De prijs van de vrijheid

Is de genentechnologie de jongste manifestatie van het Kwaad? In Duitsland is een heftig debat uitgebroken, aangesticht door enfant terrible Peter Sloterdijk. Ook Rüdiger Safranski, auteur van ‘Het kwaad’, mengde zich in de titanenstrijd. Zijn vraagstelling: met welke morele codex is de genentechnologie in goede banen te leiden?

HET IS EEN KENMERK van de nieuwe tijd dat naast de empirische wetenschappen met hun ontmoraliserende methoden, de platonische, religieuze, morele interpretaties van de wereld weigeren te verdwijnen. We beschikken over beide visies, die naast elkaar bestaan en waarvoor het individu zelfs afwisselend kan kiezen. Kant is degene geweest die dit dubbele perspectief zelfs het wezenlijke kenmerk van de mens heeft genoemd. Enerzijds zien wij de wereld, aldus leert Kant, volgens de beginselen van ruimte, tijd en causaliteit. Die principes behoren tot onze ervaringsstructuur en dwingen ons tot een samenhangend, gedetermineerd wereldbeeld. Ook zichzelf kan de mens als ding temidden van de dingen zien. In hem zit echter een soort draaitoneel: hij ziet zichzelf van buitenaf, en hij kan zichzelf ook van binnenuit ervaren. Van buitenaf gezien is er alleen causaliteit, van binnenuit is er vrijheid. We handelen nu, en we zullen achteraf steeds een noodzaak en een oorzaak voor ons handelen kunnen vinden. Op het moment van de beslissing hebben we er niets aan te weten dat we afhankelijk zijn van de fysiologie van onze hersenen: daaraan kunnen we geen vragen stellen, we moeten zelf een beslissing nemen. En aangezien we onszelf moeten bepalen, ervaren we onszelf als een wezen dat niet eenvoudigweg in een keten van causaliteiten is opgenomen, maar zelf een nieuwe keten van causaliteiten kan starten. Zo'n causaliteit uit vrijheid wordt door Kant verklaard met het alledaagse voorbeeld: ‘Wanneer ik nu (…) volledig in vrijheid (…) opsta van een stoel, dan begint door die gebeurtenis, compleet met de natuurlijke gevolgen daarvan tot in het oneindige, een regelrecht nieuwe reeks.’
De mens ervaart zijn vrijheid niet alleen in de spontaniteit van het handelen, maar vooral ook in het morele geweten. En daar gaat een hele wereld van goed en kwaad voor ons open. Als antropoloog geeft Kant wel degelijk toe dat in verschillende beschavingen andere morele taxaties gebruikelijk zijn. Maar dat wil voor hem niet zeggen dat de marge van de vrijheid niet steeds aanwezig is waar de mens ontwaakt tot bewustzijn en rede.
Kant hecht zoveel waarde aan vrijheid en moraal omdat voor hem alleen in die dimensie de transcendentie, die uit de rest van de natuur is verdwenen, gered kan worden. Bij Kant heeft het er alle schijn van dat de oude God van de metafysica, nadat Hij uit de wereldruimte was verdwenen, zich als in een vesting heeft teruggetrokken in het geweten van de mens. En dat Hij voor de zuivere rede daaruit is verdwenen, is het gevolg van de 'onttovering’ en 'rationalisatie’ van de moderne wetenschap. Ook Kant, een vriend en begunstiger van die wetenschap, weet dat deze het verlangen naar zin niet kan bevredigen en dwingt tot het inzicht dat de mensen die ooit geloofden 'het einddoel van de schepping te zijn’, moeten leven met het bewustzijn dat ze misschien toch worden teruggeworpen 'in de afgrond van de doelloze chaos van de materie waaruit men hen had bevrijd’.
