemt zienderogen af, terwijl de kritiek en het wantrouwen jegens politici toenemen.
Dat heeft de politiek natuurlijk in eerste instantie aan zichzelf te danken, maar de Haagse journalistiek wekt op zijn zachtst gezegd ook niet de indruk dat er in Den Haag serieus gezocht wordt naar oplossingen voor serieuze problemen. Problemen die misschien wel onoplosbaar zijn - en dat is ook al zo'n impopulaire invalshoek. Terwijl we vol afschuw het Amerikaanse verkiezingscircus gadeslaan, is zeker rond verkiezingen de 'poppetjesberichtgeving’ ook in Nederland allesoverheersend.
Het intrigerende is dat media juist zeggen de politiek te 'personaliseren’ omdat het publiek het anders niet interessant zou vinden. Maar oog hebben voor de menselijke drijfveren van politici is iets fundamenteel anders dan het afschilderen van de politiek als bokswedstrijd. En zoals Fallows zegt: misschien win je daar even publiek mee, maar als het publiek werkelijk slechts geinteresseerd is in amusement, kiest ze toch voor het echte amusement.
Maar kom niet aan de journalistiek. Er was eens een discussie in het Amsterdamse politiek-culturele centrum de Balie over de vraag of er in Nederland sprake is van journalistieke zelfcensuur, of, nog voorzichtiger gezegd, modes onder journalisten. Zelden zo'n angstige en zelfingenomen discussie meegemaakt. De Golfoorlog was net voorbij, maar zelfcensuur? Natuurlijk niet! Zoals het natuurlijk ook niets met mode te maken heeft dat de laatste tijd een artikel of reportage pas compleet is als er een sneer in staat tegen 'politieke correctheid’ of tegen het gedachtengoed van de jaren zestig en zeventig.
Thijs Woltgens, toen net burgemeester van Kerkrade geworden, riep eens een zaaltje met journalisten en hoofdredacteuren op de hoeveelheid journalisten in Den Haag te halveren, ten gunste van berichtgeving over thema’s die er toe doen. Omdat ook de Haagse politiek ten slotte hoort te gaan over die thema’s. Het zaaltje was te klein.
Wat heeft dit alles nog te maken met de uitspraken van Schmitz? De staatssecretaris heeft de laatste tijd behartenswaardige en minder behartenswaardige dingen gezegd, van het mogelijk maken van homohuwelijken tot het versoepelen van de koppelingswet. Dat zou, zowel van haar collegae politici als van de verslaggeverij, meer aandacht verdienen dan het vele malen herkauwen van de uitspraak dat ze het na deze regeerperiode wel voor gezien houdt op justitie.