In Nederland wordt de euro duur betaald

De prijs van de euro

Hoe herkent men een recessie? Aan het toenemende aantal zwervers die slapen in het park of aan de ras geslonken rijen bij de Albert Heijn? Aan de explosieve stijging van het aantal bordjes «te koop» voor de ramen of de doodstille cafés op een doordeweekse avond? Of moet je letten op het angstzweet op het voorhoofd van de beleggingsexpert die op rtl-z uitlegt dat er werkelijk geen reden is voor paniek? Hoe dan ook, het spook van een recessie gaat ook aan Nederland niet onopgemerkt voorbij. Er heerst alleen nog wat koudwatervrees om het beestje bij de naam te noemen. Zulks werkt uiteindelijk maar contraproductief en is schadelijk voor het «vertrouwen», die vitale pijler van de economie.

Het duurde daarom heel lang voordat president Wellink van de Nederlandsche Bank schoorvoetend toegaf dat de komst van de euro ook in Nederland heeft geleid tot een opwaartse druk op het prijzenpeil. En dan nog hield ’s lands nationale schatbewaarder een stiff upper lip: de totale prijsstijging behelsde volgens hem niet meer dan een luttele anderhalf procent. De vraag is hoe lang deze stoïcijnse zorgeloosheid nog is vol te houden, want de alarmberichten over het turbo-verarmingsproces van de gemiddelde Nederlander sinds de komst van de euro stromen dagelijks uit de krant en van het televisiescherm.

De Telegraaf meldde in de editie van 22 augustus dat het aantal Nederlandse gezinnen met problematische schulden dit jaar op nog nooit vertoonde wijze is toegenomen. De verzamelde kredietverstrekkers kwamen met SOS-berichten over het dramatisch snel groeiende aantal cliënten dat niet meer aan de betalingsverplichtingen kan voldoen. Voor het Bureau Kredietregistratie in Tiel, de digitale databank waar de gegevens over wanbetalers worden opgeslagen, zijn het topdagen. Het is moeilijk vol te houden dat dit alles zou worden veroorzaakt door die anderhalve procent stijging van de prijzen waaraan de president van de Nederlandsche Bank zich nu heeft vastgeklampt.

Bij de consument leven spookachtige ideeën over de prijs van de euro. De mensen klagen steen en been, en stellen dat de euro — in theorie 2,20 gulden waard — in werkelijkheid moet worden uitgegeven als een gulden. Solide gegevens hierover ontbreken echter. Het probleem is dat niemand de moeite heeft genomen het prijspeil sinds de komst van de euro systematisch te monitoren. Daardoor blijft het verzamelde feitenmateriaal beperkt tot fragmentarische momentopnames die evenveel waard zijn als wat de gek ervoor geeft.

Zo voerde internetmiljonair Adam Curry de komkommertest uit: hij kwam tot de conclusie dat waar de komkommer vorig jaar nog rond de twee gulden en vijftig cent kostte, dit sinds de euro inmiddels is opgelopen tot het dubbele. Curry, net terug uit de Verenigde Staten, toonde zich zo geschokt door de eurocrisis dat hij aankondigde zo snel mogelijk weer te emigreren naar Amerika. Dagblad Het Parool onderzocht het euro-effect in de horeca op het Leidseplein in Amsterdam en kwam tot de slotsom dat een pilsje daar omgerekend inmiddels ƒ5,50 kost, tegen ƒ3,25 vorig jaar.

Peilingen van het consumentenvertrouwen zijn er wél en die vertonen onveranderlijk een uiterst grimmig beeld. Vorige week maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend dat het consumentenvertrouwen is gezakt tot het laagste punt in meer dan vijftien jaar. Het euro-effect was het laatste zetje dat Nederland nodig had om in een recessie te belanden.

Het kabinet-Balkenende sprak bij monde van minister Heinsbroek aanvankelijk harde taal over de prijsstijgingen. Heinsbroek schermde zelfs even met de mogelijkheid van een afgedwongen prijzenstop, maar dat bleek vooralsnog een losse flodder, zoals wel meer ideeën van de flamboyante mister Bentley, die kennelijk hard werd teruggefloten door zijn achterban, die niet is gediend van zo’n staaltje uyliaans staatsdirigisme.

Heinsbroek denkt de liquiditeitsproblemen bij de consument nu op te lossen door begin volgend jaar het zogeheten spaarloon vrij te geven. Het spaarloon was een van de kroon juwelen van de paarse era. De regeling kwam erop neer dat werknemers in de gelegenheid werden gesteld een extra bonusrente te incasseren als zij een deel van hun salaris direct naar een spaarfonds lieten overmaken, waar het over een langere periode zou worden vastgezet. Ze werd indertijd in het leven geroepen om pensioen- en WAO-gaten te dichten. Hiermee wilde Paars bewerkstelligen dat juist werknemers met lagere inkomens na het beëindigen van hun loopbaan niet dramatisch in inkomen achteruit gingen.

Volgens het kabinet-Balkenende functioneert deze regeling echter niet, al liet men tot op heden na te melden wat er dan precies aan mankeert. Doordat de spaarloonregeling begin 2003 in één klap wordt geliquideerd, krijgt de consument de inmiddels opgebouwde tegoeden meteen in handen. En de ijdele hoop is natuurlijk dat dit een impuls biedt voor de noodlijdende economie, die recessieve trekjes vertoont nu de verkoop van met name luxe producten zo goed als stil is komen te liggen.