Maar daar wil Kant het niet bij laten. Dat 'troosteloze toeval’ van een 'doelloos spelende natuur’ zou - voor hem althans - niet te verdragen zijn zonder vertrouwen in de kracht van de morele zelfbeschikking. In de 'kille’, gedetermineerde natuur kan men het bewustzijn van de waardigheid alleen vinden in de innerlijke ervaring van de vrijheid. In de moraalfilosofie van Kant gaat het om de redding van die waardigheid.
Ook Kant zou goed en kwaad willen baseren op een fundament dat meer substantie heeft dan een conventie tussen mensen. Ook Kant zoekt naar een absolute grondslag voor moraal. In de categorische imperatief van het geweten laat hij de voor het overige reeds verdwenen God een laatste maal optreden. Maar dat is duidelijk een verloren post in de moderne tijd. Uiteindelijk zal ook het geweten 'genaturaliseerd’ worden, zodat het als metafysische restgrootheid verdwijnt. De ervaring van een universum waaruit de moraal is verdwenen, krijgt de overhand en vernietigt dat laatste bolwerk van een metafysica van de moraal. Ik noem twee voorbeelden die dit proces nadrukkelijk documenteren. Het verhaal Heart of Darkness van Joseph Conrad en markies De Sade.
LATEN WE MARLOW een eindje begeleiden op zijn reis naar het Hart der Duisternis in het gelijknamige verhaal van Joseph Conrad (1900). Marlow vertelt hoe hij als jeugdig kapitein met een wrakke vrachtboot de Kongo was opgevaren in opdracht van een handelmaatschappij. Hij moest ivoor aan boord nemen. De handelsposten langs de rivier blijken vervallen voorposten van een groteske beschaving, beheerd door corrupte 'pelgrims van de vooruitgang’. Overweldigend daarentegen is de wildernis rondom de nietige nederzettingen waar de hebzucht zich concentreert. De wildernis, dat onvoorstelbaar grote 'iets’, 'dat niet kon spreken en misschien ook niet horen’ - zou die zich door de wil van de indringers laten veroveren, of zou het omgekeerd zijn, en zou zij de indringers laten kennismaken met hun eigen wildheid?
Bij de handelsposten onderweg is overal sprake van de met een waas van geheimzinnigheid omgeven handelsagent Kurtz, die zich het verst het binnenland in heeft gewaagd. Hij is niet meer teruggekomen, maar stuurt grote hoeveelheden ivoor stroomafwaarts over de rivier. De geruchten worden steeds sterker dat Kurtz, die ooit lid was geweest van een 'internationaal genootschap tot afschaffing van wilde zeden’ en die menslievende toespraken had gehouden, intussen een monster lijkt te zijn geworden. Hij exploiteert zijn district met brute onverschrokkenheid; hij moordt, hij rooft, en hij heeft een complete stam aan zich onderworpen. Hij wordt als tovenaar vereerd en ensceneert rituelen vol orgiastische uitspattingen. Hij is erin geslaagd 'een hoge plaats onder de duivels van het land’ te veroveren. Het dringt geleidelijk tot Marlow door dat het hem bij zijn reis om nog maar één ding gaat: de ontmoeting met Kurtz. Hij vindt hem op zijn voorpost: ziek, broodmager, in een hut, omringd door op staken gestoken, uitgedroogde mensenhoofden. Korte tijd later sterft hij, en zijn laatste gefluisterde woorden zijn: 'De gruwel, de gruwel!’
