De postbode van nuredal de terugkeer van mussolini

Vertaling: Marjolein Bemelmans. Dit verhaal is geschreven in het kader van het project Scheherazade 2001, een initiatief van Haris Pasovic, directeur van het Film- en Theaterfestival te Sarajevo. Vanaf 1 april lezen iedere vrijdagavond acteurs in tientallen theaters in Nederland en Europa twee verhalen voor: een persoonlijk verhaal uit Sarajevo, en een literair verhaal van een auteur elders uit Europa. In Bosnie doen vijf theaters mee.
Lang kon de postbode alleen maar zuchten over wat in naam van Mussolini werd aangericht. Toen begon hij de wind te schilderen. Een verhaal tegen het oorlogsgeweld.

OOIT MOEST JE in het Nuredal, dat tamelijk ruig en uitgesleten is en van Piacenza naar de Apennijnen loopt, een soort geit zijn om overal op en langs te kunnen klauteren, zo steil waren de smalle paadjes, die nauwelijks verhard waren. Soms waren ze nog glibberig ook door de regen of bedekt met sneeuw. Het is dus niet zo vreemd dat een postbode die daar werkte (een vriend van mij kende hem), dacht dat hij de ziel van een geit in zich droeg, die hem weliswaar hielp om op en neer te klauteren, maar hem ook niet zo slim maakte. Maar, zei hij, hij wist toen nog niet hoe de mens in elkaar stak: dat de een de ziel van een wolf herbergt, een ander die van een jakhals, sommigen zelfs die van een boom of een plant. Zijn moeder bijvoorbeeld had, tot op hoge leeftijd, altijd de ziel van een waterplant gehad, zoals de planten uit de moerassige streek waar ze als meisje had gewoond.
In november van het jaar 1935 was de postbode uit het Nuredal soldaat geweest in Ethiopie, ingelijfd bij het tweede korps van het Italiaanse leger, onder commando van generaal Badoglio. Die was er door Mussolini op uitgestuurd om in Ethiopie meer Lebensraum, zoals dat toen heette, voor de Italianen te creeren. Dus om het overwonnen gebied te verdelen onder de vele Italianen die er alles voor over hadden om rijk te worden. Zo schudde de overwinning een ziel van wolven en jakhalzen wakker die Italianen vaak in zich dragen. De postbode uit het Nuredal was verbijsterd dat geen enkele soldaat of officier er moeite mee had dat ze gewoon een vreemd land binnendrongen om het te onderwerpen. Sterker nog, de soldaten hadden het alleen maar over de mooie Abessijnse meisjes met wie ze zich zouden vermaken zodra de overwinning een feit was en niemand besefte dat ze in het huis van een ander aan het stelen waren.
Na weken van straffe training viel generaal Badoglio op 20 januari 1936 de vijand bij Tembien aan, in een bergachtige regio in Noord-Ethiopie. Gewapend met kanonnen en mitrailleurs bonden ze de strijd aan met de Abessijnen, die meestal alleen een schild en een lans droegen. Na vier dagen joegen ze het leger onder aanvoering van ras Cassa op de vlucht. Op 29 februari en 3 maart rukten het tweede en derde korps van het Italiaanse leger vanuit het oosten en het noorden op. Met mitrailleurs, kanonnen en tanks veegden ze het leger van ras Immiru van de kaart, twintigduizend man sterk. Op 21 maart en 4 april braken de Italianen het laatste restje verzet van de Abessijnse leiders in een gigantische slachtpartij nabij het Ascianghimeer.
IN DIE PERIODE van de ene overwinning op de andere, die op 2 mei 1936 resulteerde in de zegerijke intocht van het Italiaanse leger in Addis Abeba, deed de postbode uit het Nuredal niets anders dan diepe zuchten slaken in de ziekenboeg, waar hij te werk was gesteld. De hele dag zuchtte hij, of hij nou zieken verzorgde, verbanden verving, medicijnen uitdeelde, of gewonden waste onder het toeziend oog van de indrukwekkend grote en dappere kolonel-arts: hij zuchtte, soms zelfs zonder het in de gaten te hebben. Hij vond het een ongelooflijke schande dat het Italiaanse leger zomaar ergens binnendrong en mensen begon neer te maaien en af te maken. Maar dat kon hij tegen niemand zeggen, en dus deed hij niets anders dan zuchten. Soms vroeg hij God om de Abessijnen bij te staan en ook kwam het wel eens voor dat hij ’s nachts lag te huilen op zijn brits.
