‹Traffic› van Steven Soderbergh

De pretentie van morele smetteloosheid

In het dagelijks nieuws is de waar heid een leugen en de leugen een waar heid. Dat is vooral het gevolg van televisie, en haar kijkers, die beide hunkeren naar steeds meer authenticiteit. Visuele esthetiek en documentaire conventies worden nu gecombineerd in sociaal-realistische televisiedrama’s en films met sociaal-politieke thema’s als ‹Traffic› van Steven Soderbergh.

De kinderen van La Concordia, Colombia, zijn ’s middags thuis als ze het geluid horen van de met Amerikaanse dollars betaalde gevechtshelikopters. De glimmende gunships begeleiden armetierige vliegtuigjes die cocaplantages buiten het dorp besproeien met ontbladeringsmiddel. Het gaat mis. De piloten vernietigen niet alleen de cocavelden, ze strooien het gif ook uit over een schoolgebouw, een katholieke kerk en voedingsgewassen. Gedurende de volgende dagen worden leerlingen ziek: overgeven, huiduitslag, hoofdpijn. Boeren zijn razend over hun verloren oogsten. Ontoniel Urrea verklaart tegenover de Britse krant The Guardian: «Ja, ik had coca. Maar nu hebben ze me uitgekleed; ik heb geen werk meer, geen eten.»

Ondertussen ontvangt president George W. Bush zijn Colombiaanse collega Andrés Pastrana in het Witte Huis. Onderwerp van gesprek: de nieuwste aflevering van de war on drugs, deze keer getiteld: «Plan Colombia». Met een begroting van 1,3 miljard dollar aan «ontwikkelingshulp» stimuleert Amerika het gebruik van militaire macht om de cocaplantages in Colombia te vernietigen. De «war on drugs» dient letterlijk te worden genomen: Amerika voert oorlog tegen de guerrilla’s van de linkse Farc en tegen de paramilitairen. Beide zijn betrokken bij de drugshandel. Volgens Plan Colombia moet de productie van drugs met vijftig procent worden verminderd. Veel geld gaat op aan het aankopen van gevechts helikopters en apparatuur, het opleiden van elite-antidrugstroepen en het contracteren van piloten.

Tijdens zijn bezoek aan Washington pleit Pastrana voor het investeren van Amerikaanse dollars in de noodlijdende Putumayo-regio waar veel boeren coca verbouwen om in leven te blijven. Pastrana’s pleidooi is een wassen neus. In La Concordia, Putumayo, zijn lokale bestuurders woedend op de regering. Van de beloofde compensatie voor het vernietigen van de cocaplantages is niets terechtgekomen. Boeren zijn gedwongen het land opnieuw te beplanten.

Zo is de cirkel rond: Amerikaanse spionagesatellieten sporen de cocaplantages op; het klapwieken van helikopters klinkt; het regent gif. Zoals in alle andere oorlogen trekken boeren en kinderen aan het kortste eind in La Con cordia, Colombia.

Columbus, Ohio. Een meisje van veertien ligt buiten westen in een drugspand ergens in het centrum. De afgelopen nachten is ze meermalen verkracht terwijl ze stoned was. ’s Ochtends stormt haar vader de kamer binnen. Razend van verdriet ziet hij hoe zijn kind uit haar slaap ontwaakt. Ze kijkt naar hem, lacht slaperig en zegt: «Goedemorgen, papa.»

De complexe relatie tussen kunst en het leven kenmerkt Traffic, de nieuwe film van Steven Soderbergh. Zijn overrompelende tableau vivant van de internationale drugsproblematiek en de multiculturele maatschappij maakt indruk door de wijze waarop feit en fictie door elkaar heen vloeien. De film toont aan dat waarheid en leugen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. De feitelijkheid van de boeren en kinderen van La Concordia en het fictionele van de vader en dochter in Columbus kunnen niet afzonderlijk bestaan. Beide dienen gezamenlijk onder het vergrootglas te worden geplaatst om een beeld te verkrijgen van wat voor het gemak «de werkelijkheid» heet.