Wat is er nu eigenlijk met Kurtz gebeurd? Marlow vermoedt: 'De wildernis echter had zich gruwelijk op hem gewroken wegens zijn ongewenste komst. Ik geloof dat ze hem dingen over zichzelf had toegefluisterd waarvan hij niets wist, waarvan hij geen idee had gehad voordat hij bij de grote eenzaamheid te rade was gegaan - en dat gefluister was een onweerstaanbare bekoring gebleken. Het had een luide weerklank in hem gevonden omdat hij volkomen hol was…’
Het is van belang te begrijpen wat hier te begrijpen valt - wanneer de 'wildernis fluistert’. De interpretatie ligt voor de hand: de wildernis is in Kurtz doorgedrongen en heeft in hem zijn eigen barbaarse wildheid gewekt en de grenzen van de beschaving verbroken. Zo is het waarschijnlijk gegaan, maar dat is nog niet alles. De wildernis openbaart zich als iets wat alle zin van de hand wijst, ze is zo zinloos dat het instinct van de mens die naar betekenis zoekt, zich onherroepelijk verloren voelt. De wildernis openbaart juist in haar woekerend leven de volstrekte toevalligheid. Het meest onthutsende aspect van de wildernis is niet het feit dat ze wild is, maar haar sprakeloosheid die iedere betekenis afwijst. Ze 'fluistert’ de mens toe dat ze hem op overweldigende wijze niets te zeggen heeft. Juist daarvan gruwt Kurtz, van dat niets aan betekenis. In deze overvloedige en toch lege ruimte is derhalve alles mogelijk. Als de wildernis al een boodschap heeft, dan luidt die: doe maar wat je wilt, het zal geen betekenis hebben! De wildernis zal daar onverschillig aan voorbijgaan, ze zal haar groene klauwen overal uitspreiden, alsof er niets gebeurd is. Ze zal voortwoekeren, zinloos, vruchtbaar en verschrikkelijk.
KURTZ WAS in die zwijgende wildernis een monster geworden, net als eerder markies De Sade, die zijn loopbaan eveneens was begonnen met een vervloeking van de grote onverschilligheid van de zwijgende natuur. Die natuur, zo schrijft De Sade, is verantwoordelijk voor het feit 'dat het ongelukzalige individu dat mens heet, zonder zijn toestemming in dit trieste universum geworpen’ is. De natuur laat hem leven, en zal hem vervolgens weer verslinden. Waarom zou men, zo vraagt de markies zich af, die beperkte levensduur nog extra belasten met moraal en de daaruit voortvloeiende gewetensnood? Men moet zich bevrijden van bedrieglijke verwachtingen en dwaze angsten. Waarom zou men niet 'een paar rozen op de doornen van het leven strooien’ door 'de ruimte voor zijn interessen en hobby’s te vergroten’ en 'alles aan de lust op te offeren’?
De lusten maken het asiel van het bestaan draaglijk. In een koud, onverschillig universum vindt men de vaststaande dood, een leven vol kwellingen en, als men verstandig en misschien ook gewetenloos te werk gaat, enkele ogenblikken van lust. Meer niet, in elk geval niet voor De Sade, die geëxperimenteerd heeft aan de duistere grenzen van wat menselijk mogelijk is. Hij redeneert vanuit het standpunt van de 'wrede natuur’. Hij probeert uit de stelling 'Wat de natuur toestaat, dat is ook moreel geoorloofd’ alle mogelijke consequenties te trekken. Hij is zijn bedoeling de christelijke moraal op te heffen en een naturalistische moraal in ere te herstellen. Waarom zou men bijvoorbeeld niet mogen doodslaan? Hecht de natuur soms waarde aan individuele personen? Nee, antwoordt De Sade. Misschien heeft de natuur belang bij de soort. Maar ook daarvan kan men niet zeker zijn. Waarom zou vanuit het standpunt van de natuur het overleven van de mens belangrijker zijn dan dat van olifanten en ratten? Maakt de natuur soms geen gebruik van verwoesting? Uit de mest van gecrepeerd leven creëert ze nieuw leven. Verwoesting is niets anders dan 'gedaanteverwisseling van vormen’, en daaruit volgt: 'Aangezien verwoesting een van de eerste natuurwetten is, kan niets wat verwoesting aanricht een misdrijf zijn.’ De natuur verhindert doodslag niet, ze sticht daartoe zelfs aan door middel van de lust in laaghartigheid. Waar een lust is, daar is ook een aandrift, en waar een aandrift is, daar spreekt de natuur, daar geeft ze haar goedkeuring. Waar de natuur iets toestaat, daar kan geen misdrijf bestaan, of wat op hetzelfde neerkomt: de natuur zelf is misdadig. 'Ga heen, vriend, je kunt er zeker van zijn dat alles (…) toegestaan is en dat zij (de natuur) niet zo dom is geweest ons de macht te schenken om haar te verontrusten of uit haar ritme te halen. Als ze ons, de blinde werktuigen van haar inspiratie, zou bevelen het universum in brand te steken, dan zou het enige misdrijf zijn dat men zich tegen dat bevel verzet, en alle misdadigers ter wereld zijn slechts uitvoerende organen van haar grillen…’
Het voorbeeld van De Sade laat zien wat de verwoestende gevolgen van het naturalisme op het niveau van de moraal zijn. De markies heeft met zijn naturalistische moraal hoofdzakelijk in zijn verbeelding geëxperimenteerd. In de twintigste eeuw is het Adolf Hitler geweest die de praktische moordlustige consequenties heeft getrokken uit die naturalistische moraal. Men is gewend te spreken van Hitlers 'warrige’ denkbeelden. Zijn gedachten zijn echter helemaal niet 'warrig’. Het schrikwekkende in zijn gedachten is eerder de onverbiddelijke consequentie waarmee hij uit enkele naturalistische premissen een heel systeem en een strategie van handelen ontwikkelt. De natuur is 'wreed’, aldus Hitler in Mein Kampf. In de arena van het leven kan slechts de sterke winnen, de natuur is genadeloos tegenover de zwakken, die moeten ondergaan. Als 'pacifistisch-humane denkbeelden’ de overhand zouden krijgen, is degeneratie het gevolg. Een mensheid die medelijden voelde, zou zijn eigen ondergang teweegbrengen. 'Hierom kan natuurlijk deze of gene in lachen uitbarsten, maar deze planeet heeft zich al miljoenen jaren zonder mensen door de ether bewogen, en hij kan zich ooit weer zo voortbewegen, wanneer de mensen vergeten dat ze hun hogere bestaan niet te danken hebben aan de denkbeelden van enkele getikte ideologen, maar aan het inzicht en de genadeloze toepassing van ijzeren natuurwetten.’ De natuur is in moreel opzicht onverschillig, ze beloont geen goede karakters; integendeel, daar gelden de wetten van zelfbehoud, van selectie van de sterksten in de strijd om het bestaan.
In die moorddadige strijd zijn er vijanden en ongedierte. Vijanden zijn de concurrenten op het gebied van ruimte en macht. Ongedierte - dat zijn degene die de wil tot strijd en zelfbehoud bij individu en collectief doen verminderen, bijvoorbeeld door de 'hinderlijke’ ethiek van het verbod op doden. Hitler wilde de joden uitroeien omdat hij in hen de fysieke vertegenwoordigers zag van die ethiek van het verbod op doden. Hij zei: 'Wij staan voor een onvoorstelbare omwenteling van de morele opvattingen, en van de geestelijke oriëntatie van de mens. In onze beweging wordt slechts de tussentijd, die van de middeleeuwen, afgesloten. Wij staan aan het einde van een dwaalweg van de mensheid. De wetstafelen van de berg van de Sinaï zijn niet meer van kracht. Het geweten is een joods bedenksel.’ Hitler wilde een moraal vernietigen door haar 'bedenkers’ en 'dragers’, de joden, fysiek uit te roeien. En die moraal moest vernietigd worden teneinde de andere geplande en vervolgens ook gerealiseerde grootscheepse moordacties in het Oosten, de 'etnische zuiveringen’, mogelijk te maken. 'Wij hebben de plicht tot ontvolking, zoals wij ook de plicht hebben de Duitse bevolking passend in leven te houden. Er zal een techniek van ontvolking ontwikkeld moeten worden. Wat betekent “ontvolkt”, zult u vragen. Wil ik soms hele volksstammen uit de weg ruimen? Jawel, daarop zal het zo ongeveer neerkomen. De natuur is wreed. Daarom mogen wij dat ook zijn…’
Dat is de sleutelzin van Hitlers complete leer: de natuur is wreed, dus mogen wij dat ook zijn.