Als zijn kameraden hem hoorden, dachten ze dat hij heimwee had en ze probeerden hem te troosten en zeiden: ‘Kom op joh, straks is er voor jou ook vast een mooie Abessijnse en je zult zien: dan is het meteen over.’ Daar moest hij dan nog meer van zuchten en hij begreep dat hij maar beter zijn mond kon houden, dat niemand moeite had met wat zich afspeelde, dat niemand van zijn kameraden zich schaamde voor de slachtpartijen en bloedbaden. Als hij zijn mond zou opendoen, zouden ze alleen maar denken dat hij helemaal mesjogge was geworden.
Op een ochtend toen hij de tent uitkwam, liep hij de strenge en dappere kolonel-arts tegen het lijf. De Barberis heette hij. Deze zei geergerd tegen hem: 'Waarom loop jij er toch altijd bij met een gezicht of je net van een begrafenis komt? In mijn veldhospitaal wil ik blije gezichten zien, begrepen? Ik wil geen mensen om me heen die me een depressie bezorgen. Als je je niet snel anders gaat gedragen, laat ik je straffen.’
Dit, beste mensen, is een situatie die nogal eens voorkomt als je onder Italianen verkeert: je mond moeten houden omdat je bedenkingen een belediging zouden lijken voor de jakhalzen en wolven die anderen in zich dragen. En als ze het ook nog hebben over het vaderland en het redden van Italie is het helemaal uitkijken geblazen, want dan zijn de roofvogels al aan hun vuile zaakjes begonnen en willen ze dat iedereen er blij bij blijft kijken.
Zo dacht onze postbode erover, die, ook na de algehele euforie bij de intocht in Addis Abeba, er maar niet in slaagde een vrolijk gezicht te zetten. En ’s avonds ging hij er niet samen met zijn kameraden op uit, achter de Abessijnse meisjes aan, maar knielde hij voor zijn brits en bad God voor het heil van de heerser van Ethiopie. Het moest er dus wel mee eindigen dat op een ochtend kolonel De Barberis er echt niet meer tegen kon om hem de hele tijd in de ziekenboeg te hebben met die holle blik in zijn ogen en hem met veel geschreeuw een fikse uitbrander gaf. Hij dreigde hem zelfs in de gevangenis te laten gooien wegens weigering van een dienstbevel. Maar opeens kreeg hij een beter idee. Hij tekende een bijzonder verlof wegens overspannenheid en zond hem terug naar Italie. Zo was hij van hem verlost.
DIT GEBEURDE OP 12 MEI 1936, drie dagen dus nadat Ethiopie zomaar bij Italie was ingelijfd en de koning van Italie de titel van heerser van Ethiopie had aangenomen. Deze boevenstreek werd door de meeste Italianen van harte toegejuicht. Terwijl de echte heerser van Ethiopie naar het Franse Somalie vluchtte, begon onze postbode aan de lange reis terug naar huis met bijzonder verlof, na alle schaamte die hij in Afrika had moeten doorstaan.
Volgens zijn eigen zeggen begreep hij helemaal niets van wat er was gebeurd, maar dat kwam door die geiteziel die hij in zich droeg en dus kon hij alleen maar zuchten. Soms barstte hij in tranen uit. Toen hij thuiskwam ging hij het meisje opzoeken met wie hij, voor hij naar Afrika vertrok, was verloofd. Maar zij bleek inmiddels met een ander getrouwd. Dit greep hem zo vreselijk aan, zei hij, dat hij een galaanval kreeg en zijn geiteziel aan het wankelen werd gebracht. Want geiten zijn van nature vredelievend, maar hij voelde zo'n enorme woede in zich opkomen dat hij er maagpijn van kreeg. En dat is ook nooit meer goed gekomen.