Traffic telt drie verhaallijnen: Michael Douglas speelt de rol van coördinator van het Amerikaanse drugsbeleid en vader van de aan crack verslaafde dochter; Catherine Zeta-Jones is de vrouw van een Amerikaanse cocaïnehandelaar; en Benicio Del Toro speelt de rol van een Mexi caanse rechercheur die moet kiezen tussen de verlokking van drugsgeld en een rein geweten.

Dit gegeven is gegrepen uit het dagelijks nieuws: kunst imiteert het leven. Maar dat het leven ook kunst «imiteert», blijkt uit het effect van Traffic op de Amerikaanse maatschappij. In een hoofdredactioneel commentaar schrijft The New York Times dat de film een sterke invloed zou kunnen hebben op de sociaal-politieke beleidsvoering in Washington. De krant refereert aan het militarisme van Plan Colombia, maar schrijft dat president Bush er niet op tegen zou zijn het accent van het Amerikaanse drugsbeleid te verschuiven naar het oplossen van binnenlandse sociale problemen.

Traffic laat goed zien dat het probleem niet de cocaboeren van La Concordia betreft, maar de aan crack verslaafde kinderen van zowel de witte middenklasse in de voorsteden als de arme zwarte getto’s. Bush, zelf iemand met een verslavingsverleden, zag de film tijdens de verkiezingscampagne. Hij beloofde toen om de kloof te overbruggen tussen de vijf miljoen verslaafde Amerikanen en de ruim twee miljoen die daadwerkelijk verslavingszorg krijgen. Intussen voert de kersverse inwoner van het Witte Huis echter weer volop gesprekken over ontbladeringsmiddelen, dollars en gevechtshelikopters, met in zijn achterhoofd de politieke waarde aan het thuisfront van de gifregen in Latijns-Amerika.

Kiezers zijn bovenal kijkers. En consumenten van beelden. Wij beleven de werkelijkheid en de audiovisuele cultuur aan de hand van het adagium: de waarheid is een leugen en de leugen is een waarheid. De verhalen van CNN of die van de cinema — van de boeren en kinderen van La Concordia of van het meisje en haar vader in Ohio — zijn in onze ogen even waar- of leugenachtig. De zieke kinderen zijn zo ver van ons verwijderd dat ze «fictief» zijn, terwijl het verkrachte meisje in de film shockeert doordat de scène in de bioscoop zo «realistisch» overkomt.

Onze ervaring en voorkennis raken de kern van het sociaal-realisme. Opeens beseffen we: het is allemaal echt. Of toch niet? Aan de wieg van dit fenomeen staat televisie. De laatste jaren vertonen het medium en zijn consumenten een hunkering naar het authentieke. En voor het eerst kent Amerika sociaal-realistisch televisiedrama: NYPD Blue en de ziekenhuisserie ER. Interessant is dat televisiemakers in beide gevallen visuele esthetiek combineren met documentaire conventies. Kijkers van NYPD Blue worden vervolgens geconfronteerd met een werkelijkheid die in een fictieve vorm is gegoten. Het verhaal van de politie van Manhattan die een immigrant mishandelt, wordt bijvoorbeeld verteld aan de hand van aantrekkelijke acteurs en hippe, MTV-achtige beelden.

Dit soort televisiedrama drukt zijn stempel op Hollywood. Regisseur Michael Mann maakte twee jaar geleden een van de beste Hollywoodfilms sinds de jaren zeventig: The Insider, over corrupte tabaksfabrikanten en leugenachtige actualiteitenprogramma’s. De connectie met de actualiteit is nog sterker in Soderberghs werk. Traffic is geschreven door een junk, Stephen Gaghan, die in 1997 een Emmy won voor zijn scenario van een NYPD Blue-aflevering. Soderbergh zelf kwam vorig jaar met Erin Brockovich, een waargebeurd verhaal over een sociaal be wogen vrouw (gespeeld door Julia Roberts) die een schandaal onthult rond kankerverwekkende stoffen in het drinkwater van arbeidersfamilies.

In Traffic verschuift Soderbergh zijn focus naar de sociale en politieke heersende klasse. Het verkruimelen van de hegemonie van de witte middenklasse uit zich in scènes van ontnuchtering. Het hart van de jurist Douglas breekt als hij zich bewust wordt van de drugsverslaving van zijn dochter. Hij realiseert zich dat zijn militaristische strijd tegen de drugs zinloos is. Hij treedt af.

