Economie

De prijs van de euro

Ruim een jaar geleden maakte de nieuwe regering-Papandreou in Athene bekend dat Griekenland met hulp van Amerikaanse bankiers de nationale boekhouding had opgefleurd. Het overheidstekort bleek veel groter dan gemeld aan Brussel. De financiële markten schrokken zich wild en een kopersstaking rond Grieks schuldpapier brak uit. Het duurde vervolgens maanden voordat Europa een vangnet wist te spannen en Griekenland te hulp schoot. Dat had minder met solidariteit binnen de eurozone te maken dan met de vrees dat een Grieks faillissement een tweede kredietcrisis inluidde. Nogal wat kwetsbare Europese banken hadden in het verleden Griekse obligaties aangeschaft. Inmiddels is ook Ierland ‘gered’. Met een schep Europees gedekt geld wordt vooral het Ierse bankwezen overeind gehouden, dat bijna ten onder is gegaan in de Ierse zeepbel op de huizenmarkt. In ruil daarvoor krijgt de Ierse bevolking een pakket aan bezuinigingen en lastenverzwaringen voorgeschoteld, dat - evenals in Griekenland - zijn weerga niet kent.
Het is niet toevallig dat deze landen als eerste onderuitgaan. Voordat de euro arriveerde was het traditie dat in deze landen de nationale munt periodiek een devaluatie onderging. Zo werd het nationale product goedkoper, hetgeen export en toerisme bevorderde. De prijs was een oplopende inflatie en hogere rente, maar die werd voor lief genomen. In het noorden van Europa gold de tegenovergestelde traditie: door met name loonmatiging en innovatie ontstond juist opwaartse druk op de nationale munt. Na een revaluatie werd een deel van het eerder behaalde concurrentievoordeel weliswaar tenietgedaan, maar minder inflatie en lagere rentes resulteerden. De drachme, het Ierse pond en een stuk of wat andere valuta als de lire, de peseta en de Franse franc maakten deel uit van de eerste traditie. De gulden en de D-mark stonden model voor de tweede school.
Met de komst van de euro is onvoldoende rekening gehouden met deze verschillen. Daar is destijds door kritische economen voor gewaarschuwd. Je kunt niet straffeloos een aanpassingsmechanisme als een wisselkoers opheffen, maar die boodschap was aan de Europese leiders niet besteed. De enige afspraak die destijds is gemaakt betreft de beroemde normering van tekorten op de overheidsbegroting en de staatsschuld. Voor de rest zou de markt het wel doen.
Dat is nu ook gebeurd. De wisselkoerstradities in Noord- en Zuid-Europa werden met de komst van de euro in één klap irrelevant, maar de onderliggende macro-economische architectuur was dat allerminst. In veel zuidelijke landen (Portugal, Italië, Griekenland, Spanje: de 'PIGS’) werden na de komst van de euro nog steeds relatief hoge looneisen gesteld en gehonoreerd. Dat heeft tot een sluipende uitholling van hun concurrentiekracht geleid die niet via een koersaanpassing van de nationale munt kon worden gekeerd. Omgekeerd zagen Nederland en Duitsland dat loonmatiging tot een permanente verbetering van de concurrentiepositie in Europa leidde. Geen wonder dat beide landen inmiddels recordoverschotten op de handelsbalans rapporteren.
Op hun beurt profiteerden de zuidelijke landen, inclusief Ierland, van lagere rentes die mogelijk waren door het wegvallen van het valutarisico. Van een Griekse staatsobligatie, genoteerd in drachmes, moest je vroeger maar zien wat deze waard bleek. Hetzelfde schuldpapier, genoteerd in euro’s, achtten beleggers minder riskant. Met substantieel lagere rentes tot gevolg. Zo konden deze landen makkelijker en goedkoper dan ooit tevoren lenen op de internationale markt. In het geval van Ierland en Spanje stroomde internationaal kapitaal vrij van oude valutarisico’s het nationale bankwezen en de woningmarkt binnen en creëerde daarmee een enorme zeepbel die nu tot een gecombineerde vastgoed/banken-crisis heeft geleid in beide landen. Dat kon ongehinderd. Europa had immers wel besloten tot begrenzing van de publieke tekorten (drie procent van het bbp), maar heeft niets geregeld over mogelijk onhoudbare private schuldposities.
Op het hoogtepunt van de kredietcrisis klopten de Europese leiders zich nog op de borst dat Europa de stormen goed kon doorstaan dankzij de euro. Dat blijkt vies tegen te vallen. Het eurosysteem kent belangrijke ontwerpfouten die zich zonder politieke eensgezindheid nauwelijks laten herstellen. Het straffen van landen die hun overheidstekorten niet (willen) beheersen is niet voldoende. Meer politieke macht in Brussel is onontbeerlijk, maar dat is moeilijk denkbaar nu de euroscepsis als een gekkekoeienziekte om zich heen grijpt. De euro heeft Nederland extra welvaart bezorgd, maar een gezamenlijke munt verplicht ook tot collectieve actie als het ergens fout loopt. En dat kán ons geld gaan kosten. De burgers is nooit verteld wat de prijs van de euro is. Het wordt tijd om dat maar eens te gaan doen.