Hij verlangde toen alleen nog maar naar lucht en wind die alle gedachten uit zijn hoofd zou blazen en hij had de ziel van de wind wel in zich willen huisvesten, zodat hij eindelijk rust zou vinden en alles langs hem heen zou glijden, zonder verdriet en pijn. Het was toen dat hij begon met het maken van schilderijen die de wind in het hooggelegen Nuredal moesten voorstellen. De wind zoals hij op bepaalde dagen uit de richting van Ferriere kwam en naar de Mercatellopas woei, zo legde hij iedereen uit.
Na de teleurstelling in de liefde dacht hij dat er niets mooiers ter wereld was dan die wind. Maar dat kon hij de anderen niet duidelijk maken, die hadden een andere ziel. Net als hij in Afrika zijn kameraden niet duidelijk had kunnen maken waarom hij zo ongelukkig was. En zo, zei hij, ga je door het leven zonder dat je jezelf duidelijk kunt maken, want alles hangt af van welke ziel je in je draagt. Maar zelfs dat kon hij de anderen niet duidelijk maken.
Op een zondag in 1940, vlak nadat Mussolini had verklaard samen met de dictator Hitler de oorlog in te willen gaan, hield de postbode een tentoonstelling van zijn werk op het mooie dorpspleintje van Bettola, dat aan het begin van het Nuredal lag. Hij had toestemming gekregen om zijn schilderijen op te hangen aan de rij bomen die een kant van het plein afsloten. En zo was het hele dorp die zondagochtend uitgelopen om die vreemde schilderijen te bekijken, waarop je alleen maar een wervelwind aan kleuren zag. Bijna meteen verscheen er een busje bij het plein, met fascisten in hun zwarte uniform. Ze gingen de dorpen af om jongeren te recruteren als vrijwilliger voor het nationale leger. Zodra de fascisten de schilderijen die aan de bomen hingen in het oog kregen, sprongen ze uit hun busje en zeiden iets dat ze misschien op het filmjournaal hadden opgevangen: 'Dit is ontaarde kunst.’
Onze postbode begreep niets van wat ze zeiden, maar antwoordde: 'Nee, nee, dit is de wind in het hooggelegen Nuredal.’ Maar de in het zwart geklede jongeren moeten gedacht hebben dat hij de draak met hen wilde steken. Ze sloegen hem zonder veel omhaal in elkaar en verscheurden en vertrapten zijn schilderijen. Toen stapten ze weer tevreden in hun busje en zongen welgemoed een oorlogslied uit Ethiopie.
TOT DAN TOE, zei de postbode, had de geiteziel hem niet verlaten, ondanks de teleurstellingen in de liefde en zijn maagpijnen, en dus begreep hij er nog steeds niets van toen die fascisten al zijn schilderijen vernielden. Ze hadden hem doen zuchten en huilen, maar met zijn weinig slimme geiteziel zei hij tegen zichzelf dat het wel over zou gaan.
Nu is de oorlog voorbij en schrijven we het jaar 1948, om precies te zijn begin april, een paar weken voor de nationale verkiezingen die een overwinning zouden moeten betekenen voor een massa mensen met zielen van roofvogels en giftige slangen, die zich christendemocraten noemen. Het plein van Bettola hing vol politieke pamfletten en onze postbode uit het Nuredal hield opnieuw een tentoonstelling van zijn schilderijen, dit keer aan het eind van het plein, achter het standbeeld van Christoffel Columbus.