HIER KOMEN WE TE STAAN voor een kardinaal probleem van de nieuwe tijd: hoe kan de ontketening van technische productiekrachten moreel controleerbaar blijven? Hoe is de verhouding tussen zakelijke productiecultuur en morele cultuur? Laten we de genentechnologie als voorbeeld nemen. We staan aan het begin van een opzienbarende ommekeer. Wij zullen steeds dieper kunnen ingrijpen in de biologische materie, met onoverzienbare gevolgen, omdat de nieuwe organismen plotseling en mogelijk zonder voldoende adaptie in het natuurlijke milieu verschijnen. Maar bovenal: de genentechniek verandert in antropotechniek. Het is mogelijk in te grijpen in de kiembaan, met als gevolg dat de mens bouwsteen voor bouwsteen gereconstrueerd kan worden. Het hele griezelkabinet vol monsters is binnenkort leverbaar. Bij genenbanken zal men gepatenteerde eigenschappen kunnen aankopen. En in combinatie met de prenatale diagnostiek zal de vernietiging van zogeheten 'mensonwaardig leven’ in de moederschoot of in de couveuses op grote schaal kunnen worden doorgevoerd. De selectie vindt vóór de geboorte plaats, maar het blijft een selectie. De eugenetica zal een hoogconjunctuur beleven, en er zal een nieuwe klassenmaatschappij kunnen ontstaan van mensen die eugenetisch gemodelleerd zijn en mensen die nog langs natuurlijke weg en dus minder 'waardevol’ ter wereld komen. De mens van de toekomst zal zichzelf misschien op een nieuwe manier als product van planning moeten gaan zien. Degenen die het lichaam leveren - vroeger waren dat de ouders, in de toekomst zijn dat zaaddonoren, moeders, draagmoeders, laboratoriumpersoneel en genenbanken - zullen een menselijk product op de wereld zetten dat zichzelf als levende investering moet zien. Er ontstaat een nieuw soort lijfeigenschap. Wie in de toekomst zijn identiteit wil kennen, zal zich moeten verdiepen in de catalogi aan de hand waarvan zijn eigenschappen zijn aangekocht. Sartres uitspraak dat het erom gaat iets te maken van hetgeen waartoe men gemaakt is, zal op verrassende wijze de ethiek van het nieuw geproduceerde menselijk ding kunnen typeren. Er zullen processen komen van kinderen tegen hun ouders, er zal schadevergoeding geëist worden wegens goedkope makelij, kinderen die hun weg in het leven niet kunnen vinden, zullen ouders aanklagen omdat ze geen abortus hebben laten plegen. We moeten ons voorbereiden op onvoorstelbare ontwikkelingen, waartegen onze moraal waarschijnlijk nog helemaal niet is opgewassen.
Dit project van de nieuwe samenstelling van de menselijke materie, de onthulling van het genetische noodlot en de nieuwe mogelijkheden om dat af te wenden - dat alles plaatst vraagtekens bij de traditionele opvattingen over dood en ziekte, over maatschappelijke verdeling van gaven en vaardigheden, en in het algemeen bij de relatie met noodlot, toeval en noodzakelijkheid, met het veranderlijke en het onveranderlijke. Daarbij gaat het zonder enige twijfel om de verwerving van een nieuwe vrijheid. De zelfbeschikking breidt zich uit tot de biologische materie, de productie van de mens door de mens bevrijdt zich van de resten van de tot nu toe bestaande natuurlijkheid.
