Zaalopname Stedelijk Base 2, kunst vanaf 1980, wisseling september 2020 © Gert Jan van Rooij / Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, c/o Pictoright Amsterdam

‘Het uiterlijk van het gebouw heb ik geheel ondergeschikt gehouden aan de inwendige bestemming. Overal heeft de architectuur zich moeten voegen naar de eischen, die door eene goede expositie der kunstwerken gesteld worden. Ook de voor een gebouw als dit zeer beperkte toegestane som moest ik natuurlijk in het oog houden.’

Hij klonk als een brave borst, gemeentearchitect Adriaan Willem Weissman, met zijn ontwerp van het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1895 stond hij dan ook aan het begin van een bloeiende tak binnen de architectuur: het ontwerpen van musea voor moderne kunst.

Weissman ontwierp het Stedelijk naar een optimale lichtinval voor de kunst. Daarnaast was hij overtuigd van de kracht van een sober interieur en huiverig voor de ‘versieringslust van de bouwmeesters’ waar kunstwerken het altijd tegen moesten afleggen. Het kunstwerk stond voorop, maar een overtuiging van het intrinsieke belang van het publieke museum ontbrak. In 1906 schreef hij in De Opmerker: ‘Een museum is uit den aard der zaak een pakhuis. Deze overweging heeft er wel eens aanleiding toe gegeven, dat tegen het bouwen van musea werd opgekomen. Maar tot dusverre is er nog geen betere wijze van bewaren der kunstschatten gevonden.’

Het museum is here to stay, kunnen we inmiddels stellen, maar met de functie van pakhuis worstelt het als nooit tevoren. In de twintigste eeuw verschoof de aandacht van musea voor moderne kunst van de collecties naar tijdelijke tentoonstellingen om publiek mee te winnen. De collecties zelf bleven groeien en belandden voor het overgrote merendeel in het depot. De collectie van het Stedelijk Museum, dat vorig jaar zijn 125-jarige bestaan vierde, is opgelopen tot 95.000 objecten waarvan er momenteel zo’n zevenhonderd op zaal te zien zijn. Dat is meer dan in het verleden, maar liever zagen we nog meer. De collectie is herontdekt, enerzijds als bron om uit te putten nu de internationale kunstwereld gekaapt is door het grootkapitaal, anderzijds als dna van het museum dat zelf kritisch tegen het licht wordt gehouden. Wat verzamelde het museum eigenlijk al die tijd, welke aannames en oordelen lagen daaraan ten grondslag, welke blinde vlekken? We willen hem zien, die collectie, in volle glorie, om er nieuwe, urgente verhalen mee te vertellen.

Het daglicht van Weissman werd beroemd. Ook directeur Willem Sandberg, die weinig ophad met de buitenkant van het gebouw, vond het licht ‘fantastisch goed’. Onder hem werd het Stedelijk een museum voor eigentijdse kunst en transformeerde het museumgebouw. Weissman was passé, maar toen Sandberg rond 1950 stelde dat het museum al een behoorlijk modern karakter had gekregen, klonk iets van de nederigheid van de architect in zijn woorden door: ‘Het heeft het neutrale karakter dat kunstwerken laat spreken, het spreekt niet zelf.’

Met de laatste verbouwing van het Stedelijk, tussen 2004 en 2012, verdween het daglicht voorgoed uit het gebouw om de kunst te beschermen. Het museum kreeg bovendien een aanbouw, de ‘badkuip’ waarvan architect Mels Crouwel in het wit een voortzetting zag van het interieur van Sandberg. De kelderzaal van de nieuwbouw was met elfhonderd vierkante meter open ruimte geknipt voor het tonen van bijzondere installaties en videokunst, de gedroomde black box. Prachtige tentoonstellingen die volgden, waaronder die van Aernout Mik en Ed Atkins, bewezen het succes.

Vier jaar later, in 2016, ging het museum echter weer op de schop. Directeur Beatrix Ruf signaleerde ‘verwarring’ bij de bezoekers en begon aan een herinrichting van het gebouw. Het museum werd ingedeeld in drie delen: Stedelijk Base met de vaste collectie, Stedelijk Turns met tentoonstellingen gebaseerd op de collectie en Stedelijk Now met de gewone, meer losgezongen tentoonstellingen. De collectie ging van de oudbouw naar de nieuwbouw, de tijdelijke tentoonstellingen van de nieuwbouw naar de oudbouw. Dat was een gewaagde maar ook een raadselachtige move: voor monumentale tentoonstellingen als die van Mik en Atkins was in de oudbouw, met zijn vaste wandenstructuur, geen plek meer, terwijl in de kelderzaal geen wanden beschikbaar waren voor de collectie.