Dat deze maatregel wel ten koste gaat van de oudedagvoorziening van veel Nederlanders — FNV-voorzitter De Waal wees daar al op — wordt gemakshalve over het hoofd gezien. In feite vult men het ene gat met het andere gat en wordt een zware hypotheek op de toekomst van de middenklasse getrokken. Maar ja, wie dan leeft, die dan zorgt, zo lijkt het kabinet-Balken ende te denken (terwijl de LPF tegen die tijd vermoedelijk niet eens meer zal bestaan).

In andere eurolanden wordt het debat over de dramatische economische consequenties van de euro heel wat feller gevoerd dan in Nederland. Zo is in Italië al besloten tot de oprichting van een speciale parlementaire commissie die de aan de komst van de euro gekoppelde inflatie in kaart moet gaan brengen.

Terwijl de regering-Berlusconi in juli met cijfers kwam die moesten doen geloven dat de euro-inflatie 2,2 procent bedroeg, hielden consumentenorganisaties, vakbonden en de oppositie vol dat die inflatie al was opgelopen tot 4,5 procent, en nog altijd een stijgende lijn vertoont. Het bedrijfsleven zou de komst van de euro hebben misbruikt om de prijzen kunstmatig op te schroeven. De Italiaanse minister van Economische Zaken Giulio Tremonti pleit nu voor de invoering van een biljet van één euro, een psychologische maat regel waardoor consument en bedrijfsleven meer doordrongen zouden raken van de werkelijke waarde van de euro.

In België toonde recent onderzoek aan dat sinds de komst van de euro vierhonderdduizend mensen extra in de financiële problemen zijn gekomen. In Duitsland ligt bondskanselier Schröder zwaar onder vuur op grond van de oncontroleerbaar stijgende euro, die door de oosterburen al is omgedoopt in «teuro».

In Nederland wordt het eurodebat kennelijk zo lang mogelijk uit de weg gegaan. Niet zo verwonderlijk, daar het politieke enthousiasme voor het pan-Europese betaalmiddel zo goed als kamerbreed was en niemand bereid is om als eerste spijtoptant voor het voetlicht te treden. Ook het economengilde heeft zich tot dusver muisstil gehouden. Slechts een enkele dissident pleit voor het herinvoeren van de gulden.

Dat laatste lijkt nu nog heel ver weg, maar feit is dat het Europese monetaire schip de afgelopen maanden in rap tempo averij oploopt. De onderkant van Europa heeft grote moeite het financiële euro-regime bij te benen. Afgelopen maand ontving de nieuwe rechtse regering van Portugal als eerste euroland al een dreigement vanuit Brussel dat zij een grote boete tegemoet kan zien als ze er niet in slaagt het begrotings tekort binnen de Europese norm te houden. Als het Lissabon niet lukt de uitgaven te beperken, zou dat al snel kunnen leiden tot een uittreding uit de Europese Monetaire Unie, en dat zou de eerste doodsteek kunnen zijn voor de euro.

Het schatrijke Nederland verkeert wat dat betreft zeker niet buiten de gevarenzone. De snelle toename van de populariteit van het casi nokapitalisme gedurende de «roaring nineties» heeft ervoor gezorgd dat de nationale economie uiterst kwetsbaar is geworden. De schaduwzijde van de gouden bergen van de jaren negentig begint anno 2002 meer dan manifest te worden. Het weekblad Intermediair signaleerde in de editie van 2 augustus al een klasse van «nieuwe armen», mensen die in de jaren negentig meesurften op de ongekende conjunctuurgolf en nu even hard worden meegesleurd in de neerwaartse golf. Sinds begin vorig jaar, zo rekende het blad uit, verloren de ongeveer 1,8 miljoen bezitters van aandelen die Nederland telt op de beurs naar schatting meer dan honderd miljard euro. Dat is zo’n zestigduizend euro per beleggende Nederlander. Daarnaast werd op de beurs ook dramatisch veel geld verloren door de pensioenfondsen, die sinds begin vorig jaar zo’n tachtig miljard euro op de beurs kwijtraakten.

Met deze dramatische ontwikkelingen is een Europese reprise van de Wall Street Crash van 1929 zeker niet uitgesloten. Het laatste wat daarvoor nodig is, is een daling van de huizenprijzen. Omdat de Nederlander via de hypothekenkoorts van de jaren negentig inmiddels Europees recordhouder persoonlijke schuld is geworden (de afgelopen acht jaar verdrievoudigden de uitstaande hypotheken tot 324 miljard euro, tachtig procent van het Bruto Binnenlands Product), staat of valt alles nu met de huizenprijs. Zolang deze stijgt, is er niets aan de hand. Zodra deze daalt, tekent zich een — letterlijk — huizenhoge recessie af.

Het economenblad ESB meldde onlangs dat eind dit jaar de gestage prijsstijgingen op de huizenmarkt zullen omslaan in prijsdalingen. Die conclusie wordt gedeeld in een recente studie van adviesbureau PricewaterhouseCoopers. Het aantal huizen dat te koop wordt aangeboden stijgt momenteel rap, en geleidelijk slaat de stagnatie van de waarde van het huizenbezit om in een daling. Zodra dat rampscenario realiteit is geworden, zal de recessie van eind jaren zeventig in retrospectief kinderspel blijken te zijn geweest. De crisis van de jaren dertig biedt dan beter historisch vergelijkingsmateriaal, met Balkenende als de nieuwe Colijn.