Dit proces verloopt niet volgens een of andere planning, er is geen elite van Frankensteins die op de achtergrond aan de touwtjes trekt; van doorslaggevende betekenis is eerder de 'onzichtbare hand’, bestaande uit economie, markt, concurrentie in het wetenschappelijk onderzoek en de wensen van het publiek, dat de medische, economische en andere voordelen van de ontwikkelingen in de genentechniek onmiddellijk begrijpt. De verlokkingen van de praktische mogelijkheden zullen triomferen over de bedenkingen. Geen samenzwering van bovenaf maar de kwestie van vraag en aanbod zal leiden tot de ontketening van de genentechnische beschaving. Waarvan sommige filosofen, van Plato tot Nietzsche, gedroomd hebben: de veredeling van de mens en de systematische verbetering tot Übermensch, kan werkelijkheid worden, zij het op een banalere en misschien ook barbaarsere manier dan de vrienden van de Übermensch-gedachte denken.
ONVERMIJDELIJK ZAL de biologische revolutie die zich in onze tijd afspeelt, het uitzonderlijk gevaarlijke terrein van de biopolitiek bereiken. Dat terrein moeten we als gevaarlijk beschouwen omdat de geschiedenis van de bewust gevoerde biopolitiek tot dusver voorziet in bijna uitsluitend gruwelijke voorbeelden. Men denke slechts aan het oude Sparta, dat een systematische biopolitiek voerde: de verwekking van kroost werd streng gecontroleerd; zwakke en zieke kinderen en overtollige meisjes werden vermoord. Het lichaam van het individu was eigendom van de staat. Zoals dat ook het geval was in hét catastrofale voorbeeld van biopolitiek in de nieuwe tijd: de nationaal-socialistische rassenpolitiek. Desondanks zal het onvermijdelijk tot een biopolitiek komen, enkel en alleen omdat de technische biomacht inmiddels onvoorstelbaar is toegenomen. De bepaling van goed en kwaad op dit terrein is nog vaag, er is nog geen sprake van voldoende maatschappelijke consensus over de ethische controle op de biotechnologische ontwikkelingen. Maar op dit gebied zijn de technische productiekrachten allang ontgroeid aan de morele verhoudingen. We bevinden ons in een nogal gevaarlijke fase van het avontuur van de vrijheid. De vrijheid viert als wetenschappelijk-technisch vernuft triomfen, en is een uitdaging aan het adres van die andere vrijheid, die zich manifesteert in ons morele vernuft.
Aangezien de mens zich in de praktijk veel meer dan vroeger zelf kan bepalen, moet een morele codex worden opgesteld die definieert wat niet is toegestaan, een codex die zodoende taboes bepaalt of bevestigt. Het gaat daarbij om vragen of we ook willen wat we kunnen, en of we, als we dat willen, het ook mogen, en hoe we, als we ervan overtuigd zijn dat we het niet mogen doen, het kunnen verhinderen. Aangezien geen Mozes meer met wetstafelen van de Sinaï zal afdalen, zullen we kunnen constateren dat die vrijheid om een moraal (uit) te vinden nogal inspannend en riskant kan zijn. Wij hebben echter - ook dat is een resultaat van de geseculariseerde nieuwe tijd - geen andere keus dan zelf te bepalen wat we met ons laten doen, met ons laten gebeuren. Wie beweert dat het erom gaat de problemen en ontwikkelingen nuchter en waardevrij te bezien, heeft de uitdaging van het heden niet begrepen. De nieuwe manieren om in te grijpen in het leven, eisen namelijk een al even vernuftig moreel behoud van dat leven.
