De pretentie van literatuur

ROBBERT WELAGEN
PHILIPPES MIDDAGEN
Nijgh & Van Ditmar, 127 blz., € 16,50

Romans moeten het hebben van drama: gefnuikte ambities, misverstanden, verzet tegen lotsbestemming, zo lang mogelijk in stand gehouden illusies. En daaruit volgende dwingende zoektochten naar de kern van het bestaan, alles langs de randen van de afgrond. De geroutineerde romanlezer weet wat ik bedoel en hij lust er wel pap van.
Dat het anders kan bewijst het werk van Robbert Welagen. Hij probeert het drama erin systematisch aan het oog te onttrekken. Dit is geen toeval maar opzet. Je moet goed zoeken voordat je in zijn rustige en bijna stille vertelling rond wellevende mensen die verder weinig te doen hebben, behalve dan op tennisbanen zitten en in auto’s rondrijden, een drama kunt ontwaren. En zelfs dan nog probeert deze precies opererende schrijver je aan alle kanten zand in de ogen te strooien. Drama, dat is bij hem niet luid geschreeuw van verhitte personages, zinderende bedscènes of wanhopig geroep om aandacht van opgroeiende pubers. Die pubers zijn er wel, maar ze eten kalm ijsjes en bevinden zich in alleenstaande huizen waarbij ze landerig uit het raam kijken. ‘We waren achter het huis op het terras gaan zitten. Ook aan de achterkant van het huis was de tuin perfect bijgehouden.’
Bij Welagen zijn dit soort zinnen al drama genoeg. Hij probeert je uit alle macht zo ver mogelijk weg te houden van overdreven gevoelens en opinies. De grote, gebarenvolle, internationale literatuur van schrijvers als Rushdie, Mulisch en Nooteboom, met werk dat bol staat van halve of hele diepzinnigheden, beschouwingen en pretenties, is hier wel heel ver te zoeken. Bij Welagen geen Euro-literatuur vol Euro-gevoelens zal ik maar zeggen. Hij keert de pretentie van dit soort literatuur obstinaat de rug toe en zoekt het in muisstille belevenissen van onbelangrijke personages op onbelangrijke locaties, die tijdens onbelangrijke belevenissen de wereldgeschiedenis absoluut geen stap verder brengen. Laat staan redden. Zijn werk doet hardnekkige pogingen zich aan huidige populaire en veelgeprezen schema’s van de romankunst te onttrekken.
In zijn debuutroman Lipari (2006) begon het al. Er gebeurt vrijwel niets, we bevinden ons in een hotel waarin zich scènes als deze afspelen: ‘Chaphine op de ligstoel, Gerard over zijn papieren gebogen en ik, ik bezocht deze mensen, lezend in mijn boek over Liechtenstein. Ik kende hen nog maar vier dagen, maar ik had het gevoel dat wij dit tot het einde der tijden zouden kunnen doen.’ Er valt in dit citaat overigens een zweem te bespeuren van Arnon Grunbergs stijl, de reflectie, de herhaling in andere woorden. Ook de laconieke, soms geestige toon waarin het geheel is vervat, herinnert soms aan het vroege werk van Grunberg, zonder dat dit overigens al te zeer in het oog springt.
In de nieuwe roman Philippes middagen vervolgt Welagen de ingeslagen weg. Opnieuw bevinden we ons in de wereld van de welgestelden en landerigen, deze keer niet in een hotel maar rondom een parkachtig gebied ergens in Nederland, met fraaie huizen en tennisbaan De Mathilde, waar zich een aantal cruciale scènes afspeelt, voorzover je daarvan kunt spreken.
Er is wel degelijk een verhaal. Maar dan zonder dramatische hoogte- of dieptepunten die in de meer populaire Europese literatuur zo moeiteloos aaneengeregen zijn. Zelfs de scène waarin de moeder haar zoon vertelt dat hij nu maar op eigen benen moet staan, ze heeft er geen zin meer in hem op te voeden, heeft iets vanzelfsprekends. En werkte daardoor bij mij sterk op de lachspieren. Het verhaal dus: ene Robbert ontmoet het meisje Rose-Ann met wie hij een paar dagen doorbrengt in een leegstaand huis. Robbert woonde jaren geleden, als puber, met zijn nogal lichtzinnige moeder daar in de buurt, achter de tennisbaan. Daar leerde hij Philippe kennen, die later zijn vader blijkt te zijn en die een verhouding had met Louise, die weer de moeder blijkt te zijn van Rose-Ann. Zo’n verhaal, ik kreeg tijdens lezing niet het gevoel dat het er allemaal erg toe deed, al probeert Welagen wel, meer dan in zijn vorige roman, de touwtjes aan elkaar te knopen. Maar het gaat allemaal om iets anders. ‘Louise, Philippe, die tennisbaan, dat huis en mijn moeder zijn allemaal met elkaar verbonden. Ze vormen verschillende vlekken op dezelfde foto. Ik heb die foto vaak bestudeerd, maar nooit begrepen waar ik nu precies naar keek.’
In deze roman gaat het om toenemend verlies aan houvast en pogingen een plaats in de wereld te vinden, een richtpunt. Je kunt tennisbaan De Mathilde en omgeving moeiteloos opvatten als een symbolische ruimte van de wereld waarbinnen een held geen juiste plaats meer weet te vinden. Deze roman sluit wat dit betreft aan bij de traditie van de modernistische romankunst. De blik op de wereld van de ‘held’ is vertroebeld en hij probeert tot verheldering te komen via beschrijvingen van wat er te zien is. Zijn blik probeert de wereld langs magische weg, in literatuur, nieuw leven in te blazen. En de altijd licht verbaasde en verwonderde beschrijvingen maken de kern uit van deze bescheiden roman, waarvan de ambitie niet onderschat moet worden. ‘We gingen op een muurtje zitten dat uitzicht bood op een grote binnenstadse vijver. De zon glinsterde op het water. In het midden bevond zich een fontein die de plek een verfrissend karakter gaf. De druppeltjes daalden uit de lucht neer en bleven op je haren en armen liggen.’ Want de waarheid van literatuur zit niet in opinies en visies maar in beschrijvingen van wat er te zien is.