Ruf trok amo/Rem Koolhaas aan als partner voor de nieuwe collectiepresentatie in de kelder om dat te ondervangen en in de media ontstond ophef over geruchten van alweer een verbouwing van het Stedelijk. In Het Parool susten Ruf en Koolhaas in oktober 2016 samen de onrust. Het was geen verbouwing, zeiden ze, eerder een nieuwe tentoonstelling. Ruf zei: ‘Ik begrijp het trauma, maar geef ons een kans. We kunnen niet vast blijven zitten en nalaten vooruit te gaan. Dat zou vreselijk zijn. Denk je in dat het Stedelijk er de komende twintig jaar exact hetzelfde uit zou zien. Dat zou heel treurig zijn.’

‘Het zou treurig zijn als het Stedelijk er twintig jaar hetzelfde uit zou zien’

Hoelang zou de kelder dichtgaan? Ruf: ‘Normaal kost het twee tot drie maanden om een show op te bouwen. Nu hebben we één of twee maanden meer nodig.’ Wat ging de nieuwe collectiepresentatie kosten? Ruf: ‘Het gaat om anderhalf keer wat we kwijt zijn aan een show zoals Tinguely.’ Koolhaas: ‘Je hebt het niet over een miljoen.’ Uiteindelijk bleef de kelder ruim een jaar gesloten en kostte de re-hang, inclusief aanpassingen aan het lichtsysteem in de kelder, 2,87 miljoen. Door het inspringen van sponsoren kostte het ontwerp van Koolhaas op zich het museum inderdaad geen miljoen.

‘Waarlijk een sterk staaltje Nederlands vakmanschap’, zo noemde Theo Henrar, toenmalig directievoorzitter van Tata Steel Nederland, de nieuwe collectiepresentatie bij de opening in december 2017. Stedelijk Base was bedacht in twee delen: de collectie tot 1980 in de kelderzaal en de hedendaagse collectie op de verdieping van de nieuwbouw. Henrar refereerde specifiek naar de kelder die was ingericht met een circuit van vrijstaande stalen wanden, ontwikkeld en uitgevoerd door Tata naar een ontwerp van amo/Rem Koolhaas samen met Federico Martelli, helemaal toegesneden op kunst uit de collectie van het Stedelijk. Het ontwerp speelde bovendien in op de vraag hoe wij ‘kijken’ in deze tijd. Ruf zei daarover: ‘Door de komst van internet vergaren we informatie op een andere manier; we browsen, zien veel beelden in één keer, leggen zelf verbanden en maken combinaties.’

In de ‘post-medium’-benadering die Ruf voorstond, werden beeldende kunst en vormgeving voor het eerst naast elkaar gezet. Ze wilde weg van de collectie als een verzameling van individuele highlights en meer oog voor de onderlinge verbanden tussen de kunstwerken. Het museum en de architect gingen op zoek naar ‘clusters’ van kunstwerken in de collectie. Oorspronkelijk was het idee om deze clusters uit te lichten in clusters van licht, maar ergens in het creatieve proces werden dat wanden van staal.

Ja, het was Nederlands vakmanschap, maar met een internationale allure die maakte dat zelfs The New York Times aandacht besteedde aan de opening van Stedelijk Base. Stedelijk Base is zo bezien het verhaal van de powercurator, de sterarchitect en de multinational, een geldverslindende constellatie die de touwtjes in de kunstwereld in handen heeft. Voor het zojuist geopende Luma in Arles van architect Frank Gehry bijvoorbeeld was Ruf adviseur samen met die andere powercurator, Hans Ulrich Obrist. Voor het Serpentine Gallery Pavilion in Londen werkte Obrist al samen met Koolhaas. Tata Steel was betrokken bij het Louvre Abu Dhabi van architect Jean Nouvel. En ga zo maar door. De belevingsmaatschappij draait op volle toeren en musea, curatoren en een enkele kunstenaar trekken sterachitecten aan om hun gebouwen instantly op de kaart te zetten. Architecten varen daar wel bij: het nieuwe ‘kijken’ is namelijk beleven. De lijst met ontwerpen voor musea, galeries en tentoonstellingsinrichtingen van amo/Koolhaas reikt tot in de hemel.