De vorm van de morele uitdaging is nieuw, maar we zullen ons moeten afvragen of we echt een nieuwe moraal moeten uitvinden of dat het nieuwe misschien beter met een opnieuw bevestigde oudere moraal in evenwicht gehouden kan worden. Wat voor moraal? Ik zou zeggen, om het kort te formuleren, de moraal van de eerbied voor het leven. Wat betekent die eerbied? Die betekent in de eerste plaats dat erkend wordt dat het leven - het eigen leven, dat van anderen en dat van de natuur - de belichaming is van een langdurige geschiedenis van toetsing en ervaring, een geschiedenis die altijd meer complex en geheimzinnig zal blijven dan wij zullen kunnen begrijpen, en dat is de reden waarom wij de gevolgen van een ingreep op lange termijn nooit kunnen taxeren.
Ingrepen blijven natuurlijk nodig en nuttig, maar vanwege de onvoorzienbaarheid van de gevolgen hebben wij een versterking nodig van het systeem van morele remmingen, dat de razernij waarmee wordt ingegrepen althans enigszins kan beteugelen. De motivatie zou daarbij moeten worden omgekeerd: niet de remming, maar de ontremming moet worden verantwoord. Bij de definitie van de mensenrechten zullen we in de toekomst moeten nadenken over de vraag of de mens het recht heeft te worden geboren, en niet te worden gemaakt; of hij er het recht op heeft dat alleen het toeval, het noodlot of - voorzover men daarin gelooft - de hogere bestemming hem van zijn aangeboren eigenschappen voorziet, en niet een planmatige productie. Of hij het recht heeft zijn genetisch noodlot niet te hoeven leren kennen.
IK WIL MIJN OVERWEGINGEN over het kwaad afsluiten met de waarschuwingen van Albert Einstein over de perversie van de wetenschappelijke cultuur. De geest van de wetenschap, aldus Einstein, komt voort uit het vermogen van de mens zijn grenzen en zijn egoïstische belangen achter zich te laten en het geheel van de natuur, waarin hij thuishoort, te overzien. De wetenschap zondigt echter tegen haar eigen geest wanneer ze alleen nog egoïstische, materiële doeleinden dient. 'Een menselijk wezen’, zo schrijft Einstein, 'maakt deel uit van het geheel, dat wij “universum” noemen, een in ruimte en tijd begrensd deel. Het ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens, als iets wat losstaat van al het andere - een soort gezichtsbedrog van zijn bewustzijn. Dat bedrog is voor ons een soort gevangenis die ons beperkt tot ons persoonlijk verlangen en onze affectie voor slechts enkele mensen in onze omgeving. Onze taak moet zijn ons uit die gevangenis te bevrijden.’
Voor Einstein is het 'geheel’ de eenheid van natuur en geest, en elke poging om de geest uit de natuur te verdrijven, sluit het menselijk bewustzijn op in een gevangenis. De natuur verandert in een ding, en uiteindelijk wordt de mens zelf ook een ding dat zich laat manipuleren en als middel tot alle mogelijke doeleinden laat gebruiken en misbruiken. Een dergelijk 'vergrijp’ houdt reeds zijn eigen straf in: verwoesting van de natuur en verachting van de mens. Wanneer de moderne beschaving de in zichzelf gevangen mens blijft begunstigen, zo luidt Einsteins sombere prognose, zal ze onvermijdelijk uitlopen op zelfvernietiging. En wel omdat de geestelijke verarming van de mens - doordat hij tot ding wordt - gepaard gaat met een onvoorstelbare groei van de technische vaardigheden. Voor Einstein bestaat het kwaad uit een bepaalde vorm van langs technische weg aangekweekte domheid.
Ik besluit als volgt: de mens kan zich in zijn handelen en denken naar een gebied voorbij goed en kwaad verplaatsen, maar hij blijft ondanks alles een moreel wezen. Het is namelijk een morele beslissing als men de moraal opheft. Daarom doen we er goed aan te blijven spreken van het 'kwaad’. Men hoeft er echter niet meer de duivel bij te halen om het kwaad te begrijpen. Het kwaad maakt deel uit van het drama van de menselijke vrijheid. Het is de prijs van de vrijheid.