Achter dat monument legde hij de inwoners van Bettola uit wat er op zijn schilderijen te zien was - nog steeds de wind in het hooggelegen Nuredal. Je kon hem zien in groene wervelingen op het doek zoals het zomergroen van de hooggelegen weiden bij de Mercatellopas, of in felle gelen zoals de eikebomen in de winter op de oevers van de Nure. Terwijl hij zo zijn praatje aan het houden was, kwamen er wat jongeren dichterbij. Ze hadden rode zakdoeken om hun hals geknoopt, de halsdoeken dus die ze als partizanen in de oorlog hadden gedragen, en ze begonnen meteen sarcastisch commentaar te leveren. 'Zeg eens, schilder, die schilderijen van jou zijn niet te begrijpen. Kun je niet gewoon schilderen wat je om je heen ziet?’
De postbode antwoordde dat de wind in het hooggelegen Nuredal toch geen uitvinding van hem zelf was. Toen zeiden de jonge communisten dat hij het leven en de leefomstandigheden van de arbeiders moest schilderen in plaats van dat Nuredal van hem, waar alleen maar een beetje wind te zien was. De postbode legde hun uit dat in het Nuredal alleen maar wind te zien was en geen arbeiders. Van het een kwam het ander en op een gegeven moment ontsnapte de postbode een opmerking die hij maar beter achterwege had kunnen laten: 'Maar jullie zijn net als die fascisten toen, die al mijn schilderijen hebben vernield!’
Had hij dat maar nooit gezegd! De communistische partizanen begonnen toen inderdaad zijn schilderijen op de grond te gooien en ze te vertrappen, net als die anderen. En een van hen greep hem zelfs bij de keel en beloofde hem te komen opzoeken met een geweer, na de verkiezingen. Want ze geloofden toen nog dat ze de verkiezingen zouden winnen en een communistisch regime zouden installeren zonder die christendemocraten met hun roofvogelzielen.
VELE JAREN LATER vertelde de postbode aan die vriend van mij dat hij toen pas, toen die jonge communisten zijn schilderijen hadden vernield zoals de fascisten daarvoor, dat hij toen pas had begrepen dat hij een geiteziel in zich droeg die hem niet zo slim maakte. Waar het om ging was dat het overgrote deel van de mensen, en dat gold ook voor de vrouwen, de ziel van een roofdier of een wild beest in zich droeg, en daar viel niets aan te doen. Het was dus zinloos om iets beters te verwachten en nog zinlozer om er maagpijn van te krijgen zoals hij had gedaan. Hij had daarna trouwens met pensioen moeten gaan en het Nuredal zelfs moeten verlaten.
Op een dag had hij een besluit genomen. 'Basta’, zei hij, 'ik houd op me uit te sloven om door de mensen begrepen te worden. Het zal mijn lot wel zijn dat het zo gaat en ik mijn leven lang onbegrepen zal blijven. Van nu af aan schilder ik niets meer voor de mensen, van nu af aan schilder ik alleen nog maar wind en lucht, en alleen nog voor katten.’
Zo werd hij schilder voor katten, beesten die hij altijd had bewonderd omdat ze delicaat waren en zeker niet minder intelligent dan mensen.
In een dorpje op het platteland van Piacenza ligt een vervallen en verlaten kerk, met weinig bewoonde huizen er omheen. Wel lopen er enorm veel katten rond. Iedere zondagmorgen ging de ex-postbode erheen en begon op het bordes van de kerk met gekleurd krijt een heleboel cirkels te trekken waarbinnen hij dan een wervelwind aan kleuren tekende, zoals eens in zijn schilderijen. Daarna zocht elke kat een cirkel voor zichzelf uit en ging daar lekker in liggen. De katten kozen zonder een moment te aarzelen. Ze kozen blijkbaar voor de kleur die ze het mooist vonden en het was een schitterend en toch sereen spektakel dat zich elke zondag herhaalde. Mijn vriend heeft het met zijn eigen ogen gezien.
Maar ook dit wonder kon de maagpijn van onze schilder niet oplossen. Hij bleef zich veroordeeld voelen tot eenzaamheid onder de mensen. Het enige dat hem kon genezen, was de liefde die hem op een dag werd ingeblazen en die hem deed inzien dat niets op de wereld belangrijker was, zelfs niet de wind uit het hooggelegen Nuredal. Maar dat is een ander verhaal en dat vertel ik u een andere keer.