Zaalopname Stedelijk Base 1, vaste collectie, wisseling februari 2021 © Gert Jan van Rooij / Collectie Stedelijk Museum Amsterdam, c/o Pictoright Amsterdam

Wat dat de kunst oplevert, kun je je afvragen. Stedelijk Base werd een prestigeproject dat van clusters van licht met het budget van een grote tentoonstelling uitgroeide tot een deal met 180 ton staal. Tata Steel Nederland verbond zich voor vijf jaar aan het Stedelijk, de periode die voor Base werd afgesproken, en mocht in de introductiefilm die draaide bij de ingang van de presentatie het museumpubliek door de fabriek in IJmuiden rondleiden, voordat het nog maar een glimp van de kunst had opgevangen.

Het principe van soberheid van Weissman was, ondanks de slankheid van de stalen wanden en de uitvoering in stemmig grijs en wit, met Base geschonden: alles wees erop dat de vorm boven de inhoud was gegaan. Hoewel zeventig procent van het museum nu gewijd was aan de collectie, ging de aandacht uit naar de dwingende architectuur in de kelder. Waar kunst in een museum doorgaans tot rust komt, bracht het ontwerp van Koolhaas de kunst juist in beweging. Hij ontwierp de tentoonstelling als een stad, compleet met straten en stegen, maar daar was het voor de bezoeker niet makkelijk navigeren. De grote open kelderzaal was een druk en onoverzichtelijk verkeersplein geworden waar ook de kunstwerken voortdurend met elkaar in botsing kwamen. Browsen was de enige uitweg, maar daarmee doe je de kunst tekort. De kunstwerken zelf konden niet meer spreken, dat deden de wanden voor hen.

Over de presentatie op de bovenverdieping, die zonder die wanden een stijlbreuk met de presentatie beneden vormde, sprak bovendien geen mens. Natuurlijk, nieuwe kunst vraagt om een andere presentatie, maar feit is ook dat de vloer op de bovenverdieping het staal simpelweg niet had kunnen dragen.

De soberheid was geschonden, de vorm was boven de inhoud gegaan

Het goede nieuws was dat Base over een periode van vijf jaar, waarvoor de presentatie ‘ten minste’ zou blijven staan, een besparing aan wisselende tentoonstellingsinrichtingen van de kelder opleverde van een miljoen. En de bezoeker was wel tevreden. Uit onderzoek van het museum blijkt dat de Nederlandse bezoeker Base beoordeelt met een 7,9, de toerist met een 8,1. En toch komt er nu, nog geen vier jaar na de opening, ook aan Stedelijk Base weer een eind. Vlak voor de opening van Base had Beatrix Ruf, na de onterechte beschuldiging van belangenverstrengeling, het museum verlaten. Wat zij met de collectiepresentatie en het ontwerp van Koolhaas had willen doen in de toekomst, zullen we nooit weten. Maar directeur Rein Wolfs liet bij zijn benoeming in juni 2019, nog maar anderhalf jaar na de opening, al iets doorschemeren. ‘Wat ik van Base vind? Het is belangrijk dat het experiment gedaan is, maar het is tijd voor een evaluatie,’ zei hij in de NRC.

In drie stappen wordt Stedelijk Base het komende jaar ontmanteld. Deze week opent de nieuwe collectiepresentatie met kunst vanaf 1980, in de winter de periode 1945-1980 en volgend jaar de kunst tot 1945. Dan verdwijnt de collectie uit de kelder.

‘Ik denk dat het nodig was’, zegt Wolfs in een online gesprek vanuit de badkuip over Base. ‘Het Stedelijk heeft een vreemde verhouding tot zijn eigen collectie. Het is nooit het museum geweest waar de collectie heel uitgebreid is getoond, zoals dat in andere grotere gemeentelijke musea in Nederland wel het geval is. Ik herinner me de zomeropstellingen in de oudbouw, maar vaak is de collectie niet echt als zodanig te zien geweest. Dat vind ik opvallend. Blijkbaar hebben andere dingen op de voorgrond gestaan en misschien hebben we er nooit de juiste ruimtes of de rust voor gevonden om het zo te willen doen. Ik denk dat het goed is geweest dat met Base eindelijk die focus op de collectie voor langere tijd is gekomen.’

