De potvis

DECEMBER 1997. De bevolking van Ameland staat verzameld op het strand. Geplaagd door een afschuwelijke stank en opgeschrikt door luide knallen is een snijploeg aan het werk. Mannen van stavast hakken en klieven er op los. Tientallen tonnen vlees snijden ze weg.

Onderwijl slingeren gasontploffingen stukken maagvlies en darmkanaal in het rond. Een troepje jongeren wordt door het klieversvolk hoonlachend weggestuurd. Het zijn leerlingen van de slagersvakschool, die tegen zulk doorbloed geweld niet bestand zijn. Voor de volgende dag worden in allerijl nieuwe flensmessen gemaakt.
De snijploegen werken keihard door. Vijftien, zestien uur op een dag houwen zij in de vleesbrij. Holland weet niet hoe snel het de potvissen moet wegwerken. Van het strand, uit het zicht. Want een potvis aan de wal, brengt ‘dra gedonder in ’t heelal’.
België, Holland, Duitsland en Denemarken. Al eeuwenlang overspoelen dolende potvissen de Noordzeekust. De Noordzee is hun moordzee: een dodelijke potvissenfuik met het Kanaal als wurgende punt. Aan het begin van de winter keren uitgezworven jonge mannetjes terug naar de warme wateren rond de Azoren, waar zij in het voorjaar de vrouwtjes hadden achtergelaten. Verkeerd afslaan boven de Shetland-eilanden betekent een wisse dood in de fuik. De Noordzee is soms maar veertig meter diep en dat is voor de potvis, die twintig meter lang kan worden en kan duiken naar zo'n drieduizend meter diepte, vergelijkbaar met een pierebadje.
Met op zijn kop een tank vol spermaceti is de potvis uitgerust voor een verblijf in onpeilbare oceanen. De spermaceti is een witte gelei-achtige vloeistof die een andere functie heeft dan naam, kleur en viscositeit doen vermoeden. Het spermaceti-orgaan stelt de potvis in staat zeer diep te duiken, opdat hij zijn favoriete voedsel te pakken kan krijgen: de pijlinktvis. In de ondiepe Noordzee met zijn verraderlijk glooiende kusten en zandbanken raakt de potvis, verstoken van ook maar enigszins op pijlinktvis gelijkend voedsel, in grote verwarring. Met de dood als gevolg.
SCHEVENINGEN, november 1577. Adriaan Coenen ziet aan de hemel een 'ijselijke komeete oft staartstarre’. Een hels voorteken. Twee weken later spoelen ook nog eens twee potvissen aan te Scheveningen. Beide gebeurtenissen worden gezien als de aankondiging van grote rampspoed. Ze volgen op een reeks onheilstijdingen in de voorgaande jaren. In Den Haag vertoonden zich eskimo’s. Bij Gibraltar kwam een tonijn boven water met de afbeeldingen van schepen op het lijf. Voor de kust van Brazilië dook een zeemonster op. Het lot van de aarde lijkt bezegeld. Rampspoed zal volgen tot in het kwadraat.
De stranding van de potvissen werpt licht op de ellende die de Nederlanden te wachten staat. In 1577 legt een anonieme tekenaar een van de op Scheveningen vastgelopen beesten vast in een gravure. Ook de laatste woorden van de potvis tekent hij op. Het zieltogende monster bekent in een volksgedichtje dat hij door de Spanjaarden is gestuurd om de Nederlanden schade te berokkenen. Onderweg raakte hij vertwijfeld en verward en liep hij op het strand.
En warempel, in 1577 laait de Tachtigjarige Oorlog, die de voorgaande jaren wat was geluwd, weer op. De Spaanse landvoogd Don Juan, naar ieders oordeel aangesteld om de opstandige Lage Landen tot rede te brengen, probeert de Staten-Generaal uit te schakelen middels een coup. Opnieuw trachten geuzenvendels de machtige heirscharen van Filips II te trotseren. Maar de strijd verloopt allerminst voorspoedig. Onder de hertog van Parma boeken de Spanjaarden zege na zege. Tot overmaat van ramp wordt de vader des vaderlands in 1584 vermoord, waarna de religieuze tegenstellingen in de Nederlanden zich verscherpen.
Maar de grootste rampspoed dreigt in 1588. In dat jaar kiest Filips armada invincibile, bestaande uit 150 'zeekastelen’, het ruime sop om de Nederlanden eens flink mores te leren. De dreiging wordt weliswaar afgewend, maar het scheelde een haartje of het was gedaan met de Nederlandse opstandelingen. Eén komeet en twee dooie potvissen werden de kersverse Republiek haast noodlottig.