Deze teloorgang van witte mannelijke macht heeft een breder kader met wortels in de werkelijkheid, en wel in het presidentschap van Bill Clinton. De conservatieve haat jegens hem spruit voort uit het feit dat hij de morele verhevenheid van de witte middenklasse in gevaar heeft gebracht. Hoezeer hij ook als intelligente politicus te boek staat — zijn prestaties, zijn connectie met de Kennedy-mythologie, zijn vooruitstrevend denken —, Clinton zal de geschiedenis ingaan als de Amerikaanse leider die met zijn broek op zijn knieën werd betrapt. Inmiddels heeft zijn amorele instinct allegorische afmetingen aangenomen. De sigaar van Clinton en de jurk van Monica Lewinsky vormen een verhaal binnen de populaire cultuur met als rode draad het illusionaire karakter van morele smetteloosheid.

Dit burgerlijke droombeeld, ingegeven door rechtse politici en reactionaire religieuze leiders, was juist een hoeksteen van het naoorlogse Amerika. In de visie van de presidenten Roosevelt, Truman en Eisenhower moesten witte voorsteden idyllische tuinen van Eden zijn waar de Amerikaanse droom kon worden verwezenlijkt. En niet onbelangrijk: waar naar hartelust kon worden geconsumeerd. Wat men echter niet kon overzien, was dat een wijde verscheidenheid aan verdovende middelen deel zou uitmaken van het consumentengedrag.

Sinds de nachtmerrie van David Lynch’ Blue Velvet, waarin het voorstedelijke gezin wegzinkt in een moeras van schizofrenie, incest en sek suele aberratie, breekt de populaire Amerikaanse cinema het droombeeld van de suburb af. Dat kreeg vorig jaar een vervolg met Sam Mendes’ American Beauty. Hierin ontdekt een vader niet alleen de geneugten van marihuana, maar ook die van het jonge lichaam van de vriendin van zijn dochter. Het culturele effect van deze teksten resoneert in Traffic.

In een even hilarische als ijzingwekkende scène in Traffic beschieten diverse Amerikaanse drugsopsporingsinstanties elkaar tijdens een undercover-drugstransactie. Uit deze op feiten gebaseerde scène kristalliseert het schrikbeeld van de uit de hand gelopen war on drugs. Ook Europa wordt met dat beeld geconfronteerd. Uit een uitgelekt Nederlands justitierapport blijkt dat agenten van de Drug Enforcement Agency (DEA) hier vrijelijk hun gang gaan. Blijkbaar denkt men minachtend over het falende Nederlandse opsporingsbeleid. Dat is stuitend, gezien de chaos aan het eigen thuisfront.

De chaos blijkt uit interviews met scenarist Stephen Gaghan. Tijdens zijn research voor de film sprak hij talloze ambtenaren in Washington. In de wandelgangen waren ze bereid tegenover Gaghan toe te geven hoe futiel de helikopteraanvallen op de cocavelden van het Latijns-Amerikaanse platteland zijn. Dezelfde mensen draven vandaag de dag nog op bij persconferenties met het motto: «We gaan de war on drugs winnen!»

Of Traffic daadwerkelijk politieke gevolgen zal hebben, moet nog blijken. In elk geval is de film een lichtend voorbeeld van hoe de cinematografie niet slechts sociaal-historische processen reflecteert, maar er actief aan deelneemt. Om de relatie tussen kunst en het leven verder te compliceren, eindigt Soderberghs film met positieve beelden van spelende kinderen. Op dat moment breekt de regisseur met het realistische. Hij voert de kijker mee naar een illusionaire wereld waarin drugsgeld miraculeus wordt omgetoverd tot een honkbalveld voor arme kinderen in Tijuana, Mexico. Het effect van de droom is vernietigend. Het plezier dat de kinderen beleven in hun spel maakt de pijn van hun leeftijdgenootjes des te schrijnender. Bijvoorbeeld in La Concordia, Colombia, waar de helikopters de gifregen brengen van het Witte Huis.