Dat er toch een eind aan komt, heeft volgens Wolfs minder te maken met de kwaliteit van de presentatie dan met de logica van de gebouwen. Ruf verhuisde de collectie naar de nieuwbouw, Wolfs brengt haar weer terug naar de oudbouw. Die is voor Wolfs een soort ‘thuis’, een baken in het museum, en de collectie beslaat daar straks twee vleugels op de verdieping en één op de begane grond. De erezaal blijft leeg voor projecten die bijvoorbeeld refereren aan de collectie of er een standpunt tegen innemen. De zalenstructuren in de oudbouw noemt Wolfs bovendien heel geschikt om op een thematische manier met de collectie om te gaan, wat dwingend zelfs voor tijdelijke tentoonstellingen. Maar was dat niet juist het probleem van de kelder, de hoge kosten voor inrichting bij elke nieuwe tentoonstelling? Wolfs: ‘Het mes snijdt aan twee kanten. Er zijn in de toekomst mogelijkheden om vaker van dezelfde tentoonstellingsstructuur gebruik te maken. De logistiek van de kelder is heel geschikt om tentoonstellingen te maken en het biedt de mogelijkheid om in rust te werken op het moment dat er een tentoonstelling opgebouwd moet worden. Ik leg liever de deksel op de kelder dan dat ik de oudbouw voor langere tijd tot inrichtingsgebied heb verklaard.’

De nieuwe collectiepresentatie met kunst vanaf 1980 kent een thematische insteek waarbij beeldende kunst en vormgeving niet langer door elkaar heen getoond worden. De nadruk is verschoven van hoe we kijken, hoe we browsen, naar waar we eigenlijk naar kijken. Wolfs benadrukt de ambitie van een grotere meerstemmigheid in het museum en wil zeker kunst tonen van kunstenaars in de collectie die eerder een minder belangrijke rol speelden of helemaal afwezig waren in presentaties. Een voorbeeld is de aankoop van El Anatsui die in de nieuwe presentatie in een zaal hangt samen met Sigmar Polke, Willem de Rooij en Sheila Hicks. Het gaat dan over de ideologische lading van materiaal.

Voor de nieuwe collectiepresentatie wordt per ruimte een plan gemaakt voor een display, dus geen totaalconcept als Base. Gevraagd naar zijn plannen met de wanden van Koolhaas, antwoordt Wolfs diplomatiek. ‘Voorlopig laten we die staan en zoeken we naar mogelijkheden om ze als uitdaging voor het tentoonstellingsprogramma te hanteren.’

Stedelijk Base is straks de Betuwelijn van de Nederlandse kunstwereld: een peperdure infrastructuur die verweesd in het landschap staat. Ja, af en toe rijdt er een trein over de rails, maar niet zoals dat bedoeld was. In het beste geval lokken de wanden van Koolhaas uit tot nieuw experiment, dat in de kelder dan meteen op zijn plek is. En anders kunnen de wanden altijd nog worden omgesmolten. In een brief aan de gemeente vlak voor de opening, naar aanleiding van vragen over de kosten van Base, schreef interim-directeur Jan Willem Sieburgh onder meer: ‘Ook vanuit het perspectief van duurzaamheid wordt een bijdrage geleverd temeer omdat de opstelling van Stedelijk Base ten minste vijf jaar zal blijven staan en bovendien een belangrijk deel van de materialen die gebruikt zijn bij de inrichting van Base recyclebaar is.’ Ook Tata Steel Nederland sprak van een ‘duurzaam en recyclebaar ontwerp’ en de directeur grapte dat het staal zo weer terug de fabriek in kon.

Noem het kapitaalvernietiging, of niet, want dit hoofdstuk uit de geschiedenis van het Stedelijk is volgend jaar weer afgeschreven.

De nieuwe collectiepresentatie met kunst vanaf 1980 opent op 10 juli in het Stedelijk Museum in Amsterdam, stedelijk.nl. De historische citaten zijn afkomstig uit: A.W. Weissman, Het Gemeente-museum te Amsterdam: Geschiedenis, inrichting en versiering, verlichting (1895) en Coert Peter Krabbe en Jos Smit, Architectuur in dienst van de kunst: Het Stedelijk Museum (2004)