WANNEER IN 1598 wederom een potvis aanspoelt, volgt opnieuw een reeks nederlagen tegen de Spanjaarden. En in december 1601 voorspelt een nieuwe rottende potvis op het strand van Beverwijk nog veel meer ellende. De komst van dit 'bedietzel van genaakende ontsteltenissen’, aldus P.C. Hooft, houdt de Lage Landen in een wurgende angstgreep. Amsterdam wordt getroffen door een pestepidemie. De strategisch belangrijke haven van Oostende wankelt onder Spaans beleg. De gevreesde veldheer Spinola trekt met verse troepen op naar de Zuidelijke Nederlanden. Tijdens Kerstmis raakt de zon verduisterd, en op 2 januari beeft voor het eerst sinds mensenheugenis de Hollandse aarde. Om de rampspoed compleet te maken bereiken de getergde bevolking van de Republiek de eerste geruchten over een tweede Spaanse armada, bestaande uit tachtig zware oorlogsbodems, die op het punt staat uit te zeilen.
EEN BEETJE STRATEGISCH denkende zeventiende-eeuwer kan het niet ontgaan dat de stranding van een potvis ongekende politieke mogelijkheden biedt. Maurits, een van de meest slagvaardige stadhouders aller Oranjetelgen, grijpt zijn kans wanneer in 1617 wederom een 'monstervis’ zich op de Hollandse kust vertoont. Reeds enige tijd ergerde hem het Twaalfjarig Bestand. De wapenstilstand was tot stand gekomen op instigatie van de Hollandse raadspensionaris Johan van Oldenbarnevelt, met wie Maurits in een onverkwikkelijk religieus conflict verzeild was geraakt. Dan biedt de tweeënvijftig voet metende, stuiptrekkende potvis Maurits dé kans om van die onzalige scherpslijper af te komen, zodat hij weer ongestoord de strijd tegen de Spanjaarden kon hervatten. De potvis werd ingelijfd bij Maurits’ factie. De stranding wordt op sublieme wijze politiek, moreel en religieus uitgebuit. Volgens de aanhangers van de stadhouder moet de potvis worden beschouwd als een boodschapper van God, gestuurd om te waarschuwen tegen een zondig verbond met de Antichrist en een onverantwoorde wapenstilstand.
Bij ontstentenis van een eigen godsteken, is er voor Van Oldenbarnevelt en de zijnen geen houden meer aan. In 1619 laat Maurits de raadspensionaris arresteren en terechtstellen. Vier jaar later trekt Maurits weer ten strijde tegen de Spaanse vijand.
Hoeveel angst een stervende reuzenvis op Hollands kusten menigeen ook inboezemde, de vaderlandse koopmansgeest stond niet toe dat het beest zinloos wegrotte. Een potvis kon te gelde worden gemaakt. In 1598 werd een fraai exemplaar verkocht op een openbare veiling. Het karkas bracht 136 gulden op. Een koopje. Met de traan die uit het beest kon worden gekookt (zeer gewild bij zeepmakerijen) en de kostbare, want zeldzame tanden en botten, kon een klein fortuin worden vergaard.
Na 1600 neemt het aantal meldingen van gestrande potvissen af. Tezelfdertijd breidt de Nederlandse walvisvaart zich razendsnel uit. Wanneer die in de jaren zestig van de twintigste eeuw door een verbod aan banden wordt gelegd, neemt de potvispopulatie weer sterk toe.
ZO STERK dat in 1997 de vissen weer aan wal spoelen. Net als de zestiende en zeventiende-eeuwer reageert de moderne mens bijzonder irrationeel op de potvisstrandingen. Alleen het motief is anders. Ditmaal stuwt niet de angst de gekte, maar geeft het medelijden met de vis mensen de vreemdste ideeën in. Lenie ’t Hart van de zeehondencrèche pleitte bijvoorbeeld voor opblaasbare matrassen op het strand, zodat de nog levende - maar bij voorbaat in de Noordzee kansloze - potvissen weer terug in hun doodsbed kunnen worden gesleept. Door anderen overtuigd van de redeloosheid van haar voorstel zet zij zich nu in voor een door dierenartsen bemand afweergeschut langs de kustlijn, met als doel de lijdensweg der potvissen te beëindigen.
Zelfs de tegenwoordige snijploegen bleken bij de recente strandingen niet meer bestand tegen hun bloedige werk. Enkele vrijwillige hakkers hebben inmiddels professionele hulp gezocht vanwege 'verwerkingsproblemen’. Hoe graag we ook de ogen zouden sluiten voor de onheilstijding, we komen er niet onderuit. Dit kan geen toeval zijn. Eerst een komeet en nu liggen de stranden vol potvissen. Een nieuw millennium vol huiveringwekkende rampspoed is nakende. Er is maar één oplossing: bouw nog dit jaar de wegroestende haringkotters om tot moderne walvisvaarders en vet de harpoenen maar weer in.